Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ2826

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
17-07-2009
Zaaknummer
267004 / FA RK 09-2631
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing na relatief korte uithuisplaatsing (minder dan drie jaar). Omgang: het standpunt dat een moeder zonder gezag per definitie geen ruime omgangsregeling heeft, is in strijd met het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rekestnummer: 267004 / FA RK 09-2631

Ontheffing

Beschikking van 15 juli 2009

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Utrecht,

hierna te noemen de Raad,

verzoeker,

tegen

1. [de moeder],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. M.S. Clarenbeek,

2. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vader.

1. Verloop van de procedure

De Raad heeft op 6 mei 2009 bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot ontheffing van het gezag.

De zoon [kind 1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

De zaak is behandeld op de zitting met gesloten deuren van 18 juni 2009. Daarbij waren aanwezig:

- namens de Raad mevrouw S. Schouten;

- de gezinsvoogd R.J. Smit van Bureau Jeugdzorg;

- de moeder en haar advocaat;

- de pleegmoeder van [kind 1] mevrouw [pleegmoeder].

Op verzoek van de gezinsvoogd zijn de moeder en de pleegmoeder gescheiden gehoord. Later bleek dat dit verzoek noch door de moeder, noch door de pleegmoeder gesteund werd. De rechtbank betreurt deze gang van zaken en biedt hiervoor excuses aan.

2. Vaststaande feiten

De vader en de moeder zijn op 9 augustus 1995 te [gemeente] met elkaar gehuwd. De echtscheidingsbeschikking van 31 augustus 1999 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 21 oktober 1999.

Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren:

[kind 1], geboren op [1996] te [geboorteplaats], en

[kind 2] geboren op [1999] te [geboorteplaats].

Een derde kind van de moeder is [kind 3], geboren op [2000] te [geboorteplaats]. [kind 3 ] heeft geen juridische vader.

De moeder en de vader hebben samen het gezag over [kind 1] en [kind 2]. De moeder heeft van rechtswege alleen het gezag over [kind 3 ].

De kinderen zijn bij beschikking van 10 oktober 2006 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn laatst verlengd tot 10 oktober 2009.

De kinderen wonen niet bij elkaar. [kind 1] woont sinds december 2007 in het huidige pleeggezin. [kind 2] woont sinds september 2008 in Zonnehuizen. [kind 3 ] woont sinds juli 2006 in haar pleeggezin.

3. Beoordeling van het verzochte

3.1. De Raad verzoekt de rechtbank om beide ouders te ontheffen van het gezag over [kind 1] en [kind 2], en om de moeder te ontheffen van het gezag over [kind 3 ]. De moeder voert verweer. De stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht heeft zich bereid verklaard de voogdij te aanvaarden.

3.2. In het rapport van de Raad wordt als achtergrond van het verzoek onder meer het volgende vermeld. De ouders van [kind 1] en [kind 2] zijn gescheiden. Na de echtscheiding is de moeder in moeilijke omstandigheden gekomen. Zij werkte heel veel omdat zij schulden moest aflossen, en er waren veel zorgen over deurwaarders, een eventuele uithuiszetting en afsluiting van de energielevering. Doordat de moeder daarmee overbelast raakte, had zij weinig tijd en energie over voor de kinderen. Die waren grotendeels op elkaar aangewezen, terwijl hun leefsituatie door de genoemde problemen voor hen emotioneel onveilig was. Met de psychische problemen die de moeder daarnaast had, werd de situatie uiteindelijk zo zorgelijk dat een uithuisplaatsing op dat moment de enige oplossing was. Op dit moment heeft de moeder haar leven weer redelijk op orde. Zij heeft een nieuwe partner; in 2008 is uit deze relatie een dochtertje geboren.

De vader heeft sinds de echtscheiding nauwelijks contact gehad met de kinderen. Hij heeft een periode van grote problemen gehad (zwerven, drugs). Op dit moment leidt hij al geruime tijd weer een normaal bestaan.

