Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ3345

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
16/446000-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met anderen verhaal gehaald bij het slachtoffer omdat deze de vriend van het slachtoffer zou hebben mishandeld. Zij hebben zich daartoe naar de woning van het slachtoffer begeven. Toen het slachtoffer daar aankwam hebben zij het slachtoffer aangevallen en tegen hem ernstig geweld gebruikt, waardoor het slachtoffer 1 en diens broer, letsel hebben opgelopen. Wat er zij van de door verdachte gegeven aanleiding, geeft het geen pas om dan verhaal te halen op de wijze zoals is geschied.

Voorts heeft verdachte met zijn mededader op 8 februari 2009 zonder enige redelijke aanleiding tegen het nietsvermoedende slachtoffer openlijk geweld gepleegd. Feiten als tenlastegelegd en bewezenverklaard veroorzaken door hun openbaarheid voorts gevoelens van onrust en van onveiligheid in de maatschappij.

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren. Voorts wordt de verdachte veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van één honderd en twintig uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/446000-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 juni 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Ter terechtzitting van 30 juni 2009 is de tenlastelegging met betrekking tot het onder 1 primair en het onder 3 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde op vordering van de officier van justitie gewijzigd. De wijziging is als bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 september 2007 te Baarn samen met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk heeft gepoogd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel tegen [slachtoffer 1] openlijk geweld heeft gepleegd en tegen [slachtoffer 2] openlijk geweld heeft gepleegd, en op 4 februari 2009 te Baarn tegen [slachtoffer 3] openlijk geweld heeft gepleegd, dan wel [slachtoffer 3] heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepleegd hetgeen hem onder 1 primair en onder 2 en onder 3 primair is tenlastegelegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank met betrekking tot het onder 1 en 2 tenlastegelegde niet tot een bewezenverklaring kan komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft gepleegd. De rechtbank acht met name niet bewezen dat verdachte het opzet had [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte dient derhalve van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepleegd hetgeen hem onder 1 subsidiair en onder 2 en onder 3 primair is tenlastegelegd, met dien verstande dat

1 subsidiair

hij op 9 september 2007 te Baarn met anderen, op of aan de openbare weg, de [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het

- duwen tegen die [slachtoffer 1] en

- trekken aan die [slachtoffer 1] en

- trappen en/of schoppen tegen die [slachtoffer 1] en

- slaan en/of stompen tegen die [slachtoffer 1] en

- gooien met bakstenen en

- gooien met blokken hout;

2

hij op 9 september 2007 te Baarn met anderen, op of aan de openbare weg, de [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2],

welk geweld bestond uit het

- duwen tegen die [slachtoffer 2] en

- trekken aan die [slachtoffer 2] en

- trappen en schoppen tegen die [slachtoffer 2] en

- slaan en/of stompen tegen die [slachtoffer 2] en

- gooien met bakstenen;

3 primair

hij, op 8 februari 2009 te Baarn, met een ander, op

of aan de openbare weg, de Nieuwstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen op/tegen het

hoofd, in ieder geval op/tegen het lichaam van deze [slachtoffer 3] en het

vastpakken van/bij de keel van deze [slachtoffer 3].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank bezigt de navolgende bewijsmiddelen tot het bewijs:

PV betreffende [slachtoffer 1] 9 september 2007 (PL0930/07-016396):

De aangifte/verklaring van [slachtoffer 1] bldz 47: - zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

