Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ3797

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
27-07-2009
Zaaknummer
16-441875-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling m.b.t. handelen in het verkeer; tevens verlaten plaats ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/441875-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 juni 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1974] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. B. Tieman, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 juni 2009, waarbij de officier van justitie, mr. J.G.M. Grimbergen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

(feit 1)

door met zijn auto achteruit op aangever in te rijden, heeft gepoogd hem van het leven te beroven, subsidiair zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meer subsidiair aangever te bedreigen;

(feit 2)

diezelfde dag de plaats van ongeval heeft verlaten.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft namens verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde onder meer betoogd dat, gelet op de lezing van verdachte, de verklaringen van aangever en de getuigen moeten zijn afgestemd en derhalve ongeloofwaardig en niet betrouwbaar zijn om voor het bewijs te gebruiken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman bepleit dat verdachte zich niet bewust is geweest van de aanrijding.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt omtrent het onder 1 tenlastegelegde het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 12 juni 2009 verklaard dat hij als reactie op het gedrag van aangever [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]), op 8 juni 2007 op de Sweder van Zuylenweg te Utrecht met zijn auto ongeveer 50 meter achteruit is teruggereden naar de plaats waar hij aangever het laatst had zien staan. Volgens verdachte zag hij dat [slachtoffer] naar de achterkant van een geparkeerde auto lopen, toen hij achteruit ging rijden. Na 20 à 30 meter achteruitrijden kon verdachte [slachtoffer] niet meer zien. Verdachte heeft geremd bij de geparkeerde auto, naar de achterkant waarvan hij [slachtoffer] had zien lopen. Verdachte is, aldus zijn verklaring ter zitting, parallel aan voornoemde auto gestopt.

De rechtbank acht van belang dat verdachte, zowel bij de politie als ter terechtzitting, heeft verklaard dat hij zich tijdens het achteruitrijden bewust was van het feit dat hij [slachtoffer] niet meer zag terwijl hij wist dat hij [slachtoffer] het laatst naar achter de geparkeerde auto zag gaan, en dat dit het risico met zich bracht dat hij hem kon raken.

Zowel [slachtoffer] als getuige [getuige 1] verklaren bij de politie dat [slachtoffer] opzij moest springen om niet geraakt te worden door de auto waarmee verdachte met hoge snelheid op [slachtoffer] afreed. De verklaring van verdachte dat hij tijdig gestopt zou zijn, wordt naar het oordeel van de rechtbank door de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] feitelijk weerlegd. Van enige afstemming van deze verklaringen, zoals door de raadsman is bepleit, is op geen enkele wijze uit het stukken van het dossier en ter terechtzitting gebleken. Getuige [getuige 1] heeft de dag na het incident bij de politie reeds een verklaring afgelegd en van enige relatie tussen hem en [slachtoffer] is niet gebleken.

Aangaande de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag is vereist dat verdachte de opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin - heeft gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit het onderzoek ter terechtzitting en de verklaring van verdachte is niet de aanmerkelijke kans aannemelijk geworden dat [slachtoffer] door een mogelijke aanrijding zou komen te overlijden. De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte zijn auto tot stilstand heeft gebracht parallel aan de genoemde geparkeerde auto althans vlak daarna, zodat zijn snelheid op dat moment niet hoog zal zijn geweest. De kans op dodelijk letsel is daarmee niet zonder meer aanmerkelijk te noemen. Derhalve dient verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, gelet op voornoemde verklaring ter zitting en voornoemde verklaringen van [slachtoffer] en getuige [getuige 1], wel de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen en derhalve acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastelegde overweegt de rechtbank dat verdachte ter terechtzitting van 12 juni 2009 heeft verklaard dat, toen hij stopte naast de geparkeerde auto, hij vrij dicht bij deze auto stond. Volgens verdachte heeft hij naar zijn idee niet tegen de auto aangereden en is hem eerst achteraf gebleken dat dit wel het geval is geweest. Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat zijn emotionele toestand ertoe geleid kan hebben dat hij niet gevoeld heeft dat hij de auto heeft ‘geschaafd’.

Niet weersproken is door de verdediging dat verdachte tegen de geparkeerde auto is aangereden. De politie heeft schade aan de auto van verdachte geconstateerd en aangever [slachtoffer] en getuige [getuige 2] hebben de aanrijding zien gebeuren.

Naar het oordeel van de rechtbank is het onwaarschijnlijk dat verdachte als bestuurder van de auto deze botsing niet heeft opgemerkt, gezien de schade aan beide auto’s . Gelet op zijn verklaring ter zitting had verdachte in ieder geval redelijkerwijs moeten vermoeden dat hij een ongeval had veroorzaakt.

De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. subsidiair

hij op 08 juni 2007 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet als bestuurder van een personenauto

- op die [slachtoffer] is af gereden (terwijl de afstand tussen hem, verdachte en die [slachtoffer] ongeveer 1,5 meter was),

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] opzij moest springen om een aanrijding met hem, verdachte, te voorkomen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij op 08 juni 2007 te Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Sweder van Zuylenweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander

schade was toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling;

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

5.2 Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman namens verdachte vrijspraak bepleit. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat wegens overschrijding van de redelijke termijn strafvermindering dient te volgen. Een werkstraf is dan wellicht op zijn plaats en eventueel een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Volgens verdachte op de terechtzitting was hij ‘boos, perplex en verontwaardigd’ en ‘wilde een verklaring hebben’ van [slachtoffer] voor zijn gedrag. Al achteruitrijdend over tientallen meters is verdachte tegen een geparkeerde auto aangereden en staat vast dat, als aangever niet was weggesprongen, verdachte hem had aangereden.

De rechtbank rekent verdachte dit gedrag op de openbare weg ernstig aan.

[slachtoffer] had ernstig letsel kunnen oplopen en het is algemeen bekend dat slachtoffers van delicten die gepaard gaan met geweld nog lange tijd angstgevoelens kunnen ondervinden.

Daar komt bij dat verdachte is weggereden van de plaats van het ongeval.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit zal de rechtbank een lagere werkstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

De raadsman heeft namens verdachte het verweer gevoerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn aangevangen op de dag dat verdachte door de politie is verhoord, te weten op 29 juni 2007.

Hoewel het geruime tijd heeft geduurd voor de zaak door het Openbaar Ministerie is gedagvaard, is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn waarmee de rechtbank in de strafmaat expliciet rekening zal houden.

Wel acht de rechtbank als bijkomende straf een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op zijn plaats. Daarbij heeft de rechtbank gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 25 maart 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank zal - gelet op het tijdsverloop - de proeftijd stellen op één jaar.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling

feit 2: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door mr. I.P.H.M. Severeijns, voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en J.P. Killian, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Beek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 juni 2009.

Mrs. Severeijns en Killian zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.