Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ2167

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
16-710660-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte deelnam aan een criminele organisatie die zich bezighield met handel in en transport van hasj in Nederland, Spanje en Marokko. Verdachte is ook schuldig aan drie hasjtransporten in 2007 en de ontvoering van een man en een vrouw, waaronder een medeverdachte. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijf jaar. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710660-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1969] te [geboorteplaats],

wonende te [postcode] [woonplaats] [adres],

raadsman mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 18, 23 en 25 juni 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De behandeling van de zaak tegen [verdachte] heeft niet gelijktijdig, maar in dezelfde periode plaatsgevonden als de behandeling van de zaken tegen zijn medeverdachten [medeverdachte 6], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7]. Verdachte en zijn medeverdachten zullen in het navolgende respectievelijk ‘[verdachte]’, ‘[medeverdachte 6]’, ‘[medeverdachte 1]’, ‘[medeverdachte 2]’, ‘[medeverdachte 3]’, ‘[medeverdachte 5]’ en ‘[medeverdachte 7]’ worden genoemd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is nader omschreven overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]:

1. van 7 januari tot en met 12 januari 2008 samen met anderen in Utrecht [medeverdachte 6] en [aangever 2] heeft ontvoerd en ontvoerd gehouden;

2. van 1 januari 2007 tot en met 8 april 2008 in Nederland en/of Marokko en/of Spanje heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met handel in en transport van hasjiesj;

3. in oktober 2007 samen met anderen in Marokko en Spanje een hasjtransport heeft gedaan, dan wel samen met anderen [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 3] heeft uitgelokt in die periode een hasjtransport te doen;

4. in december 2007 samen met anderen in Marokko en Spanje een hasjtransport heeft gedaan, dan wel samen met anderen [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 3] heeft uitgelokt in die periode een hasjtransport te doen;

5. in de periode van 25 juli tot en met 21 augustus 2007 samen met anderen in Marokko een hasjtransport heeft gedaan, dan wel samen met anderen [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] heeft uitgelokt in die periode een hasjtransport te doen.

3 De beoordeling van het bewijs

De rechtbank merkt voorafgaand op dat bij het navolgende in de voetnoten wordt verwezen naar paginanummers. Deze pagina 's maken deel uit van in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde ambtenaren opgemaakte, ambtsedige processen-verbaal en daarbij gevoegde bescheiden. Die processen verbaal zijn gebundeld en doorlopend genummerd 1 tot en met 6407. In die processen-verbaal zijn onderzoeksbevindingen gerelateerd en verklaringen van personen die zijn ver- of gehoord.

De rechtbank merkt voorts op dat zij, nu het dossier een veelheid aan verklaringen bevat van verdachten die belastend verklaren over medeverdachten en, gelet op hun positie, daar zelf een belang bij kunnen hebben, met behoedzaamheid gebruik maakt van deze verklaringen en slechts voorzover zij op belangrijke punten ondersteund worden door andere wettige bewijsmiddelen in het dossier.

3.1 Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier T01: de ontvoering)

3.1.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] betrokken is geweest bij de ontvoering van [medeverdachte 6] en [aangever 2], omdat [verdachte] herkend is door [medeverdachte 6] en door [G] die bij de ontvoering aanwezig was en uit telecomgegevens bovendien blijkt dat zijn telefoon tijdens en voorafgaand aan de ontvoering zendmasten aanstraalde van locaties die met de ontvoering verband hielden. Bovendien heeft [verdachte] zelf verklaard dat hij met [medeverdachte 6] gesproken heeft over de verdwenen hasj van zijn vriend uit Amersfoort en blijkt uit zaaksdossier T04 dat [verdachte] nauw betrokken is geweest bij dit hasjtransport.

3.1.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat nergens uit blijkt dat sprake zou zijn geweest van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en er geen bewijs is dat daarbij sprake zou zijn geweest van geweld.

Er is namelijk geen spoor van verwondingen bij [medeverdachte 6] aangetroffen. Haar verklaring is niet betrouwbaar, omdat deze niet wordt ondersteund door andere verklaringen en uit de verklaring van [G] bij de rechter-commissaris volgt dat [medeverdachte 6] een leugenares is.

3.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden afgeleid. Op

6 en 7 januari 2008 is [G] opgezocht door 3 mannen die in contact wilden komen met [medeverdachte 6]; zij wilden dat [medeverdachte 6] haar woning zou verlaten en naar een plaats zou komen, waar zij haar konden spreken. [G] heeft [medeverdachte 6] op 7 januari 2008 benaderd met de vraag of zij zijn kleding, die nog in haar bezit was, wilde brengen naar het adres van zijn vriend [Z] in [woonplaats] aan de [adres]. [G] heeft [medeverdachte 6] niet verteld over de 3 mannen die haar wilden spreken.

Toen [medeverdachte 6] samen met [aangever 2] bij de woning van [Z] aankwam, opende [G] de deur, nam haar koffer mee naar boven, terwijl [medeverdachte 6] in de deuropening van de flathal bleef wachten op een dvd-speler die zij van [G] zou krijgen. De 3 mannen –twee Hollanders en een Marokkaan- kwamen naar beneden en één van hen, een lange Hollandse man , tilde haar op en droeg haar de woning in. De mannen riepen :”Meekomen jij!” [aangever 2] werd ook gegrepen en moest mee de woning in. [medeverdachte 6] en [aangever 2] werden in de woonkamer op de bank gesmeten en [medeverdachte 6] kreeg een stomp in haar gezicht. [aangever 2] hoorde een klap. Ze moest haar autosleutels afgeven en door één van de twee Hollanders, een kale man, werd tegen hen gezegd: ”Je laatste uur heeft geslagen”, “Jullie komen hier niet levend weg, jij niet en jij niet, want jullie hebben onze gezichten gezien en we kunnen jullie niet meer laten gaan”.

