Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ2212

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
10-07-2009
Zaaknummer
16-710616-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan ontvoering van twee personen, waaronder een medeverdachte. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de verdenking van deelname aan een criminele organisatie, die zich bezighield met handel in en transport van hasj in Nederland, Spanje en Marokko. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee jaar.

De rechtbank gaat daarmee boven de eis van de officier van justitie uit, nu de officier van justitie ook het tweede ten laste gelegde feit bewezen achtte. De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf rekening gehouden met de ernst en aard van het strafbare feit. De psychische gevolgen voor de slachtoffers zijn zeer ernstig. De rechtbank weegt bovendien mee dat verdachte veel antecedenten heeft op het gebied van geweldsmisdrijven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710616-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1975] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit anderen hoofde gedetineerd te P.I. Overijssel,

Huis van Bewaring Karelskamp te Almelo,

raadsman mr. M. Veldman, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 18, 23 en 25 juni 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De behandeling van de zaak tegen verdachte heeft niet gelijktijdig, maar in dezelfde periode plaatsgevonden als de behandeling van de zaken tegen zijn medeverdachten [medeverdachte 6], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7]. Verdachte en zijn medeverdachten zullen in het navolgende respectievelijk ‘[verdachte]’, ‘[medeverdachte 6]’, ‘[medeverdachte 2]’, ‘[medeverdachte 2]’, ‘[medeverdachte 3]’, ‘[medeverdachte 4]’ en ‘[medeverdachte 7]’ worden genoemd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is nader omschreven overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]:

1. van 7 januari tot en met 12 januari 2008 samen met anderen [medeverdachte 6] en [aangever 2] heeft ontvoerd en ontvoerd gehouden;

2. van 1 januari 2007 tot en met 8 april 2008 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met de handel in en het transport van hasj.

3 De voorvragen

3.1.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat de officier van justitie, ondanks herhaald verzoek van de verdediging en ondanks rechterlijk bevel, heeft nagelaten de cd-roms van de getapte telefoongesprekken zoals staan beschreven op de pagina’s 2219 en 2220 aan het dossier toe te voegen. De raadsman heeft aangevoerd dat dit materiaal als gevolg daarvan niet controleerbaar en toetsbaar is voor de verdediging. Voor het geval de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie een te vergaande maatregel vindt, verzoekt de raadsman om bewijsuitsluiting van genoemde gesprekken.

3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft erkend dat is nagelaten de cd-roms van de gesprekken zoals staan beschreven op de pagina’s 2219 en 2220 aan het dossier toe te voegen en dat hij in dat verband onvoldoende actie heeft ondernomen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewijsuitsluiting een juiste sanctie is op dit verzuim.

3.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat de officier van justitie aan het bevel van de rechtbank om de cd-roms met daarop de getapte telefoongesprekken aan het dossier toe te voegen niet heeft voldaan Dit betreft een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde en daarmee de belangen van [verdachte]. De rechtbank is echter van oordeel dat het verzuim van de officier van justitie om de cd-roms van genoemde gesprekken aan het dossier toe te voegen geen doelbewuste schending of grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] oplevert, zodat geen niet-ontvankelijkheid zal volgen. De rechtbank zal de gesprekken zoals beschreven op de pagina’s 2219 en 2220 van het dossier uitsluiten van het bewijs, nu de inhoud van deze gesprekken niet door de verdediging kan worden gecontroleerd en op betrouwbaarheid kan worden getoetst.

4 De beoordeling van het bewijs

De rechtbank merkt voorafgaand op dat bij het navolgende in de voetnoten wordt verwezen naar paginanummers. Deze pagina 's maken deel uit van in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde ambtenaren opgemaakte, ambtsedige processen-verbaal en daarbij gevoegde bescheiden. Die processen verbaal zijn gebundeld en doorlopend genummerd 1 tot en met 6407. In die processen-verbaal zijn onderzoeksbevindingen gerelateerd en verklaringen van personen die zijn ver- of gehoord.

De rechtbank merkt voorts op dat zij, nu het dossier een veelheid aan verklaringen bevat van verdachten die belastend verklaren over medeverdachten en, gelet op hun positie, daar zelf een belang bij kunnen hebben, met behoedzaamheid gebruik maakt van deze verklaringen en slechts voorzover zij op belangrijke punten ondersteund worden door andere wettige bewijsmiddelen in het dossier.

