Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ3503

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
265810 / HA ZA 09-886
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Totstandkoming overeenkomst van onderaanneming (met arbitragebeding) door een stilzwijgen dat te gelden heeft als instemming met het aanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 265810 / HA ZA 09-886

Vonnis in incident van 22 juli 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. R.P. de Bruin,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [plaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 31 maart 2008;

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring;

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1. Tussen partijen is op enig moment een onderaannemingsovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot het ontgraven van de bouwkuipen (inclusief bijkomende werkzaamheden) ten behoeve van het werk “Almelo verdiept”. [gedaagde] is in dit verband de aannemer en [eiseres] de onderaannemer.

2.2. Partijen hebben op 12 september 2007 onderhandelingen gevoerd over de op te stellen onderaannemingsovereenkomst. Aan het einde van de bespreking zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] de afspraken tussen partijen op korte termijn op papier zou zetten.

2.3. In november 2007 is [eiseres] begonnen met haar werkzaamheden voor [gedaagde].

2.4. Op 25 januari 2008 heeft [gedaagde] de eerste conceptovereenkomst van onderaanneming aan [eiseres] toegezonden. [eiseres] heeft gereageerd op deze conceptovereenkomst, omdat zij het niet volledig eens was met de inhoud daarvan. Partijen hebben daarom tijdens een bijeenkomst op 22 februari 2008 de conceptovereenkomst met elkaar besproken. Na afloop van deze bijeenkomst heeft de heer [X] van [eiseres] een email gestuurd aan [gedaagde] waarin hij de voorwaarden opnoemt die nog niet in de eerste conceptovereenkomst waren verwerkt.

2.5. Op 26 maart 2008 heeft [gedaagde] een gewijzigde overeenkomst van onderaanneming aan [eiseres] toegezonden. In deze laatste overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“De ONDERAANNEMER wordt verzocht om bijgevoegde kopie van deze OVEREENKOMST te ondertekenen en binnen 10 dagen retour te zenden aan de AANNEMER.

Indien deze ondertekende kopie niet binnen 10 dagen na dagtekening is ontvangen, of de ONDERAANNEMER niet binnen deze periode schriftelijk kenbaar heeft gemaakt het met de inhoud van deze overeenkomst oneens te zijn, wordt de ONDERAANNEMER geacht met de inhoud van deze overeenkomst akkoord te zijn.

(…)

1.3 VAN TOEPASSING ZIJNDE (BESTEKS)DOKUMENTEN / VOORWAARDEN:

De navolgende (besteks)documenten zijn van toepassing op deze OVEREENKOMST:

1. (…)

2. De Algemene Inkoop- en Onderaannemingsvoorwaarden van de AANNEMER.

(…)

7.5 GESCHILLENREGELING

Alle geschillen, waaronder die geschillen welke slechts door één van partijen als zodanig worden beschouwd, zullen worden beslecht door arbitrage ingevolge de regels als omschreven in de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland, zoals deze statuten 3 maanden voor de dag van het aangaan van de OVEREENKOMST (waaruit het geschil direct of indirect voortvloeit) luiden.”

2.6. [eiseres] heeft de overeenkomst van onderaanneming van 26 maart 2008 niet ondertekend of geretourneerd aan [gedaagde]. Ook heeft zij -voorafgaand aan de onderhavige procedure- nimmer bezwaar gemaakt tegen de inhoud van deze overeenkomst.

3. De vordering in het incident

3.1. [gedaagde] vordert dat de rechtbank zich, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres] en [eiseres] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. [gedaagde] stelt dat de overeenkomst van onderaanneming van 26 maart 2008 tussen partijen tot stand is gekomen doordat [eiseres] nimmer bezwaar heeft gemaakt tegen de inhoud van deze overeenkomst terwijl daarin is bepaald dat [eiseres] geacht wordt met de inhoud van de overeenkomst akkoord te zijn als de ondertekende kopie van de overeenkomst niet binnen tien dagen na dagtekening door [gedaagde] is ontvangen of als [eiseres] niet binnen tien dagen schriftelijk kenbaar heeft gemaakt het met de inhoud van de overeenkomst oneens te zijn. De rechtbank is volgens [gedaagde] niet bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres] omdat in artikel 7.5 van de overeenkomst een arbitragebeding is opgenomen en in artikel 1.3 van de overeenkomst is bepaald dat de Algemene Inkoop- en Onderaannemingsvoorwaarden van [gedaagde] van toepassing zijn en in artikel 19 van die voorwaarden eenzelfde arbitragebeding is opgenomen.