3.3. Als gevolg van de gebeurtenissen in het verleden zijn de kinderen volgens de Raad tekort gekomen. Zij zijn daardoor beschadigd.

[kind 1] heeft, als oudste kind, te veel verantwoordelijkheid gedragen voor zijn zusjes en voor zijn moeder. Hij is te veel behandeld als een volwassene. Hij heeft een sociaal-emotionele achterstand (hij is emotioneel jonger dan zijn kalenderjaren en sociaal weinig vaardig). Er zijn ook aanwijzingen voor hechtingsproblematiek; [kind 1] gaat weinig relaties aan. Hij voelt zich wel erg thuis in het pleeggezin en hij wil daar graag blijven.

[kind 2] heeft een verstandelijke beperking. Zij is in de moeilijke periode onvoldoende gestimuleerd en ook affectief veel tekort gekomen. Bij haar zijn veel aanwijzingen voor hechtingsproblematiek geconstateerd. Er zijn ook aanwijzingen voor een post-traumatische stress-stoornis. In een rapport van een psychiater dat bij het rapport van de Raad gevoegd was, valt te lezen dat zij de wereld en de mensen om haar heen als onveilig ervaart, en dat zij een grote behoefte heeft aan veiligheid en geborgenheid, maar niet goed in staat is om mensen daarvoor voldoende dichtbij te laten komen. Zij verblijft nu ter observatie in Zonnehuizen; gestreefd wordt naar plaatsing in een therapeutische gezinswoonvorm.

[kind 3 ] tenslotte is een begaafd meisje met ernstige gedragsproblemen (oppositioneel gedrag). Ook bij haar zijn aanwijzingen voor hechtingsproblematiek; bovendien zijn er zorgen over haar seksuele ontwikkeling. Zij heeft wel een band met haar pleegouders ontwikkeld.

3.4. De eerste vraag die beantwoord moet worden is, of de moeder beschouwd moet worden als ongeschikt of onmachtig om de zorg voor de kinderen op zich te nemen. De vraag is daarbij niet of zij in het algemeen voor een kind zou kunnen zorgen: het gaat om deze specifieke kinderen.

In deze zaak is daarbij vooral van belang dat de kinderen – als gevolg van de gebeurtenissen in het verleden – emotioneel beschadigd zijn. Hoewel de situatie nu heel anders is dan in 2006, is door dat verleden bij de kinderen schade aangericht, die nu nog aanwezig is. De kinderen hebben alle drie hechtingsproblematiek (zij het in verschillende mate) en daarnaast nog hun eigen problematiek. Hierdoor stellen zij bijzondere eisen aan hun opvoeders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder niet de pedagogische mogelijkheden om deze kinderen de veiligheid, structuur en emotionele steun te bieden die zij vanwege hun emotionele schade nodig hebben. Dat betekent dat terugplaatsing bij de moeder niet meer aan de orde is.

3.5. De moeder heeft aangevoerd dat het verzoek tot ontheffing te snel komt, omdat het nog te vroeg is om vast te stellen dat er geen perspectief op terugplaatsing is. Haar situatie is nu al veel stabieler dan in 2006, en zal zich mogelijk nog verder verbeteren.

De rechtbank heeft er begrip voor dat het vanuit haar standpunt gezien te vroeg is voor een zo definitieve beslissing. Het is begrijpelijk dat zij graag zo lang mogelijk de mogelijkheid open wil houden dat de kinderen bij haar terugkomen. Dat is echter niet in het belang van de kinderen. In het leven van een kind is een periode van twee of drie jaar al heel lang. Zo lang de mogelijkheid van terugplaatsing open blijft, is hun verblijf in het pleeggezin ‘voorlopig’. Zo’n voorlopige situatie geeft een kind niet de veiligheid die het nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. Illustratief daarvoor is een uitspraak van [kind 3 ] die in het rapport geciteerd wordt: “Als jullie me vervelend vinden, doen jullie me weg”. Een kind moet zich in het gezin waar het opgroeit veilig kunnen voelen, en daarvoor moet het weten dat het mag blijven, ook als het zich soms vervelend gedraagt. Voor de kinderen is het dus belangrijk om zo vroeg mogelijk te weten waar zij aan toe zijn, hoe pijnlijk dat voor de moeder ook mag zijn.

