Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ3119

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-07-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
05-518998-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte medeplichtig aan mishandeling van haar vier kinderen door hun vader. De rechtbank legt verdachte geen straf of maatregel op. Verdachte heeft zelf nooit geslagen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte al voldoende is gestraft door de ingrijpende gevolgen van de zaak voor de gezinssituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM, zitting houdende te Utrecht

Sector strafrecht

parketnummer: 05/518998-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken in het arrondissement Arnhem, zitting houdende te Utrecht, d.d. 20 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1959] te [woonplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsman mr. R.A.C. Frijns, advocaat te Arnhem

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 6 juli 2009 waarbij de officier van justitie, mr. V.T.R.W. van Thiel, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: Samen met haar echtgenoot haar vier kinderen heeft mishandeld;

Subsidiair: Medeplichtig is aan de mishandeling van haar vier kinderen door hun vader.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert vrijspraak van het aan verdachte primair ten laste gelegde, te weten medeplegen van mishandeling. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medeplichtig is aan de mishandeling van haar kinderen en baseert zich daarbij op de aangiften van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Aangevoerd is dat alleen belastende verklaringen in het dossier zijn opgenomen terwijl de ontlastende verklaring van de buurman in [woonplaats], de heer [getuige 1], niet is opgenomen in het dossier. Zijn verklaring dient alsnog in het dossier opgenomen te worden om een beter beeld van de zaak te krijgen, aldus de verdediging. Indien dit niet mogelijk is, dient [getuige 1] alsnog te worden gehoord. Voorts stelt de verdediging dat het proces-verbaal van het tweede politieverhoor van aangeefster [slachtoffer 1] geen waarheidsgetrouwe weergave is van het daadwerkelijke (op de band opgenomen) verhoor is, en om die reden woordelijk dient te worden uitgewerkt.

De verdediging is voorts van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Van medeplegen is geen sprake, nu verdachte een ondergeschikte rol had ten opzichte van haar echtgenoot en medeverdachte [medeverdachte], en derhalve op geen enkele wijze gelijkgesteld kan worden aan een pleger. De verdediging wijst daarbij onder meer op de verklaring van verdachte zelf. Zij had zelf geen aandeel in het geweld, en was er vaak niet bij aanwezig als een tik werd uitgedeeld. Verdachte heeft bij escalatie getracht om sussend op te treden, en had derhalve ook niet het voor medeplegen vereiste opzet op samenwerking. Ook medeplichtigheid is niet aan de orde, aldus de verdediging. Het gaat te ver om te zeggen dat verdachte de totstandkoming van het ten laste gelegde heeft bevorderd door dat toe te laten dan wel niet in te grijpen bij de momenten dat zij aanwezig was. Er kon niet gesproken worden van een vast patroon. Van grensoverschrijdend gedrag van medeverdachte [medeverdachte] was verdachte bovendien niet op de hoogte. Verdachte heeft er alles aan gedaan om de situatie te verbeteren, en heeft ook op enig moment hulp gezocht voor de oudste kinderen. Ook hier is het vereiste opzet op het tenlastegelegde, alsmede het vereiste opzet op het bevorderen daarvan, niet aanwezig. Ook van medeplichtigheid dient verdachte derhalve te worden vrijgesproken,aldus de raadsman.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte primair ten laste is gelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft op grond van de volgende wettige bewijsmiddelen de overtuiging verkregen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