3.3. [eiseres] voert verweer. Zij stelt dat de overeenkomst van onderaanneming reeds definitief tot stand is gekomen tijdens de bijeenkomst op 12 september 2007 en dat partijen daarbij geen arbitrage of de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [gedaagde] zijn overeengekomen. Voor zover de rechtbank van oordeel mocht zijn dat de algemene voorwaarden van [gedaagde] wel van toepassing zouden zijn, verzoekt [eiseres] de rechtbank deze algemene voorwaarden te vernietigen omdat deze niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan haar ter hand zijn gesteld. Bovendien moet het arbitragebeding in die algemene voorwaarden volgens [eiseres] vernietigd worden omdat [eiseres] niet tegen haar wil de gang naar de gewone burgerlijke rechter onthouden mag worden en een arbitrageprocedure bovendien zeer kostbaar is. De rechtbank begrijpt dat [eiseres] het arbitragebeding in de algemene voorwaarden om die redenen onredelijk bezwarend vindt. Voorts betoogt [eiseres] dat de overeenkomst van onderaanneming van 26 maart 2008 nooit tot stand is gekomen, omdat voor de aanvaarding een wilsverklaring van [eiseres] nodig is, wat [gedaagde] niet eenzijdig kan veranderen.

4. De beoordeling in het incident

4.1. De rechtbank overweegt ten aanzien van haar bevoegdheid om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak als volgt. De vraag die dient te worden beantwoord is of de overeenkomst van onderaanneming van 26 maart 2008 tussen partijen tot stand is gekomen. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod van de ene partij en een daarop aansluitende aanvaarding van de andere partij (zie artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek). Als aanvaarding geldt iedere gedragsvorm die rechtens als een instemming met het aanbod kan worden uitgelegd.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat het niet mogelijk dat een aanbieder eenzijdig in zijn aanbod bepaalt dat het niet of niet tijdig reageren van de andere partij als een aanvaarding van zijn aanbod zal gelden, zoals [gedaagde] dat in de onderhavige zaak heeft gedaan. Immers, een stilzwijgen of stilzitten is op zichzelf voor een aanvaarding niet voldoende. Via deze weg kan van een aanvaarding aan de zijde van [eiseres] dus geen sprake zijn.

4.3. Het is echter wel zo, dat een passieve gedraging, zoals in de onderhavige zaak het stilzwijgen van [eiseres], kan gelden als een instemming met het aanbod. Dat is het geval als die passieve gedraging op grond van een onderlinge afspraak, een erkend handelsgebruik of een tussen partijen ontstane gewoonte als teken van instemming heeft te gelden. Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak sprake van een dergelijke onderlinge afspraak. [gedaagde] had namelijk -conform de gemaakte afspraak op 12 september 2007- reeds eerder een conceptovereenkomst aan [eiseres] toegestuurd. [eiseres] had daarop uit zichzelf gereageerd en aangegeven op welke punten zij het niet eens was met die conceptovereenkomst. [gedaagde] mocht er daarom op vertrouwen dat [eiseres] ook bij de volgende (concept)overeenkomst van onderaanneming van 26 maart 2008 -binnen redelijke termijn- uit zichzelf zou reageren als zij het niet (volledig) eens was met de inhoud van die overeenkomst. Dit temeer gezien het feit dat [eiseres] al geruime tijd voor de ontvangst van die laatste overeenkomst begonnen was met de uitvoering van de werkzaamheden voor [gedaagde]. Op basis van de werkwijze van partijen bij de eerste conceptovereenkomst bestond er dus een soort impliciete afspraak tussen partijen dat [eiseres] uit zichzelf binnen redelijke termijn zou reageren op de gewijzigde overeenkomst van onderaanneming als zij het met de inhoud daarvan niet eens zou zijn. [eiseres] heeft evenwel niet binnen redelijke termijn gereageerd op de gewijzigde overeenkomst van onderaanneming van 26 maart 2008, aangezien zij pas bijna een jaar later (in de dagvaarding van de onderhavige procedure) voor het eerst aangeeft het niet eens te zijn met de inhoud van die overeenkomst. Het stilzwijgen van [eiseres] heeft daarom op basis van een onderlinge afspraak tussen partijen te gelden als een instemming met de overeenkomst.

4.4.De conclusie van de rechtbank is dan ook dat de overeenkomst van onderaanneming van 26 maart 2008 tussen partijen tot stand is gekomen en dat het arbitragebeding dat in artikel 7.5 van die overeenkomst is opgenomen, van toepassing is. De rechtbank is daarom niet bevoegd om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak en zal om die reden de incidentele vordering toewijzen. Het betoog van [eiseres] dat de algemene voorwaarden van [gedaagde] en het arbitragebeding in die voorwaarden vernietigd dienen te worden, behoeft als gevolg hiervan geen nadere bespreking.

4.5. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

5. De hoofdzaak

5.1. Gezien de beslissing in het incident zal de rechtbank zich in de hoofdzaak onbevoegd verklaren.

5.2. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 4.938,-.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1. wijst de vordering tot onbevoegdverklaring toe,

6.2. veroordeelt [eiseres] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 452,00,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

6.4. verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak,

6.5. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 4.938,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2009.?

w.g. griffier w.g. rechter