[medeverdachte 6] werd gefouilleerd door de twee Hollanders en daarbij werd haar telefoon afgenomen. Niet lang daarna dwong de kale man hen in een auto te gaan zitten en zo vervoerden de 3 mannen [medeverdachte 6] en [aangever 2] naar de woning aan de te [woonplaats]. Daar aangekomen werden ze gedwongen via de trap naar een woning op de vijfde etage te lopen. In die woning werd tegen [medeverdachte 6] gezegd dat zij alles kapot gemaakt heeft en zij werd meermalen bedreigd door die mannen; zij maakten met hun hand snijgebaren langs hun keel of zetten een vinger tegen hun voorhoofd en zeiden tegen [medeverdachte 6] en [aangever 2]: “Als er eentje wegloopt, dan betaalt de ander.”

Later op de avond kwam er nog een Chinese man de kamer binnen. Nadien kwamen er twee Franstalige mannen in de woning aan de [adres]. Eén van hen deed [medeverdachte 6] handboeien om. Zij werd vervolgens geslagen en er werd een mes tegen haar vinger gehouden, waarbij hard geroepen werd “coupe la main”.

Op 9 januari 2008 namen de Franstalige mannen [medeverdachte 6] mee naar Parijs. [aangever 2] keerde die avond naar zijn eigen huis terug. Hij was zo bang door de bedreigingen die door de mannen richting hem en zijn gezin zijn geuit, dat hij geen aangifte wilde doen.

Op grond van de voormelde feiten en omstandigheden die de rechtbank heeft afgeleid uit de aangifte van [medeverdachte 6], die op essentiële punten word ondersteund door de verklaringen van [G] en [aangever 2], is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 6] en [aangever 2] in de periode van 7 januari 2008 t/m 9 januari 2008 opzettelijk wederrechtelijk van hun vrijheid zijn beroofd en beroofd gehouden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat [verdachte] een van die drie mannen is geweest die [medeverdachte 6] en [aangever 2] wederrechtelijk van hun vrijheid hebben beroofd en wel om de volgende redenen. [medeverdachte 6] heeft [verdachte] bij een fotoconfrontatie voor 100% herkend als een van haar ontvoerders. Ook [G] heeft [verdachte] herkend. [verdachte] heeft bovendien zelf verklaard dat hij twintig tot dertig minuten met [medeverdachte 6] heeft gesproken in de eerste week van januari in de Bilt, dat [aangever 2] (de rechtbank begrijpt dat [verdachte] daar [aangever 2] mee bedoelt) daarbij was en dat [medeverdachte 6] geen excuus heeft gemaakt voor haar medewerking aan het rippen van een camper. Met betrekking tot de rol die [verdachte] heeft gespeeld in de ontvoering heeft [medeverdachte 6] verklaard dat zij de indruk had dat die kale de leiding van alles had.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de [verdachte] het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hierna onder 3.6. aangegeven.

3.2 Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier T02: criminele organisatie)

3.2.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] deel heeft uitgemaakt van een organisatie die tot oogmerk had het vervoeren van hoeveelheden softdrugs. Binnen die organisatie hield [verdachte] zich volgens de officier van justitie bezig met het ronselen en faciliteren van chauffeurs, was hij contactpersoon van [betrokkene 1] en heeft hij gezorgd voor vervoermiddelen.

3.2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst er daarbij op dat geen sprake is van een criminele organisatie, maar eerder van een gestructureerd tegenwerkingsverband. Er was geen sprake van een doelgerichte organisatie en er was een onsamenhangend uitvoeringskarakter.

3.2.3 Het oordeel van de rechtbank

Uit het geheel van de door diverse verdachten en getuigen in dit dossier afgelegde verklaringen alsmede overgelegde geschriften komt het beeld naar voren van een criminele organisatie die zich bezig houdt met het organiseren van transporten van hasj vanuit Marokko naar Spanje en vanaf daar naar Nederland. Voor de organisatie van de transporten werden diverse werkzaamheden verricht door verschillende personen binnen de criminele organisatie, die zich ten opzichte van elkaar in een bepaalde samenwerkingsstructuur en hiërarchie bevonden. De voertuigen waarmee de transporten moesten worden uitgevoerd (voornamelijk campers), werden door leden van de organisatie in Nederland gekocht en op naam gesteld van de chauffeurs die geronseld werden om tegen betaling de campers over te brengen naar Marokko en daarna van Marokko naar Spanje. Vanuit Nederland werden de campers op kosten van de organisatie naar Marokko gereden, waar ze speciaal werden geprepareerd en enige tijd bleven staan om door andere leden van de criminele organisatie volgeladen te worden met hasj. Ondertussen verbleven de chauffeurs van de campers in Marokko op kosten van de organisatie. Vervolgens moesten de chauffeurs met de volgeladen campers naar de veerboot van Marokko naar Spanje rijden en daar de overtocht maken. De douane werd door leden van de criminele organisatie omgekocht, zodat de campers met verdovende middelen ongehinderd het land konden verlaten. In Malaga werden de campers opgewacht en overgenomen door andere leden van de criminele organisatie. De chauffeurs van de campers verbleven in hotels in Spanje totdat de campers waren uitgeladen en teruggebracht konden worden naar Marokko voor een volgend transport. De verdovende middelen werden in Spanje tijdelijk opgeslagen om vervolgens overgeladen te worden in vrachtwagens die de verdovende middelen naar Nederland zouden brengen. Daar aangekomen werden de verdovende middelen verdeeld voor de verkoop in Nederland of voor verdere smokkel naar Engeland en/of Scandinavië.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan deze organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, bestaande uit – kort gezegd – het vervoeren van grote hoeveelheden hasjiesj en het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van die hoeveelheden hasjiesj. Uit de hierna te noemen bewijsmiddelen blijkt de (werkwijze van de) organisatie en de rol van [verdachte] binnen die organisatie.