Hij was op 9 september 2007 in kroeg Petershof te Baarn, samen met zijn broer [slachtoffer 2] en een aantal vrienden. Hij zag daar een jongen, [A]. Na overleg met zijn vrienden is hij ([slachtoffer 1]) naar buiten gegaan. Hij zag [A] daarna naar buiten komen, samen met zijn vrienden, waaronder [B] en [C]. [A] gedroeg zich zeer agressief naar hem. Ze ([slachtoffer 1] en zijn vrienden) besloten naar huis te fietsen om hem te begeleiden. Op de Eemnesserweg te Baarn zag hij die [A] weer. [A] stond midden op straat. [slachtoffer 1] wilde langs hem fietsen en kreeg toen een high kick van [A] tegen zijn gezicht. Als gevolg daarvan viel hij op de grond. Hij probeerde op te staan maar [A] duwde hem en wilde hem slaan. Hij heeft zijn fiets gepakt en is met zijn groep naar het stadhuis gereden. Hij kreeg telefoontjes van vrienden dat hij maar beter naar huis kon gaan omdat ze hem aan het zoeken waren. Daarop zijn ze naar huis gefietst, naar de [straat] te [plaats]. Hij zag er een aantal personen met een fiets bij een auto staan. Hij hoorde een jongen zeggen: Dat is [slachtoffer 1]. Dat was [B]. De groep kwam op hem af. Hij werd door de groep geslagen en getrapt. Iedereen sloeg en trapte hem. Ze duwden hem op de grond. Toen voelde hij dat er met een hard voorwerp op zijn hoofd werd geslagen. Hij sloeg met zijn armen om zich heen om op te staan, stond op, werd geduwd en viel over een tuinafscheiding heen. Daarna werd hij de bosjes in geduwd, dat was in zijn eigen tuin. Tijdens het vechten zag hij dat [B] midden op de weg stond met een baksteen in zijn handen. Hij gooide die naar zijn broer [slachtoffer 2]. Zag dat [slachtoffer 2] met zijn hand de steen af kon weren. Toen viel er een jongen over hem heen. Opeens stopte het gevecht. Zijn moeder bracht hem naar het ziekenhuis.

De medische verklaring betreffende [slachtoffer 1] bldz 53 door J.H.P. Idzerda, huisarts bij J.H.P. Aarts, huisarts, - zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

Huidverscheuring/snee midden boven op hoofd, ongeveer 2 cm, 2 krammen, en links boven op hoofd, 1 cm, 1 kram, een blauwe plek op schouderblad links, 3 x 3 cm, een blauwe plek op schouderblad 3 tot 4 cm, een korst op onderlip

De verklaring van [D] bldz 65 en 69 - zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

Hij was bij zijn woning aan de [straat] te [plaats]. Hij zag twee jongens, de ene noemde zich later [E]. Hij zag een grote groep met fietsen bij een Golf. Door deze groep werd een jongen belaagd. Hij hoorde het geluid van klappen. Hij hoorde een jongen aan mensen vragen waar [slachtoffer 1] woonde. Hij zag twee jongens in zijn richting komen waarvan één zei dat hij wist waar [slachtoffer 1] woonde. Hij zag zijn zoon [slachtoffer 2] thuis komen. Hij zag zijn zoon [slachtoffer 1] thuis komen. Hij zag dat de groep naar [slachtoffer 1] rende. De groep stond tegenover [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] werd door een jongen aangevallen. Hij zag dat er iemand samen met [slachtoffer 1] op de grond viel. De groep trapte en sloeg op [slachtoffer 1] in. Hij zag dat ook [slachtoffer 2] werd aangevallen. Bij het vechten kwam de groep in zijn tuin uit. Enkele jongens vielen over een muurtje. De groep kwam terug en [slachtoffer 1] werd door hen geschopt en geslagen. Hij zag dat een jongen vanaf de straat met blokken haardhout naar de groep gooide. Hij zag ook een baksteen langs vliegen. Een van de jongens werd door de groep [C] genoemd.

De verklaring van [F] bldz 72 - zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

Hij zag [slachtoffer 1], zijn broer [slachtoffer 2] en enkele vrienden bij Petershof staan. Hij zag dat [slachtoffer 1] ruzie had met een jongen die hij als [A] kent. Hij zag dat [A] wegliep. Hij reed met onder andere [slachtoffer 1] naar huis. Op de Eemnesserweg zag hij [A] staan. Hij was alleen. Hij trapte [slachtoffer 1] van zijn fiets. [A] trapte richting het hoofd van [slachtoffer 1]. Hij raakte [slachtoffer 1] en die viel op de grond. Ze raakten in gevecht. Over en weer vielen er klappen. Toen gingen ze uit elkaar. Hij is teruggegaan naar [slachtoffer 1]s huis. Hij zag daar een zilvergrijze Golf. Uit deze auto stapte een viertal jongens. Een ervan was [A]. Hij herkende ook [C]. Alle vier jongens kwamen op hem af. Hij werd door hen in de bosjes geduwd. Ook kreeg hij een tik in zijn gezicht. Ze vroegen aan hem waar [slachtoffer 1] woonde, anders zouden ze hem in elkaar trappen. Hij heeft toen gezegd: daar ergens. Ze liepen in de richting van het huis van [slachtoffer 1]. Hij hoorde daar een hoop rumoer. Later zag hij dat daar meerdere bakstenen op straat lagen. Hij zag dat de ruit van de woning van [slachtoffer 1] kapot was. [slachtoffer 1] stond op straat. Hij zag dat hij bebloed was.