- de aangifte van [slachtoffer 1], inhoudende: Ik ben op 16 juni 1992 geboren. Op 15 november 1994 is mijn broertje [slachtoffer 2] geboren. Wij woonden toen op de [adres] te [woonplaats]. Op 21 oktober 1999 is mijn zusje [slachtoffer 3] geboren en op 1 januari 2002 is mijn zusje [slachtoffer 4] geboren. Wij woonden toen nog steeds op de [adres] te [woonplaats]. Ik schat dat ik een jaar of zes was toen ik voor het eerst mishandeld werd. Ik was met [slachtoffer 2] aan het spelen op zijn bed. Onder het spelen is een lat van de houten lattenbodem gebroken. Toen mijn vader erachter kwam is hij met de gebroken lat naar ons toegekomen. [slachtoffer 2] en ik moesten toen met onze blote kont in de keuken staan. Wij kregen vervolgens meerdere klappen met de gebroken lat. Mijn vader sloeg echt heel erg hard. Ik weet nog dat ik hier vreselijk veel pijn aan heb gehad. Dit heeft zich nog een keer of vijf herhaald. Elke keer weer deed dit erg veel pijn. Hij heeft mij ook vaak geslagen met een kledinghanger. Hij sloeg mij net zolang totdat hij het genoeg vond. Ik had veel pijn aan de klappen die ik kreeg. De meeste klappen kreeg ik in de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Ik kreeg vier á vijf keer in de week klappen. Ik ben heel veel in mijn rug getrapt. Maar ook op mijn buik, mijn armen, mijn benen en op mijn achterhoofd geslagen. Toen we gingen verhuizen naar de [adres] te [woonplaats], werden de mishandelingen minder. Ik schat dat ik in die tijd één keer in de week of in de twee weken klappen kreeg. Anderhalf jaar geleden ben ik ernstig mishandeld. Mijn vader heeft toen eerst mijn fiets tegen de zandbak aan getrapt en daarna mij getrapt in mijn rug. Ik voelde een hevige pijn aan mijn rug. Hierna zag en voelde ik dat ik een paar hele harde trappen in mijn maag kreeg. De volgende dag heeft mijn overbuurvrouw de verwondingen en de blauwe plekken gezien. Een jaar geleden kwam ik thuis en liep ik de woonkamer in. Ik voelde ineens een hele harde trap in mijn rug. Ik voelde een hevige pijn aan mijn rug en ben door de harde trap op de grond gevallen. Ik zag dat mijn vader dit had gedaan.

- de aangifte van [slachtoffer 2][medeverdachte], inhoudende: Ongeveer drie jaar geleden zijn wij naar [woonplaats] verhuisd. Daarvoor woonden wij op de [adres] in [woonplaats]. Ik word al zo lang als ik me kan herinneren door mijn vader mishandeld. De eerste keer dat ik me kan herinneren dat mijn vader mij heeft geslagen was met een plank van onder mijn bed. Ik ben heel vaak met die plank geslagen. Hij sloeg mij met die plank heel hard op mijn blote billen. Ook sloeg hij mij wel eens op mijn rug met die plank. Als ik mij onder mijn bed probeerde te verstoppen, dan ging hij zelf onder het bed liggen en dan schopte hij mij met zijn voeten. Hij deed dit dan heel hard. Ik weet nog dat ik een dag later nog pijn had van de klappen met die plank. Toen hij mij niet meer met die plank sloeg, sloeg hij mij met een kleerhanger. Sinds we in [woonplaats] wonen word ik nog steeds mishandeld. Hij schopt mij vaak en ook slaat hij mij vaak, meestal met gebalde vuisten. Ik word gemiddeld zo’n twee of drie keer per week door mijn vader geschopt of geslagen. Dit doet mij altijd veel pijn. Ongeveer een jaar geleden heeft hij mij hard in mijn rug geschopt. Toen ik op de grond lag voelde ik dat mijn vader mij echt heel hard in mijn rug schopte. Ik heb daar zeker een week pijn aan gehad. Ik kreeg toen regelmatig pijnscheuten in mijn rug. Twee weken geleden zat ik achter de computer. Mijn vader kwam toen de kamer binnen rennen en sloeg mij direct heel hard met zijn vuist boven op mijn hoofd. Dit deed mij heel erg pijn. Mijn vader gebruikte bijna altijd zijn vuisten om te slaan. Mijn vader schopte mij dus ook vaak. Hij heeft vaak van die schoenen aan voor zakenmensen. Die hebben een harde punt en die doen heel zeer als je daarmee geschopt wordt. Hij schopt mij meestal op mijn bovenbeen. Mijn vader slaat mij op verschillende plekken. Mijn moeder ziet niet zo heel vaak dat mijn vader mij slaat. Ze hoort het volgens mij wel vaak. Ze komt soms naar mij kijken en vraagt mij dan waar ik pijn heb. Toch vertelt mijn moeder wel vaak tegen mijn vader wanneer ik iets verkeerd heb gedaan. Vooral op mijn benen had ik vaak een blauwe plek als mijn vader mij daar met die puntschoenen had geschopt. Ik heb ook vaak gezien dat [slachtoffer 1] werd geslagen. Hij sloeg dan gewoon met zijn vuist. Als ze aan tafel tijdens het eten een groet mond gaf, kreeg ze vaak een klap of een trap van mijn vader. Mijn zusjes van 8 en 6 jaar worden ook geschopt en geslagen door mijn vader. Als hij mijn zusjes slaat dan doet hij dit ook met zijn vuisten. Ze beginnen dan altijd te huilen. Mijn zusje van 6 heeft hij drie weken geleden echt keihard aan haar oor getrokken. Ze gilde het toen uit. Mijn moeder riep toen: “Stop, stop”, tegen mijn vader maar hij ging gewoon door totdat hij het genoeg vond.