- [verdachte] werkte in Nederland voor [betrokkene 1], die in Malaga woont. [betrokkene 1] deed de hasjtransporten van Marokko naar Malaga. De campers waarmee de hasj werd vervoerd, werden in Marokko speciaal geprepareerd om grote hoeveelheden te kunnen verbergen. De douane aan zowel de Marokkaanse als Spaanse kant werd omgekocht om de transporten te laten passeren. De Hollanders, waaronder [verdachte], deden de transporten van Malaga naar Nederland. [verdachte] regelde de zaken voor [betrokkene 1] in het Amersfoortse en het Utrechtse. Hij knapte de vuile zaken op als er dingen fout waren gegaan. [verdachte] bezocht dan die mensen. De hasj werd van Malaga naar Nederland vervoerd met vrachtauto’s van Nederlandse bedrijven die op Spanje reden. De drugs werden in de buurt van Amersfoort uitgeladen. [verdachte] regelde dit vervoer. De hasj ging naar Scandinavië en Engeland en de goede kwaliteit hasj bleef in Nederland.

- [verdachte] heeft op 13 augustus 2007 een camper ([kenteken]) gekocht en betaald , waarmee hasj vervoerd zou worden van Marokko naar Spanje . Hij was toen in gezelschap van [medeverdachte 2].

- [verdachte] heeft tezamen met [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] gevraagd om de camper op zijn naam te zetten en deze naar Marokko te brengen. [verdachte] heeft daartoe de verzekeringspapieren aan [medeverdachte 3] gegeven en € 1.300,- voor onkosten. [medeverdachte 3] heeft de camper op zijn naam gezet en deze vervolgens in augustus 2007 naar Marokko gereden. In Marokko werd de camper overgenomen door [betrokkene 1].

- In september 2007 heeft [verdachte], samen met [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] opgehaald van het vliegveld in Düsseldorf. [verdachte] is toen boos geworden op [medeverdachte 3] en heeft [medeverdachte 3] gezegd dat hij de camper in Marokko moest ophalen. [verdachte] is enkele dagen later met [medeverdachte 3] per vliegtuig naar Marokko gereisd. Zij zijn samen een maand in een hotel in Marokko gebleven. [verdachte] beheerde het geld. Als het op was, belde hij iemand en kreeg hij nieuw geld voor onkosten.

- [verdachte] heeft in oktober 2007 de camper, die geladen was met een grote hoeveelheid hasj, in de buurt van Malaga overgenomen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3], die de camper kort daarvoor hadden overgebracht van Marokko naar Spanje. De camper was van [betrokkene 1]. [medeverdachte 3] wachtte in een hotel in Malaga totdat hij naar Marokko zou gaan om weer een transport te rijden.

- [medeverdachte 3] heeft, toen hij terug was in Nederland, € 2.000,- ontvangen van [medeverdachte 2], die dat bedrag van [verdachte] had gekregen.

- Toen [medeverdachte 3] vanaf eind oktober 2007 weer in Marokko was, was [verdachte] zijn contactpersoon: [verdachte] belde hem af en toe vanuit Spanje en [medeverdachte 3] belde [verdachte] als hij geld nodig had.

- [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 6] [medeverdachte 6] op haar verzoek in contact gebracht met [betrokkene 1] opdat zij hasjtransporten zou rijden van Marokko naar Spanje. [medeverdachte 1] heeft [betrokkene 1] in oktober 2007 in Malaga gesproken.

- [G] is door [medeverdachte 6] gevraagd om eveneens hasj te halen uit Marokko. In dat verband is hij met [medeverdachte 1] naar het postkantoor gegaan om een Fiat busje op zijn naam laten zetten. In september 2007 is [G] samen met [medeverdachte 6] met dat busje naar Marokko gereden. [medeverdachte 6] had tijdens die reis nagenoeg dagelijks contact met [medeverdachte 1], onder andere over de vraag wanneer het busje geladen zou worden.

- [medeverdachte 1] heeft meermalen geld overgemaakt naar [medeverdachte 6] en [G], toen zij in Marokko waren. Dat geld was afkomstig van [betrokkene 1]. [verdachte] heeft in Marokko aan [medeverdachte 6] en [G] een geldbedrag gegeven om onkosten te dekken.

- [verdachte] heeft in Marokko tegen [medeverdachte 6] gezegd dat zij de camper [kenteken] moest overbrengen naar Spanje.

- [betrokkene 2] is door [medeverdachte 2] gevraagd om een busje op zijn naam te zetten en deze naar Marokko te brengen. Onderweg naar Marokko, heeft [betrokkene 2] in Malaga van [verdachte] geld ontvangen voor de boot naar Marokko. In Marokko heeft [verdachte] [betrokkene 2] gevraagd om het busje met het spul, waarmee hasj werd bedoeld, terug te rijden. Toen [betrokkene 2] weigerde om het busje terug te rijden, heeft [verdachte] hem bedreigd. Als [betrokkene 2] geld nodig had, belde hij met [medeverdachte 2] en die moest dan eerst [verdachte] bellen.

- [medeverdachte 1] heeft onkosten betaald van [medeverdachte 3] en [betrokkene 2] toen deze in oktober 2007 in Malaga zonder geld zaten.

- [betrokkene 2] is, toen hij in Marokko was, gebeld door [medeverdachte 1], die zei dat hij belazerd was door [verdachte] en nog iemand anders en dat hij de hasj in het busje, dat [betrokkene 2] zou rijden, wilde terugpakken. [medeverdachte 6] probeerde [betrokkene 2] en [medeverdachte 3] in Marokko over te halen om het busje en de camper, gevuld met drugs, te rijden. Onderweg zou [medeverdachte 6], voordat de bus en camper de grens over zouden gaan, iets in scène zetten zodat de camper en de bus zouden verdwijnen.