De aangifte/verklaring van [slachtoffer 2] bldz 75 - zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

Hij was met een groepje jongens uit bij Petershof in Baarn. Er ontstond een conflict tussen zijn broer [slachtoffer 1] en ene [A]. Ze zijn met hun groep weggegaan. Ze reden in de richting van hun huis. Hij zag onderweg [A] staan. Ze fietsten door en hij keek achterom. [A] trapte zijn broer van zijn fiets af. Hij gaf hem een trap tegen zijn borst. Zijn broer viel van zijn fiets. Toen vond er een schermutseling plaats waarbij zijn broer aan de winnende hand was. Toen reden ze met de hele groep naar het gemeentehuis. Daar kregen ze de indruk dat men hen aan het zoeken was omdat er een auto voorbij reed. Ze zagen ook een Volkswagen Golf. Toen zijn ze naar huis gegaan. Daar zagen ze die Golf weer. Hij zag [B] (de rechtbank begrijpt dat hiermee [B] wordt bedoeld) die riep: daar heb je [slachtoffer 1]. Er kwam een groep van een man of 10 op hen af. Een van hen was [C]. Hij kreeg een paar klappen en vuistslagen op zijn hoofd. Hij is daarna even het huis in geweest en toen hij naar buiten kwam vlogen er een paar stenen langs zijn hoofd. Zijn broer en een paar andere jongens vielen over een muurtje. Daarna kwam de politie. Hij heeft pijn aan zijn hoofd en veel pijn aan zijn linker hand. Dat komt door een van de gegooide stenen die hij blokte met zijn hand.

De medische verklaring betreffende [slachtoffer 2] door J.H.P. Aarts, huisarts bldz. 78 - zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

Een bloeduitstorting aan de linker duimmuis.

De verklaring van [G] bldz. 82 - zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

Hij was op de [straat]. Hij zag een grijze VW Golf. Daar stapte in ieder geval [A] uit en ook [C]. Hij was opgefokt, kwam op hem af en wilde weten waar [slachtoffer 1] woonde. [A] duwde [F] in de bosjes en ook aan hem werd het adres van [slachtoffer 1] gevraagd. [C] liep samen met anderen in de richting van het huis van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] kwam eraan met anderen waaronder diens broer. [C] nam het voortouw, hij was het meest opgefokt. Hij liep die richting uit. Hij zag dat de gehele groep aan het duwen en trekken was. Hij zag [B] die aan het stenen gooien was. Hij zag dat hij er in ieder geval twee gooide. Volgens hem waren [C] en [A] het meest agressief.

De verklaring van [C] bldz 85 en 90 en 92- zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

Hij is naar de Petershof gegaan. Hij ging met zijn VW Golf. Op een bepaald moment hoorde hij van [verdachte] dat [A] klappen had gehad van [slachtoffer 1]. Hij zag een hele groep vrienden van hem staan. Hij is met een paar anderen in zijn auto gestapt. Toen hij een stukje gereden had zag hij [A]. Zijn hoofd zat geheel onder het bloed. Zij besloten de groep te gaan zoeken om verhaal te gaan halen. Ze zijn door Baarn gaan rijden. Ze zijn er via via achter gekomen dat [slachtoffer 1] op de [straat] woonde. Toen ze daar kwamen waren [E] en [verdachte] er ook. [A] zag toen twee jongens waarvan hij wist dat die betrokken waren geweest bij zijn mishandeling. Hij ging er met twee anderen op af. Er werd geschopt en geslagen en iedereen viel in de bosjes daar. Hij hoorde van een andere jongen waar [slachtoffer 1] woonde. Hij is er heen gelopen. Hij zag daar de broer van [slachtoffer 1]. Er was een gevecht aan de gang tussen [slachtoffer 1] en zijn vader en zijn vrienden. Over een weer werd er gevochten. Hij zag dat [B] op of naast [slachtoffer 1] lag. Op een bepaald moment vlogen er stenen door de lucht.