- de verklaring van getuige [getuige 2], inhoudende: Ik was met het gezin mee op vakantie in Zeeland. Ik zat met het hele gezin aan tafel. [slachtoffer 1] kreeg een klap. Zij had een klein blauw plekje op haar jukbeen. Eerst was het rood, later werd het vaag blauw. Ik weet zeker dat het na die klap is ontstaan.

- de verklaring van getuige [medeverdachte], afgelegd ter terechtzitting, inhoudende: Als ik een pedagogische tik uitdeelde, dan wees mijn vrouw mij erop en zei: “Rustig rustig, nu is het genoeg.” Zij sprak mij aan op mijn gedrag. Zij was niet altijd aanwezig. Zij kwam naar boven als ze tumult hoorde. Af en toe was ze erbij als ik een tik gaf.

- het is een feit van algemene bekendheid dat de plaats [woonplaats] in de gemeente [woonplaats] ligt.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij slechts enkele keren met zijn vlakke hand een corrigerende tik heeft uitgedeeld aan zijn kinderen en dat hij maar éénmaal met een lat op de billen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geslagen. Tevens heeft de medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting verklaard dat het ‘allemaal’ wel meevalt en dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de gebeurtenissen in hun aangiften enorm opblazen.

De rechtbank is van oordeel, in tegenstelling tot de mening van de medeverdachte, dat de aangiften van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wel waarheidsgetrouw zijn, omdat zij op meerdere, essentiële punten steun vinden in de verklaringen van andere getuigen.

Zo heeft getuige [getuige 3] verklaard dat de heer [medeverdachte] zijn dochter bij de kassa van de C1000 waar [slachtoffer 1] op dat moment werkte, in het bijzijn van andere klanten heeft uitgescholden voor ‘gehandicapt kind’. Hoewel dit geen rechtstreeks bewijs vormt voor het mishandelen, is dit wel tekenend voor het verbale geweld dat de medeverdachte uitte tegen zijn kinderen en ondersteunt dan ook de betrouwbaarheid van de aangiften, die immers ook een veelheid aan verbaal geweld beschrijven. De medeverdachte [medeverdachte] heeft dit incident –weliswaar in andere bewoordingen- ter terechtzitting bevestigd.

Daarnaast heeft een vriendin van [slachtoffer 1], [getuige 4], verklaard dat zij meerdere malen gezien heeft dat de vader van [slachtoffer 1] zijn kinderen sloeg of schopte. Zo heeft zij gezien dat de moeder van [slachtoffer 2] aan haar man vertelde dat [slachtoffer 2] stout was geweest. De vader gaf [slachtoffer 2] vervolgens een harde klap in zijn gezicht. Deze klap was zo hard dat de bril van [slachtoffer 2] door de woonkamer vloog en [slachtoffer 2] op de grond viel. Zij heeft tevens gezien dat [slachtoffer 1] heel hard met schoenen onder haar kont geschopt werd. Ook zag zij een keer dat de vader van [slachtoffer 1] zijn dochtertje [slachtoffer 3] heel hard in haar gezicht sloeg.