- [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] hebben in december 2007 dezelfde camper ([kenteken]), die wederom geladen was met een grote hoeveelheid hasj, vanaf Rabat gereden naar Tanger met de bestemming Malaga. In Tanger kregen ze een seintje van [verdachte] dat ze door konden rijden naar de douane. Op de route naar de douane, is de camper met inhoud verdwenen.

- Na de verdwijning van deze partij hasj, hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] met [V], de ex-vrouw van [medeverdachte 3], gebeld en haar gevraagd waar [medeverdachte] 3] was en gezegd dat hij zich moest melden. Daarbij heeft hij [V] en haar kinderen bedreigd.

3.3 Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier T03: transport oktober 2007)

3.3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft aangevoerd dat uit diverse verklaringen, met name die van [verdachte], [G], [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] zelf, naar voren komt dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] in oktober 2007 een hasjtransport hebben verricht en dat zij daarvoor werden geworven en een beloning en onkostenvergoeding ontvingen van [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2].

3.3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte] van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat [verdachte] de hoeveelheid hasj zoals in de tenlastelegging omschreven heeft afgeleverd, verstrekt, vervoerd of aanwezig heeft gehad. Uit de verklaringen blijkt dat de enige activiteit die [verdachte] heeft verricht bestond uit het ophalen en afrekenen van een camper. Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen. Ook van het subsidiair tenlastegelegde dient [verdachte] te worden vrijgesproken om de volgende redenen. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat [verdachte] aan [medeverdachte 6] of [medeverdachte] 3] een financiële vergoeding in het vooruitzicht heeft gesteld. [verdachte] heeft ook niet een vervoermiddel aan [medeverdachte 6] of [medeverdachte 3] verschaft, hij heeft alleen een camper opgehaald. De reis- en verblijfkosten die [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] hebben gemaakt zijn betaald door [medeverdachte 1] en een vriend van [betrokkene 1] en [verdachte 1] en het dossier bevat geen aanwijzingen dat [verdachte] bemoeienis heeft gehad met het transport.

3.3.3 Het oordeel van de rechtbank

In het dossier bevindt zich een verklaring afgelegd door [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij niet meer precies weet wanneer hij naar Malaga is gegaan om [betrokkene 1] ([betrokkene 1], Rb) in Spanje te bezoeken, maar dat het in elk geval na de Ramadan was. Hij heeft daar met [betrokkene 1] gesproken over [medeverdachte 6] ([medeverdachte 6], Rb). [betrokkene 1] heeft hem daar verteld dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] een transport hadden gedaan en dat het daarbij ging om hasj. Hij heeft in Malaga de camper gezien die [medeverdachte 3] ([medeverdachte 3], Rb) gereden had. [medeverdachte 6] heeft hij niet gezien, omdat zij al weer terug was naar Marokko. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] heeft gehoord dat een camper die met een lading hasj binnenkomt vanaf de haven gevolgd wordt door twee auto’s en dat de camper daarna wordt overgenomen. [medeverdachte 3] heeft hem in Malaga verteld dat hij vanuit Marokko naar Spanje was gereden met [medeverdachte 6] en dat het een transport was geweest met de camper waarbij 1700 kg hasj vervoerd was. [medeverdachte 3] vertelde hem dat ze in Casablanca of Rabat de camper hadden gekregen en dat ze, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6], hiermee naar Tanger zijn gereden. Vanuit Tanger waren ze met de boot naar Algacira in Spanje gevaren. Vandaar zijn ze richting Malaga gereden, waar ze op een parkeerplaats moesten stoppen en waar [verdachte ] ([[verdachte]], Rb.) de camper heeft overgenomen. Het hele interieur van de camper was in Marokko verwijderd, de hasj werd ingebracht en het interieur werd dan weer ingebouwd.

[medeverdachte 1]s verklaring wordt ondersteund door de gegevens van de douane, die door de verbindingsofficier bij de Nederlandse ambassade in Rabat werden doorgegeven. Uit deze gegevens blijkt dat [medeverdachte 6] 6 bewegingen over de grens heeft gemaakt in 2007. Zij is op 14 september 2007 Marokko ingereisd via de haven van Tanger en zij is op 14 oktober 2007 via dezelfde plek uitgereisd. Daarnaast heeft zij een aantal vliegbewegingen gemaakt: op 15 oktober 2007 is ze via vliegveld Mohammed V Marokko ingekomen en op 19 oktober 2007 weer uitgereisd via vliegveld Nouasser. Uit deze gegevens komt voor wat betreft de grensbewegingen van [medeverdachte 6] in 2007 slechts één uitreisbeweging via de haven van Tanger naar voren: op 14 oktober 2007 te 16.12 uur. Voorts blijkt uit deze gegevens dat ook [medeverdachte 3] 6 bewegingen over de grens heeft gemaakt in 2007. Hij is onder andere op 17 augustus 2007 Marokko in gereisd via de grens van Bab Sebta en hij is op 14 oktober 2007 via de haven van Tanger uitgereisd. Deze data komen overeen met de gegevens die de douane aan de verbindingsofficier bij de Nederlandse ambassade in Rabat over het voertuig met het kenteken [kenteken] heeft verstrekt. Dit voertuig is op 17 augustus 2007 geïntroduceerd in Marokko door Sasko [medeverdachte 3] en werd op 14 oktober 2007 te 16.12 uur via de haven van Tanger door dezelfde persoon weer geëxporteerd. Het voertuig met het kenteken [kenteken] staat in Nederland geregistreerd als Fiat 290, een camper.

De rechtbank concludeert op basis hiervan dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] op dezelfde boot van Marokko naar Spanje zijn gereisd op 14 oktober 2007 en dat [medeverdachte 3] zich op die boot bevond met de camper met het kenteken [kenteken]. De rechtbank concludeert voorts dat de gegevens van de verbindingsofficier in overeenstemming zijn met de inhoud van de verklaring zoals afgelegd door [medeverdachte 1]. Hieruit blijkt immers dat de camper van [medeverdachte 3] al enige tijd (vanaf 17 augustus 2007) in Marokko verbleef, voordat de camper werd uitgevoerd naar Spanje. Volgens de verklaring van [medeverdachte 1] was enige tijd nodig om de camper om te bouwen teneinde de drugs daarin te verbergen.