De verklaring van [E] bldz 94 en 99 en 101 - zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

Hij was in Petershof, samen met anderen, onder andere [A]. Tegenover hen zat het groepje van [slachtoffer 1]. Er werd over en weer gescholden. Hij kon zien dat [A] kwaad was op [slachtoffer 1]. Hij hoorde van een ander dat [A] geslagen was. Hij is toen op zoek gegaan naar zijn groep. Hij kwam onderweg ook weer [A] tegen. [slachtoffer 1] was daar ook bij betrokken. Hij is toen met [verdachte] op zoek gegaan naar [slachtoffer 1] om verhaal te halen. Hij wilde gaan vechten. [verdachte] wist waar [slachtoffer 1] woonde en daar kwamen ze terecht. Ze hebben [slachtoffer 1]s naam geschreeuwd. Hij zag daar toen de vader van [slachtoffer 1] staan.Toen zag hij een VW Golf aan komen rijden. Daar stapten een aantal personen uit. Hij zag ook [A] buiten staan. Hij stond bij een bekende van [slachtoffer 1] die in de bosjes was geduwd. [A] vroeg aan hem waar [slachtoffer 1] was. Hij heeft dat ook schreeuwend gevraagd. Toen hoorde hij verderop in de straat kabaal. Hij rende erheen en zag de vader en de broer van [slachtoffer 1]. Over en weer werd geslagen. Hij heeft ook nog twee of drie stenen door de lucht zien vliegen. Hij hoorde dat [slachtoffer 1] een steen tegen zijn hoofd had gekregen.

De verklaring van [A] bldz 102 en 106 en 109 - zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende - :

Hij wilde bij [slachtoffer 1] verhaal halen. Hij vroeg waar [slachtoffer 1] was. [verdachte] belde een aantal vrienden van hem. Die kwamen. [C] en [E]. Ze zijn toen met de auto van [C] op zoek gegaan naar [slachtoffer 1]. Onderweg heeft hij nog een jongen aangesproken die hij meende te herkennen als een vriend van [slachtoffer 1]. Hij was enorm opgefokt. Het kan zijn dat hij dreigend op die jongen is overgekomen. Daarna zijn zij verder gegaan met zoeken. Op een gegeven moment kwamen zij in de straat waar [slachtoffer 1] woont. Zij zijn uit de auto gestapt. [slachtoffer 1] stond daar. Hij is begonnen met hem te vechten. Hij heeft hem een paar keer geslagen. Hij sloeg blind in het rond. Hij werd ook op de grond gegooid. Hij weet dat hij in de Golf heeft gezeten met [C] achter het stuur en [H] en [B].

De verklaring van [verdachte] bldz 110 - zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

Hij is naar Petershof gegaan. [A] was daar ook. Ze zijn toen samen naar een automaat gegaan om te gaan pinnen. [A] bleef op afstand op hem wachten. Toen hij terugkwam zag hij [A] over een muurtje liggen met zijn gezicht onder het bloed. Hij heeft [C] gebeld en tegen hem gezegd dat [A] in elkaar geslagen was en tegen hem gezegd dat ze bij [slachtoffer 1] verhaal moesten gaan halen. Hij wist wel dat als ze naar [slachtoffer 1] zouden gaan het uit de hand zou kunnen lopen. [C] kwam naar de Petershof met zijn auto.