4.1 Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier T01: de ontvoering)

4.1.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] betrokken is geweest bij de ontvoering van [medeverdachte 6] en [aangever 2], omdat [verdachte] herkend is door [medeverdachte 6] en door [G] die bij de ontvoering aanwezig waren en uit telecomgegevens bovendien blijkt dat zijn telefoon tijdens en voorafgaand aan de ontvoering zendmasten aanstraalde van locaties die met de ontvoering verband hield. Bovendien is [verdachte] samen met [medeverdachte 4] en [G] te zien op beelden van de [R]. Hij heeft zelf verklaard dat hij de ins en outs van het gebeuren kent, maar niet wil verklaren omdat hij daar mogelijk gevolgen van zal ondervinden.

4.1.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst er daarbij op dat [G] pas over een ontvoering heeft verklaard vanaf het moment dat de politie hem heeft medegedeeld dat er sprake was van een ontvoering. Uit de verklaringen van [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] volgt dat er geen sprake is geweest van een ontvoering. De verklaring van [medeverdachte 6] is aantoonbaar onjuist en tegenstrijdig. [G] heeft niet bevestigd dat zij een klap heeft gekregen. Dit terwijl hij in de woning was en geen belang had om deze klap te verzwijgen. [verdachte] kan niet als medepleger van de ontvoering worden aangemerkt, omdat hij niet steeds aanwezig is geweest in de woning aan de [adres] en er met hem geen samenwerkingsverband bestaat voor wat betreft het boeien van [medeverdachte 6] en de bedreiging dat haar vinger zou worden afgesneden. Het dossier bevat geen gegevens van mobiel telefoonverkeer van [verdachte] en de beelden van de [R] zijn te onduidelijk om als bewijsmateriaal te kunnen dienen.

4.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden afgeleid. Op 6 en 7 januari 2008 is [G] opgezocht door 3 mannen die in contact wilden komen met [medeverdachte 6]; zij wilden dat [medeverdachte 6] haar woning zou verlaten en naar een plaats zou komen, waar zij haar konden spreken. [G] heeft [medeverdachte 6] op 7 januari 2008 benaderd met de vraag of zij zijn kleding, die nog in haar bezit was, wilde brengen naar het adres van zijn vriend [Z] in [plaatsnaam] aan de [adres]. [G] heeft [medeverdachte 6] niet verteld over de 3 mannen die haar wilden spreken.

Toen [medeverdachte 6] samen met [aangever 2] bij de woning van [Z] aankwam, opende [G] de deur, nam haar koffer mee naar boven, terwijl [medeverdachte 6] in de deuropening van de flathal bleef wachten op een dvd-speler die zij van [G] zou krijgen. De 3 mannen –twee Hollanders en een Marokkaan- kwamen naar beneden en één van hen, een lange Hollandse man , tilde haar op en droeg haar de woning in. De mannen riepen :”Meekomen jij!” [aangever 2] werd ook gegrepen en moest de woning mee in. [medeverdachte 6] en [aangever 2] werden in de woonkamer op de bank gesmeten en [medeverdachte 6] kreeg een stomp in haar gezicht. [aangever 2] heeft verklaard dat hij een klap hoorde. Ze moest haar autosleutels afgeven en door één van de twee Hollanders, een kale man, werd tegen hen gezegd:” Je laatste uur heeft geslagen”, “Jullie komen hier niet levend weg, jij niet en jij niet, want jullie hebben onze gezichten gezien en we kunnen jullie niet meer laten gaan”.

[medeverdachte 6] werd gefouilleerd door de twee Hollanders en daarbij werd haar telefoon afgenomen. Niet lang daarna dwong de kale man hen in een auto te gaan zitten en zo vervoerden de 3 mannen [medeverdachte 6] en [aangever 2] naar een woning aan de [adres] te [woonplaats]. Daar aangekomen werden ze gedwongen via de trap naar een woning op de vijfde etage te lopen. In die woning werd tegen [medeverdachte 6] gezegd dat zij alles kapot gemaakt had en zij werd bedreigd door die mannen; zij maakten met hun hand snijgebaren langs hun keel of zetten een vinger tegen hun voorhoofd en zeiden tegen [medeverdachte 6] en [aangever 2]: “Als er eentje wegloopt, dan betaalt de ander.

Later op de avond kwam er nog een Chinese man de kamer binnen. Nadien kwamen er twee Franstalige mannen in de woning aan de [adres]. Eén van hen deed [medeverdachte 6] handboeien om. Zij werd vervolgens geslagen en er werd een mes tegen haar vinger gehouden, waarbij hard geroepen werd “coupe la main”.