De rechtbank neemt in aanmerking dat [medeverdachte 1] niet de enige is die heeft verklaard dat er in oktober 2007 een grote hoeveelheid hasj is vervoerd door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6]. [verdachte] heeft verklaard dat de betreffende camper is aangekocht om daarmee hasj te vervoeren van Marokko naar Spanje. Getuige [getuige 1], destijds een vriend van [medeverdachte 3], heeft verklaard dat [medeverdachte 3] hem heeft verteld dat hij diep in de schulden zat en dat hij op verzoek van anderen een camper op zijn naam zou zetten en daarmee een grote hoeveelheid hasj uit Marokko zou halen. Hij zou daar € 20.000,- mee verdienen. Medeverdachte [betrokkene 2] heeft voorts verklaard dat [medeverdachte 3] in december 2007, toen hij hem vroeg waarom men de inhoud van de camper wilde stelen [betreft feit 3, T04, Rb], zei dat de vorige keer dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] hadden gereden, zij hiervoor niets of heel weinig hadden gekregen. Zijn verklaring ondersteunt het bewijs dat er al voor december 2007 een hasjtransport door [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] is gedaan.

In het dossier bevindt zich voorts een verklaring van [B] met betrekking tot de verkoop van deze camper, die hij na de zomervakantie van 2007 via Marktplaats te koop had aangeboden. De camper had een dubbele bodem van ongeveer 30 cm hoogte en een grote laadruimte aan de achterzijde. [B] heeft verklaard dat hij gebeld werd door iemand uit Marokko die een vriend van hem in Nederland zou sturen om de camper op te halen. Deze vriend was een blanke, kale man tussen de 180 en 185 cm lang en hij werd vergezeld door een Chinese man van tussen de 160 en 170 cm lang. Geconfronteerd met foto’s van [medeverdachte 2] en [verdachte] heeft [B] [medeverdachte 2] voor 100% als de Chinese man herkend en [verdachte] als de blanke kale man, terwijl hij daarbij heeft opgemerkt dat hij dit niet met 100% zekerheid durft te zeggen omdat de man toen een iets smaller gezicht had. [B] heeft aan hen de camper verkocht voor € 25.000,-- dat hij in contanten ontving. Omdat het overschrijven van de camper op naam van de Chinees in eerste instantie niet lukte, is de camper een paar dagen later overgeschreven op naam van de kale man. Over de verkoop heeft [B] opgemerkt dat de deal wel erg gemakkelijk ging, omdat de mannen alleen maar een rondje om de auto liepen.

Over de camper die op 14 augustus 2007 op [medeverdachte 3] naam is gezet, heeft [medeverdachte 3] verklaard dat hij deze camper van twee jongens op zijn naam moest zetten. Een van deze jongens was een Chinees die [medeverdachte 2] heet en in [woonplaats] woonde, in een flat vlakbij [medeverdachte] 3] woning. Deze [medeverdachte 2] had hem voorgesteld dat hij € 2.000,-- zou krijgen als hij de camper naar Marokko zou rijden. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij de camper in de maand oktober 2007 naar Marokko heeft gebracht. De tweede jongen was [verdachte] die ook wel “Kale” wordt genoemd. Deze [verdachte] woont in de [woonplaats] en is een vriend van de Chinees. Van hem kreeg hij € 1.300,-- contant voor de onkosten onderweg naar Marokko. De verzekeringspapieren van de camper ontving hij van [verdachte]. Op 15 augustus 2007 is hij vertrokken en op 17 augustus 2007 arriveerde hij in Marokko. Geconfronteerd met getoonde foto’s van [medeverdachte 2] en [verdachte] herkent hij deze personen als de Chinees [medeverdachte 2] en de kale [verdachte]. Voor wat betreft de door hem genoemde reisbeweging en datum komt zijn verklaring overeen met de douanegegevens zoals aangeleverd door de verbindingsofficier in Rabat.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [verdachte] niet alleen betrokken is geweest bij de aanschaf van de camper, waarmee het hasjtransport in oktober 2007 heeft plaatsgevonden, maar dat zijn betrokkenheid groter was. Blijkens bovengenoemde verklaringen heeft hij aan [medeverdachte 3] een onkostenvergoeding voor de reis naar Marokko betaald, terwijl [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] de beloning van € 2.000,-- in het vooruitzicht stelde en heeft [verdachte] voorts na het transport van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] in Spanje ergens op een parkeerplaats de auto van hen overgenomen. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden een nauwe en bewuste samenwerking van [verdachte] met [medeverdachte 6], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] af voor wat betreft de uitvoering van het hasjtransport in oktober 2007.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het primaire feit wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder 3.6. aangegeven.

3.4 Ten aanzien van feit 4 (zaaksdossier T04: transport december 2007)

3.4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de bevindingen van de politie, de informatie van de Marokkaanse autoriteiten, de verklaringen van diverse verdachten en de zaaksdossiers in onderling verband bezien.

3.4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte] van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat [verdachte] de hoeveelheid hasj, zoals in de tenlastelegging omschreven, heeft afgeleverd, verstrekt, vervoerd of aanwezig gehad. Uit de verklaringen blijkt dat [verdachte] alleen wat hand- en spandiensten heeft verricht, geassisteerd heeft bij het aanschaffen van de camper en deze korte tijd op zijn naam heeft gehad. Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen. Ook van het subsidiair tenlastegelegde dient [verdachte] te worden vrijgesproken om de volgende redenen. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat [verdachte] [medeverdachte 6] of [medeverdachte 3] zou hebben uitgelokt om dit transport te doen. [verdachte] heeft ook niet een vervoermiddel aan [medeverdachte 6] of [medeverdachte 3] verschaft, hij heeft alleen geassisteerd bij de aanschaf van de camper. De reis- en verblijfkosten die [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] hebben gemaakt, zijn betaald door [medeverdachte 1] en [betrokkene 1]. Voordat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] met [verdachte] in contact kwamen, hadden zij al het idee om een transport te gaan doen.