[A] zat in de auto, [B] en [H]. Zij gingen naar het adres van [slachtoffer 1]. Ze wisten waar hij woonde. Hij is samen met [E] erheen gefietst. Aldaar wachtten ze op de Golf. [E] liep ondertussen op straat [slachtoffer 1]s naam te schreeuwen. Er kwam een man naar buiten die in discussie ging met [E]. Toen kwam de Golf eraan. De jongens stapten uit. Hij hoorde een hoop geschreeuw. Hij rende daarheen en zag de jongens uit de Golf bij de bosjes staan waarin een angstige jongen lag. Hij vroeg hem waar [slachtoffer 1] woonde en de jongen wees het hem aan. Hij liep naar de woning en zag meerdere personen met elkaar vechten. [B] lag op de grond. Er zat iemand bovenop hem. Die heeft hij samen met [A] eraf getrokken. Hij gaf hem een schop. Volgens hem [A] ook. Toen werden [A] en hij over een muurtje getrokken. [E] werd ondertussen de bosjes ingetrokken.

De verklaring van [B] bldz 115- zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

Hij is naar Petershof gegaan. Daar had hij met een aantal vrienden afgesproken. Aldaar zag hij de Golf van [C] staan. In de auto zat [A] met een bebloed gezicht. Hij zei dat hij op straat in elkaar geslagen was. Hij zei dat dat was gedaan door ene [slachtoffer 1]. Hij is ook ingestapt en ze zijn in de richting van zijn huis gereden. Op weg daarheen zagen ze een aantal jongens staan. [A] dacht dat een van de jongens van [slachtoffer 1] daarbij was. Ze zijn op die jongen afgelopen en hebben hem op de auto geduwd. Ze hebben hem gevraagd waar [slachtoffer 1] was maar die jongen wist van niets. Verderop, ze reden in de [straat], kwamen ze [verdachte] en [E] tegen. Het bleek achteraf dat zij hadden uitgezocht waar die [slachtoffer 1] woonde. Toen zij daar stonden kwamen er ineens zes jongens aanfietsen. Een van hen was die [slachtoffer 1]. De groep richtte zich eerst op [verdachte]. Hij deed samen met hem een stap naar voren en toen vielen zij ons aan. Hij kwam te vallen. Toen viel er een jongen bovenop hem. Later hoorde hij dat dat [slachtoffer 1] was. Hij heeft niet gezien dat er met stenen is gegooid. Hij heeft het wel gehoord van de rest. Er is wel door de anderen met een stuk hout naar hen gegooid. Hij heeft dat opgepakt en boven zijn hoofd gehouden. Hij wilde het naar [slachtoffer 1] gooien maar heeft dat niet gedaan. Hij is opgekomen voor [A].

PV betreffende [slachtoffer 1] 9 september 2007 (PL0930/07-016396):

Bladzijden 54 tot en met 57: relaas verbalisanten aantreffen situatie ter plaatse [straat] te [plaats], aantreffen bebloede bakstenen.

PV betreffende [slachtoffer 3] 8 februari 2009 (PL0930/09-003976)

De aangifte van [slachtoffer 3] bldz 23

Hij was met aantal vrienden naar Petershof. Hij liep naar buiten. Hij hoorde roepen: je bent toch een vriend van [slachtoffer 1]. Hij draaide zich om en zei: ja dat klopt. Hij zag twee man, [A] en een ander die volgens hem [verdachte] was. Ze begonnen aan hem te trekken. [A] gaf hem een trap op zijn rechter bovenbeen. Hij kwam ten val. Daarna kreeg hij allemaal schoppen/trappen tegen zijn lichaam. Hij stond op en toen greep [A] hem bij zijn keel. Dat deed pijn. Hij kreeg er striemen van in zijn nek.

De verklaring van [I] bldz 30

Twee jongens liepen achter hen en begonnen aan [slachtoffer 3] te sleuren. Eén greep hem bij de keel. Hij werd op de grond gegooid. De ander trapte hem.

De verklaring van [J] bldz 32

[A] gaf [slachtoffer 3] een klap met zijn vuist op het achterhoofd. Daarna zag hij [slachtoffer 3] op de grond liggen. Hij werd getrapt door de ander. Dat was mogelijk [verdachte]. Beiden waren nogal agressief.