Voorts heeft een vriendje van [slachtoffer 2], [getuige 5], verklaard dat de vader van [slachtoffer 2] met twee voeten op de zij van [slachtoffer 2] ging staan terwijl [slachtoffer 2] op de grond lag en riep: “Au, au, niet doen”. Ook heeft hij vaker meegemaakt dat [slachtoffer 2] uitgescholden werd door zijn vader, getreiterd werd en geslagen werd.

Al deze verklaringen schetsen een beeld van een thuissituatie waarbij schelden en geweld door de medeverdachte de gebruikelijke en normale gang van zaken was. Dit alles in samenhang met bovenvermelde bewijsmiddelen doet de rechtbank dan ook overtuigen dat de medeverdachte zijn kinderen stelselmatig en langdurig heeft geslagen en neemt daarom de aangiften van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor waar aan. Nu zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] verklaren dat het geweld zich ook uitstrekte tot [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], komt de rechtbank tot het oordeel dat de mishandelingen ook ten aanzien van deze beide kinderen bewezen kan worden, zij het voor een kortere periode.

Ten aanzien van het verzoek om de heer [getuige 1] nog als getuige te horen oordeelt de rechtbank als volgt. De verdachte heeft tegenover de rechtbank verklaard wat buurman [getuige 1] tegen de verbalisant verklaard zou hebben. [getuige 1] zou hebben aangegeven dat hij niets gezien of gemerkt heeft van enige mishandeling door de medeverdachte. De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van getuige [getuige 1] af, omdat zij van oordeel is dat deze getuige niets heeft waargenomen van de ten laste gelegde feiten en de getuige derhalve geen nieuw licht op deze zaak kan werpen. Het alsnog horen van deze getuige wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Ten aanzien van het verzoek het tweede verhoor van [slachtoffer 1] verbatim uit te werken heeft de rechtbank geconstateerd dat dit verhoor, in grote lijnen niet afwijkt van haar eerste, op eigen initiatief afgelegde, verklaring. Gelet daarop ziet de rechtbank geen noodzaak om dit verhoor alsnog woordelijk uitgewerkt aan het dossier te laten toevoegen.

De medeverdachte heeft zijn kinderen stelselmatig geslagen, waarbij met name [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedurende een lange periode veel schelden en geweld hebben ondergaan. Alleen al de combinatie van dit schelden en geweld, maar ook de wijze waarop het geweld is uitgeoefend (slaan, stompen, slaan met een stuk hout, schoppen/trappen) maakt het geweld te ernstig om nog uit opvoedkundig oogpunt gerechtvaardigd te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan de mishandeling van haar kinderen. Verdachte heeft haar medeverdachte de gelegenheid geboden de kinderen te mishandelen en heeft daarmee voorwaardelijk opzet gehad op het tot stand komen en het bevorderen van de structurele strafbare gedragingen van haar man gedurende een langere periode. Daarnaast neemt de rechtbank in ogenschouw dat [slachtoffer 1] verklaard heeft dat als zij en/of haar broertje iets gedaan hadden wat niet mocht, de moeder, verdachte, dit vaak doorvertelde aan haar echtgenoot, medeverdachte. Moeder wist, zo is hiervoor gebleken, wat de reactie van vader op het gedrag van zijn kinderen was. Het enkel roepen van ‘rustig, rustig, nu is het genoeg”, zoals de medeverdachte ter terechtzitting verklaard heeft dat de verdachte tegen hem zei als hij te ver ging, is niet voldoende gebleken om haar man telkens te weerhouden van het gebruik maken van geweld. Tevens impliceert deze opmerking, de aanwezigheid van verdachte bij (een aantal van) de door haar man toegepaste gewelddadigheden.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

subsidiair

[medeverdachte] in de periode van 1 januari 1998 tot en met 10 november 2008 te [woonplaats] en/of [woonplaats], gemeente [woonplaats], althans in Nederland, telkens opzettelijk mishandelend zijn kinderen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], meermalen, met een lat en/of een kleerhanger en/of met de tot vuisten gebalde handen en/of met de vlakke hand heeft geslagen en/of gestompt en/of met geschoeide voet(en) heeft geschopt en/of getrapt en/of hardhandig aan een oor heeft vastgepakt en/of getrokken, waardoor voormelde kinderen telkens letsel hebben bekomen en/of pijn hebben ondervonden,

tot welke misdrijven zij, verdachte, in de periode van 1 januari 1998 tot en met 10 november 2008 te [woonplaats] en/of [woonplaats], gemeente [woonplaats], althans in Nederland, telkens opzettelijk gelegenheid heeft gegeven, immers heeft zij, verdachte,