3.4.3 Het oordeel van de rechtbank

[medeverdachte 6] heeft op 12 januari 2008 bij de politie verklaard dat zij onlangs, in december 2007, samen met [medeverdachte 3] ([medeverdachte 3], Rb.) met een witte Fiat van Rabat naar Tanger is gereden. [medeverdachte 6] heeft daarover het volgende verklaard:

(P1= verbalisant [verbalisant 2], V: [verdachte] [medeverdachte 6])

P1: Wat zit daar dan in die camper?

V: Nou wat ik hoorde iets van achttienhonderd kilo.

P1: En wat concreet?

V: Nou Hasjies had hij het over.

[medeverdachte 6] heeft in hetzelfde verhoor bij de politie verklaard dat zij niet met de veerboot is overgegaan en dat ‘ze’ twee ton kwijt zijn aan de douane. Zij heeft voorts verklaard dat de camper in Tanger is overgenomen door mensen en dat ze vanaf Ramadal gevolgd zijn door dezelfde mensen:

P1: En over hoeveel mensen heb je het dan?

V: Een hele groep. Dan zie je een witte auto, dan zie je een blauwe auto dan een zwarte auto. En overal waar je loopt zie je mensen. Misschien omdat zoveel waarde in die auto zit.

[medeverdachte 6] heeft ook verklaard dat zij in september-oktober 2007 al met [G] voor zijn veiligheid was meegegaan naar Marokko, omdat hij daar hasj zou gaan halen. Ze heeft verklaard dat hij in een Fiat Ducato reed en dat het busje in Rabat bleef bij de mensen die de hasj in de auto hadden gestopt en dat zij € 1.000,-- van die mensen kregen om hun hotel van te betalen. Van ‘die mensen’ moest zij ook met [medeverdachte 3] mee, omdat die zijn been had gebroken. Ze moest met [medeverdachte 3] de auto overrijden naar Malaga met 1700-1800 kilo hash. Wanneer zij dat niet zou doen, zou het haar

€ 150.000,-- kosten.

[medeverdachte 1] heeft bevestigd dat de camper die door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] gereden werd bedoeld was voor het vervoeren van hasj. Toen [medeverdachte 3] ([medeverdachte 3], Rb.) hem in Malaga een Fiat Ducato camper toonde, hoorde hij van hem dat de camper leeg was en klaar was om weer terug te gaan naar Marokko. Over deze camper heeft [medeverdachte 1] het volgende verklaard:

[medeverdachte 3] vertelde mij dat hij vanuit Marokko naar Spanje was gereden met [medeverdachte 6]. Dit was een transport geweest met de camper. Dit betreft een Fiat Ducato camper. Deze camper stond op naam van [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] vertelde mij dat er 1700 kg hash mee vervoerd was. Ik geloofde dit niet. Deze hash was “gestasht”. Ik heb gehoord dat ze in Marokko het gehele interieur verwijderen, de hash inbrengen en dan het interieur weer inbouwen. [medeverdachte 3] vertelde dat de camper speciaal was, de camper had dubbellucht achter, om het wiebelen tegen te gaan als de camper zwaar beladen zou zijn. De camper zou door [medeverdachte 3] alleen teruggebracht worden naar Marokko. [medeverdachte 3] zou dan een paar weken in Marokko blijven en dan samen met [medeverdachte 6] weer teruggaan naar Spanje, net als de eerste keer.

Ook [verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte 6] ([medeverdachte 6], Rb.) en een andere persoon het spul, waarvan hij onomwonden verklaart dat dat hasj betrof, met een camper van Rabat naar Tanger heeft gereden. Hij heeft voorts over dit transport verklaard dat het geript is:

M= verdachte [verdachte] K= verbalisant [verbalisant 3]

“D’r is 1700 (zeventienhonderd) kilo eeh, hash eeh, bij meneer [medeverdachte 1] z’n achtertuin ingereeen, terwijl dat de hele afspraak niet was. Enne…ja, dat is eigenlijk eeh, een kwalijke zaak, vin ik

K: waar is de achtertuin van meneer [medeverdachte 1]?

M: in Marokko”

[verdachte] heeft voorts verklaard dat hij hand- en spandiensten zou verrichten die bestonden uit het geld brengen aan de chauffeurs, het overbrengen van informatie en het begeleiden van de chauffeurs naar degene waar de spullen terecht moesten komen wanneer ze van Marokko naar Spanje zouden zijn overgestoken.

Uit de verklaring van [medeverdachte 3] blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] niet slechts wat hand- en spandiensten heeft verricht rond het transport, maar dat zijn betrokkenheid groter was. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij, toen hij in Tanger was, tegen [verdachte] heeft gezegd dat hij de camper niet terug wilde brengen en dat [verdachte] hem toen heeft bedreigd. [verdachte] heeft toen tegen hem gezegd dat als hij niet zou rijden, hij een boete zou krijgen van

€ 100.000,-- en het land niet levend uit zou komen. [medeverdachte 3] heeft ook verklaard dat zijn contacten via [verdachte] verliepen, dat [verdachte] in Spanje was terwijl [medeverdachte 3] daar ook verbleef en dat hij [verdachte] belde wanneer hij geld nodig had.