De verklaring van [A] bldz 34

Van de Werf was onder andere met [verdachte] op straat bij Petershof. Hij zag [slachtoffer 3]. [A] riep wat tegen [slachtoffer 3]. Hij was geïrriteerd en aangeschoten. [slachtoffer 3] kwam naar hem toe. Toen deze op 1 meter van hem stond pakte hij [slachtoffer 3] bij zijn keel. Hij duwde hem weg, op de grond. Het kan zijn dat hij hem geraakt heeft toen hij hem bij de keel pakte.

De verklaring van [verdachte] bldz 37 en 39

Hij was samen met [A] bij Petershof. Die zei dat hij wat problemen had met een jongen daar. [A] zei dat hij wegging. [verdachte] liep met hem naar buiten [A] zei dat het een vriend van [slachtoffer 1] was. Ze zagen hem buiten lopen. [A] zei: Kijk dat is ‘m. [verdachte] zei tegen [A] dat ze hem wel even aan zouden spreken. Hij tikte hem op zijn rug en zei dat hij moest omkijken omdat hij een vriend van [slachtoffer 1] was. [A] maakte met zijn arm een zwaaibeweging en raakte de jongen bij zijn nek. Die jongen viel daardoor op de grond. Hij probeerde op te staan. [verdachte] probeerde hem een schop in zijn maag te geven zodat hij zou blijven liggen. Hij heeft hem met mijn voet tegen zijn voet geraakt.

5. De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en onder 2 en onder 3 primair tenlastegelegde:

Telkens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 150 uur subsidiair 75 dagen hechtenis; voorts 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Met betrekking tot de ernst van de feiten heeft de rechtbank met name acht geslagen op

de ernstige aard van het bewezenverklaarde. Verdachte heeft samen met anderen verhaal gehaald bij het slachtoffer [slachtoffer 1] omdat deze de vriend van het slachtoffer zou hebben mishandeld. Zij hebben zich daartoe naar de woning van het slachtoffer begeven. Toen het slachtoffer daar aankwam hebben zij het slachtoffer aangevallen en tegen hem ernstig geweld gebruikt, waardoor [slachtoffer 1] en diens broer [slachtoffer 2], letsel hebben opgelopen. Wat er zij van de door verdachte gegeven aanleiding, geeft het geen pas om dan verhaal te halen op de wijze zoals is geschied.

Voorts heeft verdachte met zijn mededader op 8 februari 2009 zonder enige redelijke aanleiding tegen het nietsvermoedende slachtoffer [slachtoffer 3] openlijk geweld gepleegd.

Feiten als tenlastegelegd en bewezenverklaard veroorzaken door hun openbaarheid voorts gevoelens van onrust en van onveiligheid in de maatschappij.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank met name acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 27 maart 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder wegens een geweldsdelict in aanraking met politie en/of justitie is geweest.

7. De benadeelde partijen

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 1519,99 wegens materiële schade en wegens immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij is van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 400,-- en de materiële schade wordt begroot op € 619,99.

De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 1019,99 worden toegewezen.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet komen vast te staan en dient te worden afgewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van de artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 500,-- wegens immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij is van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 2 bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 400,--

De vordering zal daarom tot voormeld bedrag worden toegewezen.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet komen vast te staan en dient te worden afgewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van de artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit;

- verklaart het onder 1 subsidiair en onder 2 en onder 3 primair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van ÉÉN MAAND.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande uit:

een werkstraf voor de duur van ÉÉN HONDERD EN TWINTIG uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van € 1019,99 (zegge één duizend negentien euro en negen en negentig eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Wijst af hetgeen door [slachtoffer 1] meer of anders is gevorderd.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1019,99 (zegge één duizend negentien euro en negen en negentig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats] ten dele toe tot een bedrag van € 400,-- (zegge vier honderd euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Wijst af hetgeen door [slachtoffer 2] meer of anders is gevorderd.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 400,-- (zegge vier honderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 dagen, met dienverstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Wagenmakers, voorzitter, mr. D. Wachter en E. Sikkema, rechters, in tegenwoordigheid van F.P.L. van der Lee, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 juli 2009.

Mrs. Wachter en Sikkema zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.