- terwijl zij als moeder met haar kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en haar echtgenoot [medeverdachte] een gezin vormde, telkens toegelaten dat haar echtgenoot [medeverdachte] voormelde kinderen meermalen, althans eenmaal, met een lat en/of een kleerhanger en/of met de tot vuist(en) gebalde hand

(en) en/of met de vlakke hand sloeg en/of stompte en/of met geschoeide voet(en) schopte en/of trapte en/of hardhandig aan een oor vastpakte en/of trok, zodanig dat daarin een vast patroon was ontstaan en

- terwijl zij, verdachte, hierbij telkens, in dezelfde woning en/of op dezelfde plaats, althans in de nabije omgeving aanwezig was, nimmer haar echtgenoot [medeverdachte] op deze terugkerende mishandelingen zodanig aangesproken dat het geweld hierdoor stopte en/of nimmer anderszins ingegrepen om herhaling van die mishandelingen te voorkomen en/of haar kinderen bescherming te bieden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Subsidiair: Medeplichtigheid aan mishandeling, begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen schuldigverklaring zonder straf.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak gevorderd voor zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De medeverdachte heeft zijn kinderen meermalen mishandeld door hen te schoppen en te slaan waardoor zij letsel en pijn hebben bekomen. Hij heeft daarbij met zijn stelselmatig handelen gedurende meerdere jaren op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn kinderen. Verdachte was aan die mishandelingen medeplichtig, doordat zij haar man daartoe telkens de gelegenheid bood en niet of onvoldoende heeft ingegrepen. Integendeel, verdachte meldde haar man wanneer een kind overdag stout was geweest, waarna haar man vervolgens het bewuste kind mishandelde, een gevolg waarvan de verdachte zich terdege bewust was. Bovendien geschiedde dit in de meeste gevallen op de plek waar een ieder zich in elk geval veilig moet kunnen voelen, namelijk thuis.

Het is feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven nog lange tijd de gevolgen daarvan, zoals psychische problemen en gevoelens van angst en onveiligheid, kunnen ondervinden. Huiselijk geweld heeft bovendien, zeker wanneer dit kinderen betreft, een maatschappelijk effect. Dergelijk geweld veroorzaakt maatschappelijke verontwaardiging, ook omdat dit strijdig is met de bescherming die een gezin behoort te bieden. De verdachte, moeder van de genoemde kinderen heeft haar kinderen aldus onvoldoende bescherming geboden.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie

d.d. 12 november 2008, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit.

Voorts is uit het verhandelde ter terechtzitting naar voren gekomen dat de vier kinderen van verdachte uit huis geplaatst zijn geweest. De twee jongste kinderen wonen inmiddels weer thuis, echter deze periode is voor verdachte zeer zwaar geweest. De rol van verdachte is in het geheel aanzienlijk minder groot geweest dan de rol van medeverdachte [medeverdachte]. Zij heeft immers zelf geen enkel geweld toegepast. De rechtbank is derhalve met de officier van justitie van oordeel dat verdachte reeds voldoende straf ervaren heeft door de ingrijpende gevolgen in de gezinssituatie en door deze strafzaak en dat een nadere strafoplegging bij verdachte geen enkel doel dient. Mede gelet op het feit dat het gezin momenteel onder toezicht staat van Bureau Jeugdzorg, acht de rechtbank het raadzaam te bepalen dat aan de verdachte thans geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 48, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Subsidiair: Medeplichtigheid aan mishandeling, begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, mr. I. Bruna en

mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 juli 2009.

Mr. I. Bruna is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.