Op 9 januari 2008 namen de Franstalige mannen [medeverdachte 6] mee naar Parijs. [aangever 2] keerde die avond naar zijn eigen huis terug. Hij was zo bang door de bedreigingen die door de mannen richting hem en zijn gezin zijn geuit, dat hij geen aangifte wilde doen.

Op grond van de voormelde feiten en omstandigheden die de rechtbank heeft afgeleid uit de aangifte van [medeverdachte 6] die op essentiële punten wordt ondersteund door de verklaringen van [G] en [aangever 2], is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 6] en [aangever 2] in de periode van 7 januari 2008 t/m 9 januari 2008 opzettelijk wederrechtelijk van hun vrijheid zijn beroofd en beroofd gehouden. Dat [G] niet de klap heeft bevestigd die aan [medeverdachte 6] is uitgedeeld, maakt haar verklaring niet ongeloofwaardig. [G] heeft namelijk verklaard dat hij de woning een tijdje heeft verlaten omdat hij in opdracht van de mannen de auto van [medeverdachte 6] moest wegzetten. De rechtbank overweegt voorts dat niet pas sprake is van een wederrechtelijke vrijheidsberoving wanneer iemand wordt opgesloten of vastgebonden, maar ook wanneer opzettelijk de indruk wordt gevestigd dat (een van de) slachtoffers van het leven beroofd zal worden wanneer een van hen het perceel zou verlaten. Dat daarvan sprake is geweest volgt uit bovengenoemde bewijsmiddelen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat [verdachte] een van die drie mannen is geweest die [medeverdachte 6] en [aangever 2] wederrechtelijk van hun vrijheid hebben beroofd en wel om de volgende redenen. [G] en [medeverdachte 6] hebben [verdachte] bij een fotoconfrontatie herkend als een van de ontvoerders. [verdachte] heeft over zichzelf verklaard dat hij groot is, dat zijn bijnaam [naam] is en dat hij aan kickboksen doet. Deze gegevens sluiten aan op de verklaring van [medeverdachte 6] die een van haar ontvoerders [naam] noemt, zijn lichaamslengte inschat op zeker 2 meter en hem flink uit de kluiten gewassen en een beetje een sportschooltype vindt.

Dat [verdachte] niet gedurende de gehele ontvoering fysiek aanwezig is geweest, maar op enig moment tijdens de ontvoering op de locatie [adres] te Utrecht het pand zou hebben verlaten, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan zijn rol van medepleger van de wederrechtelijke vrijheidsberoving. De nadien gepleegde handelingen, waaronder het boeien van [medeverdachte 6] en het dreigen haar vinger af te snijden, rekent de rechtbank ook aan [verdachte] toe, aangezien deze van een zelfde aard zijn als de daarvoor gepleegde bedreigingen en geweldshandelingen en zodoende binnen het kader van de ontvoering vallen. [verdachte] heeft de plaats van de ontvoering verlaten in de wetenschap dat deze zich voortzette en hij heeft niets gedaan om dit te voorkomen. Om die reden kan zijn handelwijze niet worden gezien als een zich distantiëren van de ontvoering.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de [verdachte] het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hierna onder 4.3.

4.2 Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier T02: criminele organisatie)

4.2.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] deel uit maakte van de criminele organisatie en baseert zich daarbij op het volgende. Aangezien [verdachte] deelnam aan de ontvoering van [medeverdachte 6] kan ervan worden uitgegaan dat hij op de hoogte was van de reden van die ontvoering die gelegen was in de verdwijning van een partij drugs van de organisatie. [verdachte] maakte derhalve deel uit van de geweldstak van de criminele organisatie. Dat hij ook met anderen uit de criminele organisatie contacten onderhield blijkt uit het feit dat hij met een van de chauffeurs, [betrokkene 2], op hetzelfde adres in Amersfoort heeft verbleven en dat hij hem met [medeverdachte 2] in contact heeft gebracht. [medeverdachte 2] stond ook vermeld in de telefoon van [verdachte] onder de naam ‘Chinees’ en uit het dossier is gebleken dat [verdachte] veel telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2].

4.2.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak, omdat [verdachte] op geen enkele wijze voorkomt in de beschrijving van de aanloop van de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daaruit kan worden afgeleid dat [verdachte] geen deel uit maakte van de criminele organisatie en zodoende geen onvoorwaardelijk opzet heeft kunnen hebben op het criminele oogmerk van de organisatie. Dit blijkt ook uit het feit dat [verdachte] tijdens de ontvoering van [medeverdachte 6] geen enkele rol van betekenis heeft gehad.