De rechtbank is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat de rol van [verdachte] groter was dan hij zelf doet voorkomen. Niet alleen was hij betrokken bij de aanschaf van de camper -zoals onder 3.3.3. is gebleken- waarmee het transport plaatsvond, hij onderhield ook het contact met (een van) de chauffeur(s), zorgde ervoor dat ze geld kregen en schuwde daarbij niet om [medeverdachte 3] onder druk te zetten toen deze aangaf niet bereid te zijn de camper vanuit Marokko terug te brengen. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank een nauwe en bewuste samenwerking af met anderen (waaronder [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3]) voor wat betreft de uitvoering van het hasjtransport in december 2007.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het primaire feit wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder 3.6. aangegeven.

3.5 Ten aanzien van feit 5 (zaaksdossier T08: transport juli/augustus 2007)

3.5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen en in vereniging met anderen [betrokkene 3] en [betrokkene 4]s heeft uitgelokt om 1370 kilo hasj te transporteren van Marokko naar Spanje. Hij baseert zich daarbij op de verklaring van [betrokkene 3] die vermeldt dat [Y] hem het voorstel heeft gedaan om tegen een bepaalde vergoeding drugs te vervoeren, waarna [Y] hem in contact bracht met [verdachte]. [verdachte] heeft de camper voor hem gekocht en deze op [betrokkene 3]’ naam laten zetten en hem geld gegeven voor onkosten. De officier van justitie baseert de bewezenverklaring voorts op de herkenningen van [getuige 2], verkoper van de camper en [betrokkene 3] en het aantreffen van relevante stukken uit het procesdossier tegen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in de woning van [verdachte].

3.5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te komen tot een nauwe en bewuste samenwerking met [betrokkene 3] en [betrokkene 4]s ten aanzien van het door hen verrichte hasjtransport. Het geld dat [verdachte] aan [betrokkene 4] verstrekt heeft, had betrekking op een hasjtransport dat zij samen met Sebastiaan heeft verricht. Dit levert ook geen bewijs op voor de tenlastegelegde uitlokking, aangezien [betrokkene 4]s op dat moment al door [Y] was uitgelokt om een drugstransport te doen. Dit geldt ook ten aanzien van [betrokkene 3], op het moment dat [verdachte] samen met hem de camper ophaalde. De raadsman vraagt vrijspraak voor het primair en subsidiair tenlastegelegde.

3.5.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 21 augustus 2007 heeft de politie in de haven van Tanger een drugstransport van 1370 kilo hasj onderschept. De drugs waren verstopt in een geheime plek die speciaal gemaakt was in de carrosserie en de vloer van de cabine van een camper van het merk Fiat, geregistreerd in Nederland onder kenteken [kenteken].

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij in juli 2007 zijn camper, een Fiat Ducato met het kenteken [kenteken] te koop heeft aangeboden via Marktplaats. Hij heeft de camper verkocht aan een koper die met een tweede man naar Uden kwam en hem € 14.500,-- contant betaalde voor de camper. De verkoop van de camper ging volgens [getuige 2] opvallend snel. [getuige 2] heeft [verdachte] herkend als deze koper.

Uit de verklaring van [betrokkene 4], afgelegd bij de rechter-commissaris volgt dat zij op 21 augustus 2007 is aangehouden in Marokko vanwege dit drugstransport. Zij heeft hierover het volgende verklaard:

“De tweede keer, 21 augustus 2007, heb ik gereden met [betrokkene 3]. [Y] had mij gevraagd hasj te rijden. De naam [verdachte] zegt mij wel wat. Hij heeft mijn reis naar Marokko betaald, mijn vliegticket. Hij gaf het geld contant aan mij in het huis van ([Y], rb). Ik herinner mij dat [Y] een keer aan de telefoon heeft verteld dat hij en [verdachte] wilden weten hoe het er voor stond met het transport.” In een eerder verhoor in Marokko heeft [betrokkene 4]s verklaard dat man op de getoonde foto (het betreft een foto van [verdachte], rb) lijkt op [verdachte], maar dat zij hem maar vijf minuten heeft gezien.

Ook [betrokkene 3] heeft een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris over dit transport. Hij heeft daarin het volgende opgemerkt: “Het klopt dat ik in Tanger in Marokko ben aangehouden op 21 augustus 2007. [Y] heeft mij gevraagd het transport te doen. Ik wist dat het om hasj ging. Ik zou er 15.000 euro voor krijgen. U vraagt mij hoe ik aan de camper kwam. Ik heb dus een gesprek met [Y] gehad. Ik ben toen met [verdachte] in aanraking gekomen. Met hem samen heb ik een camper gekocht. Ik had met [Y] afgesproken bij hem thuis. Daar kwam [verdachte] toen ook. Ik ben samen met [verdachte] naar Uden gereden. U vraagt mij hoe hij eruit ziet. [verdachte] is kaal. Hij zag er normaal uit, een beetje stevig misschien. Ik denk dat de camper is betaald door [verdachte]. Ik heb in ieder geval niet betaald. Ik weet alleen dat de camper op mijn naam werd geschreven. Ik weet nog dat we naar het postkantoor in Uden gingen, direct na het kopen van de camper. Daar gaf [verdachte] me wat geld om het op mijn naam te zetten.”

[betrokkene 3] heeft voorts bij de rechter-commissaris verklaard dat hij samen met [betrokkene 4]([betrokkene 4], Rb) met de camper van Casablanca naar Tanger is gereden met het plan om daar met de boot naar Algeciras te varen. Bij de douane werden ze echter aangehouden. “Toen de douane de drugs eruit haalde heb ik twee grote blokken gezien. Dat was gewoon hasj, dat kon je zien. [betrokkene 3] heeft voorts verklaard dat hij in Malaga telefonisch contact met [verdachte] heeft gehad om te zeggen dat hij daar was aangekomen. [verdachte] gaf hem de opdracht Marokko te betreden waar hij contact moest opnemen met mensen die voor de rest zouden zorgen. In een eerder verhoor in Marokko heeft [betrokkene 3] verklaard dat hij de man op de getoonde foto (betreft foto van [verdachte], rb) herkent als de [verdachte] met wie hij samen naar Uden is gegaan.

Bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] aan de [adres] in [woonplaats] heeft de politie een proces-verbaal van de rechter-commissaris in beslaggenomen dat in de Arabische taal is geschreven en betrekking heeft op twee personen: [betrokkene 4] en [betrokkene 3]. [verdachte] heeft geen verklaring hierover af willen leggen.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met anderen in de periode van 25 juli tot en met 21 augustus 2007 een hasjtransport heeft verricht. De rol van [verdachte] was daarbij groter dan hij zelf doet voorkomen. Niet alleen was hij betrokken bij de aanschaf van de camper waarmee het transport plaatsvond, zoals blijkt uit de verklaringen van [getuige] en [betrokkene 3], hij onderhield ook het contact met (één van) de chauffeur(s) en gaf [betrokkene 3] geld om de camper op zijn naam te zetten. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank een nauwe en bewuste samenwerking af met anderen (waaronder [betrokkene 3] en [betrokkene 4]s) voor wat betreft de uitvoering van het hasjtransport in juli en augustus 2007.

3.6 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

1.

in de periode van 07 januari 2008 tot en met 12 januari 2008 te Bilthoven, gemeente De Bilt, en te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [medeverdachte 6] en [aangever 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, [verdachte], en zijn mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk die [medeverdachte 6] gebeld en met een smoes naar het adres [adres] te Bilthoven gelokt

en

die [medeverdachte 6] aldaar vastgepakt en opgetild en voormelde woning ([adres]) ingedragen en/of ingetrokken terwijl tegen die [medeverdachte 6] (op dreigende toon) werd gezegd "meekomen jij"

en

die [aangever 2] gedwongen mee die woning in te gaan

en

die [medeverdachte 6] op de bank gesmeten en met kracht op het gezicht gestompt

en

die [medeverdachte 6] gefouilleerd en haar telefoon afgepakt

en

tegen die [medeverdachte 6] en die [aangever 2] gezegd:"je laatste uur heeft geslagen" en "jullie komen hier niet levend weg, jij niet en jij niet, want jullie hebben onze gezichten gezien en we kunnen jullie niet meer laten gaan"

en

vervolgens die [medeverdachte 6] en die [aangever 2] gedwongen plaats te nemen in een auto

en hen daarmee vervoerd naar een andere woning te weten de [adres] te [woonplaats]

en

die [medeverdachte 6] en die [aangever 2] gedwongen naar die andere woning te lopen

en

aldaar (in die woning op de [adres]) die [medeverdachte 6] en die [aangever 2] telkens in de gaten gehouden

en

(op dreigende toon) tegen die [medeverdachte 6] en die [aangever 2] gezegd "als er eentje wegloopt, dan betaalt de ander"

en

die [medeverdachte 6] en die [aangever 2] meermalen bedreigd door snijgebaren langs de keel- en schietgebaren tegen het hoofd te maken en

en

die [medeverdachte 6] handboeien omgedaan

en

die [medeverdachte 6] in het gezicht gestompt

en

een mes tegen een vinger van die [medeverdachte 6] gelegd en gedreigd haar hand eraf te snijden ("couper la main")

en

telkens die [medeverdachte 6] en die [aangever 2] belemmerd om te gaan en te staan waar zij dat wilden;

2.

omstreeks 01 januari 2007 tot en met 08 april 2008 in Nederland en in Marokko en in Spanje heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, zijnde handelen in strijd met in artikel 11, tweede en/of vierde lid van de Opiumwet, in verband met artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet,

te weten:

- het opzettelijk vervoeren van grote hoeveelheden hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet; en/of

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van grote

hoeveelheden hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet;

3. Primair

in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 oktober 2007 te Marokko en te Spanje tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd

een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van

de Opiumwet, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige

elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II;

4. Primair

in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 december 2007 te Marokko tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II;

5. Primair

in de periode van 25 juli 2007 tot en met 21 augustus 2007 te Marokko tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd een grote hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, van ongeveer 1370 kilogram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1. Medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd;

2. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet;

3, 4 en 5: Telkens medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

4.2 De strafbaarheid van [verdachte]

[verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan [verdachte] op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden met aftrek van de periode die [verdachte] reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om [verdachte] een kortere vrijheidsstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de [verdachte].

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten.

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen vervoeren van grote hoeveelheden softdrugs en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die dit ook als oogmerk had.

Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Dit is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van [verdachte] wordt dit restrictieve beleid doorkruist. De rechtbank heeft bij de zwaarte van de straf in het bijzonder rekening gehouden met de positie die [verdachte] binnen de criminele organisatie had en het feit dat hij bij de uitoefening van de werkzaamheden binnen de organisatie gebruik maakte van middelen om deelnemers van de criminele organisatie en hun familieleden onder druk te zetten en te bedreigen. Het meest vergaande drukmiddel waarvan bewezen is dat [verdachte] zich daarvan heeft bediend, is de ontvoering van [medeverdachte 6] en [aangever 2]. De psychische gevolgen daarvan voor de slachtoffers zijn ernstig en de rechtbank laat dit zwaar meewegen bij de duur van de door haar op te leggen straf. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van voornoemde duur passend en geboden is.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [medeverdachte 6] vordert een schadevergoeding van € 510,-- bij wijze van voorschot op de immateriële schade die zij heeft geleden ter zake van feit 1.

De rechtbank acht de vordering in casu niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 47, 57, 282 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 11 en 11a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.6 is omschreven;

- spreekt [verdachte] vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

? feit 1: Medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd;

? feit 2: Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet;

? feit 3 primair, feit 4 primair en feit 5 primair: Telkens medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Strafoplegging

- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf van 5 jaar;

- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Benadeelde partij:

- verklaart de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. J.F. Dekking en mr. H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2009.