3.6. Dit geldt in ieder geval voor [kind 1]. Het geldt ook voor [kind 3 ], hoewel de rechtbank uit het rapport opmaakt dat zij ook in het pleeggezin moeilijk te hanteren is. Duidelijkheid over haar toekomst is voor haar juist daarom echter nog belangrijker. Voor [kind 2] ligt het iets anders, omdat zij nog tenminste eenmaal overgeplaatst zal worden. De rechtbank acht het echter ook voor haar belangrijk dat duidelijk wordt dat zij niet naar de moeder terug zal gaan.

3.7. Aangezien de moeder zich verzet tegen ontheffing, moet vervolgens worden onderzocht of de bestaande maatregelen (de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing) niet voldoende zijn om de bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen af te wenden. Die vraag is met het bovenstaande feitelijk al beantwoord. Deze maatregelen moeten ieder jaar verlengd worden, en houden daarmee de toestand van onzekerheid in stand.

3.8. Mr. Clarenbeek heeft tenslotte op de zitting aangekondigd een zelfstandig verzoek te willen doen tot vaststelling van een (ruimere) omgangsregeling. Dit verzoek stond niet op schrift, en Bureau Jeugdzorg was daarover vooraf niet ingelicht. De gezinsvoogd heeft meegedeeld over zo’n verzoek overleg te willen voeren met een gedragswetenschapper.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank een dergelijk mondeling verzoek op de zitting in strijd met de eisen van een goede procesorde. Er is ook geen aanleiding om de behandeling daarvoor aan te houden, aangezien dat geen meerwaarde heeft. Wanneer de moeder zelf (los van deze procedure) een verzoekschrift indient, zal behandeling op de gebruikelijke termijn niet langer op zich laten wachten dan wanneer dat in deze procedure zou gebeuren, terwijl wel aan alle partijen de processuele waarborgen geboden kunnen worden.

3.9. De rechtbank merkt daarbij wel nu vast het volgende op. In beginsel staat de omgang los van het gezag. Ook na een ontheffing heeft het kind recht op een frequent en intensief contact met de ouder, die immers zijn vader of moeder is. Dat is alleen anders wanneer het belang van het kind zich tegen dat contact verzet, bijvoorbeeld omdat het contact bij het kind veel onrust veroorzaakt of omdat de ouder het kind belast met kritiek op het pleeggezin of op de voogd. In dergelijke gevallen kan contact schadelijk zijn voor het kind, en daarom worden beperkt of zelfs beëindigd. Dat moet echter beoordeeld worden los van de ontheffing. Bureau Jeugdzorg heeft op de zitting het standpunt ingenomen dat een moeder zonder gezag in beginsel geen ruime omgangsregeling krijgt. Dit standpunt is in deze vorm in strijd met het recht van het kind op bescherming van de nauwe persoonlijke betrekkingen die het heeft met zijn ouders. De rechtbank geeft de gezinsvoogd daarom in overweging zijn standpunt in dezen te herzien.

3.10. De rechtbank zal op grond van het bovenstaande het verzoek tot ontheffing toewijzen en de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek om een omgangsregeling vast te stellen.

4. Beslissing

De rechtbank:

ontheft de ouders van het gezag over [kind 1] en [kind 2];

ontheft de moeder van het gezag over [kind 3];

benoemt tot voogdes over [kind 1], [kind 2] en [kind 3 ]:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht, gevestigd te Utrecht;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar zelfstandig verzoek om een omgangsregeling vast te stellen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. Gerritse, mr. E. Akkermans en mr. A.G. Bakker, allen kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N.I. Ganzevoort, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2009