4.2.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt niet tot een bewezenverklaring van het onder 2. tenlastegelegde. De rechtbank overweegt dat de naam van [verdachte] in het zaaksdossier met betrekking tot de ten laste gelegde criminele organisatie niet of nauwelijks voorkomt. De voor [verdachte] belastende telefoongesprekken zoals beschreven op de pagina’s 2219 en 2220 van het dossier zijn van het bewijs uitgesloten. Het enkele gegeven dat er contacten bestaan tussen [verdachte] en leden van de criminele organisatie kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat ook [verdachte] deel uit zou uitmaken van de criminele organisatie.

De rechtbank zal [verdachte] daarom van dit feit vrijspreken.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

in de periode van 07 januari 2008 tot en met 12 januari 2008 te [plaatsnaam], gemeente [plaatsnaam], en te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [medeverdachte 6] en [aangever 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk die [medeverdachte 6] gebeld en met een smoes naar het adres [adres] te [plaatsnaam] gelokt

en

die [medeverdachte 6] aldaar vastgepakt en opgetild en voormelde woning ([adres]) ingedragen en/of ingetrokken terwijl tegen die [medeverdachte 6] (op dreigende toon) werd gezegd "meekomen jij"

en

die [aangever 2] gedwongen mee die woning in te gaan

en

die [medeverdachte 6] op de bank gesmeten en met kracht op het gezicht gestompt

en

die [medeverdachte 6] gefouilleerd en haar telefoon afgepakt

en

tegen die [medeverdachte 6] en die [aangever 2] gezegd:"je laatste uur heeft geslagen" en "jullie komen hier niet levend weg, jij niet en jij niet, want jullie hebben onze gezichten gezien en we kunnen jullie niet meer laten gaan"

en

vervolgens die [medeverdachte 6] en die [aangever 2] gedwongen plaats te nemen in een auto

en hen daarmee vervoerd naar een andere woning te weten de [adres] te Utrecht

en

die [medeverdachte 6] en die [aangever 2] gedwongen naar die andere woning te lopen

en

aldaar (in die woning op de [adres]) die [medeverdachte 6] en die Van der

[getuige 2] telkens in de gaten gehouden

en

(op dreigende toon) tegen die [medeverdachte 6] en die [aangever 2] gezegd "als er eentje wegloopt, dan betaalt de ander"

en

die [medeverdachte 6] en die [aangever 2] meermalen bedreigd door snijgebaren langs de keel- en schietgebaren tegen het hoofd te maken en

en

die [medeverdachte 6] handboeien omgedaan

en

die [medeverdachte 6] in het gezicht gestompt

en

een mes tegen een vinger van die [medeverdachte 6] gelegd en gedreigd haar hand eraf te snijden ("couper la main")

en

telkens die [medeverdachte 6] en die [aangever 2] belemmerd om te gaan en te staan waar zij dat wilden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

1. Medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd

5.2 De strafbaarheid van verdachte

[verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan [verdachte] op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de periode die [verdachte] reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de eis van de officier van justitie disproportioneel is, afgezet tegen de strafeis die hij in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 4] heeft gedaan. De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de beperkte en ondergeschikte rol die [verdachte] in de ontvoering heeft ingenomen en het gegeven dat hij jegens [medeverdachte 6] en [aangever 2] geen geweld heeft toegepast. De raadsman heeft verzocht het geschorst bevel voorlopige hechtenis op te heffen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de [verdachte].

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De rechtbank gaat daarmee boven de eis van de officier van justitie uit, nu de officier van justitie ook het tweede ten laste gelegde feit bewezen achtte. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan het gepleegde strafbare feit.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf rekening gehouden met de ernst en aard van het strafbare feit. De psychische gevolgen voor de slachtoffers zijn zeer ernstig. De rechtbank weegt bovendien mee dat [verdachte] veel antecedenten heeft op het gebied van geweldsmisdrijven. Op grond daarvan komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar passend en geboden is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [medeverdachte 6] vordert een schadevergoeding van € 510,-- bij wijze van voorschot op de immateriële schade die zij heeft geleden ten gevolge van feit 1.

De rechtbank acht de vordering in casu niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk;

Vrijspraak

- spreekt [verdachte] vrij van het onder feit 2 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde onder feit 1 bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt [verdachte] vrij van wat onder feit 1 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van het opzetteljik iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden , meermalen gepleegd,

Strafoplegging

- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf van 2 jaar;

- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij:

- verklaart de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Voorlopige hechtenis

- wijst het verzoek tot opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. J.F. Dekking en mr. H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2009.