Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ2160

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
10-07-2009
Zaaknummer
16-600353-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte deelnam aan een criminele organisatie die zich bezighield met handel in en transport van hasj in Nederland, Spanje en Marokko. Verdachte is ook schuldig aan twee hasjtransporten in oktober en december 2007.De rechtbank legt een gevangenisstraf van twee jaar op. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten. Verdachte had zich binnen de criminele organisatie een positie verworven die de rol van een chauffeur van hasjtransporten oversteeg. Geen schending van art. 5 en 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600353-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1950 te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

raadsman mr. J. Michels, advocaat te Amersfoort.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 juni 2009 en 23 juni 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De behandeling van de zaak tegen verdachte heeft niet gelijktijdig, maar in dezelfde periode plaatsgevonden als de behandeling van de zaken tegen haar medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7]. Verdachte en haar medeverdachten zullen in het navolgende respectievelijk ‘[verdachte]’, ‘[medeverdachte 1]’, ‘[medeverdachte 2]’, ‘[medeverdachte 3]’, ‘[medeverdachte 4]’, ‘[medeverdachte 5]’ en ‘[medeverdachte 7]’ worden genoemd.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is nader omschreven overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]:

1. van 1 januari 2007 tot en met 8 april 2008 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met de handel in en het transport van hasjiesj

2. in oktober 2007 samen met anderen een hasjtransport heeft gedaan in Marokko en Spanje

3. in december 2007 samen met anderen een hasjtransport heeft gedaan in Marokko en Spanje.

3. De voorvragen

3.1. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1. Het standpunt van de verdediging

Algemeen

De raadsman heeft een beroep gedaan op de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie in de verdere vervolging van [verdachte].

Hij heeft daarbij ten aanzien van feit 1 bepleit dat de rechtbank de officier van justitie

niet ontvankelijk verklaart in de vervolging nu het oogmerk van de criminele organisatie niet gericht is geweest op het in Nederland plegen van strafbare feiten.

De raadsman heeft verder een beroep gedaan op schending van het gelijkheidsbeginsel, schending van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, schending van het recht op effectieve rechtsbijstand, onnodige inperking van het consultatierecht, dit in samenhang met schending van artikel 5 en 6 van het EVRM ter zake van de vordering nadere omschrijving van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

Deze schendingen leveren in onderlinge samenhang bezien een ernstige inbreuk op, op de beginselen van een behoorlijk strafproces, waardoor doelbewust en/of met grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] afbreuk wordt gedaan op haar recht op een eerlijk proces.

a. Het gelijkheidsbeginsel

De raadsman heeft gewezen op het verschil in vervolging van [verdachte] en [G] en van [verdachte] en [betrokkene 2]. Dit verschil kan niet worden verklaard met een verwijzing naar artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering.

b. De schending van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering

De raadsman stelt dat [verdachte] tijdens haar aangifte op 13 en 14 januari 2008, waarbij zij zichzelf ook belastte ten onrechte niet de cautie heeft gehad. Ook in haar verhoor van 22 januari 2008 werd haar ten onrechte geen cautie gegeven. Hieraan dienen consequenties te worden verbonden.

c. De inperking van het recht op effectieve rechtsbijstand en onnodige inperking van het consultatierecht

De raadsman heeft aangevoerd dat [verdachte] tijdens haar verhoren meermalen om de aanwezigheid van haar raadsman heeft verzocht dan wel de mogelijkheid tot consultatie. Deze mogelijkheid werd haar niet geboden, de verbalisanten vroegen stug door. Daarmee werd het recht op effectieve rechtsbijstand alsmede het consultatierecht onnodig ingeperkt. Hieraan dienen in het licht van de uitspraken van het EHRM in de zaken [x] en [y] consequenties te worden verbonden.

d. De schending van artikel 5 lid 2 en 3 en 6 lid 3 onder a van het EVRM ter zake van de vordering nadere omschrijving ex artikel 314a van het wetboek van Strafvordering

De raadsman heeft aangevoerd dat [verdachte] zeer lang heeft moeten wachten op de exacte aard en omvang van de tegen haar gerezen verdenking, namelijk 15 maanden.

Daarvoor is geen rechtvaardiging aan te voeren en dit is in strijd met bovenstaande artikelen.

3.1.2. Het standpunt van de officier van justitie

Algemeen

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het oogmerk van de organisatie in casu mede inhield het binnen Nederland brengen van de drugs.

a. Het gelijkheidsbeginsel

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in casu geen sprake is van

gelijke gevallen. De verdenkingen betreffen niet dezelfde feiten.

b. De schending van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering

De officier van justitie heeft aangevoerd dat aan [verdachte], nadat zij zichzelf is gaan belasten, wel degelijk de cautie is geven.

Bovendien is zij eerder met politie en justitie in aanraking geweest ( de rechtbank begrijpt dat de officier van justitie bedoelt dat [verdachte] op grond van eerdere ervaringen weet hoe verhoren gaan en haar positie van verdachte kent) en heeft zij haar verklaringen herhaald toen zij rechtsbijstand had. Zij is niet in haar belangen geschaad.

c. De inperking van het recht op effectieve rechtsbijstand en onnodige inperking van het consultatierecht

De officier van justitie heeft aangevoerd dat [verdachte] haar verklaringen heeft herhaald op het moment dat zij rechtsbijstand had waardoor geen consequenties dienen te worden verbonden aan een mogelijke onvoldoende toegang tot de raadsman.

d. De schending van artikel 5 lid 2 en 3 en 6 lid 3 onder a van het EVRM ter zake van de vordering nadere omschrijving ex artikel 314a van het wetboek van Strafvordering

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het weliswaar lang heeft geduurd voordat de

nadere omschrijving is gedaan, maar dat daaraan geen consequenties dienen te worden verbonden. De officier van justitie betrekt daarbij de volgende feiten en omstandigheden:

van aanvang af is de verdenking ter zake artikel 11a Opiumwet kenbaar gemaakt, het betreft een complexe zaak en de nadere uitwerking bevat niet volstrekt nieuwe zaken en houdt derhalve geen verrassing is.

3.1.3. Het oordeel van de rechtbank

Algemeen

De rechtbank is van oordeel dat het in casu gaat om een Nederlander die verdacht wordt van het plegen van strafbare feiten die in het andere land ook strafbaar zijn, terwijl de vraag of het oogmerk van de organisatie (mede) gericht was op het plegen van strafbare feiten in Nederland dient te worden gesteld bij de vragen omtrent het bewijs. Deze vraag raakt in casu niet de ontvankelijkheid van de officier van justitie. Het verweer wordt verworpen.

a. Het gelijkheidsbeginsel

De rechtbank is van oordeel, dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Er is geen sprake van zaken die zowel op het punt van de haalbaarheid als op het punt van de opportuniteit geheel overeenstemmen. De verdenkingen betreffen niet dezelfde feiten.

b. De schending van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering.

[verdachte] is voor het eerst als verdachte gehoord op 12 januari 2008 ( blz. 5760 dossier). Zij heeft toen de cautie gehad. Op 13 januari 2008 heeft zij aangifte gedaan van wederrechtelijke vrijheidsberoving.( blz. 5790 dossier) De eerste zinnen van de aangifte luiden :

“Ik doe hierbij aangifte van ontvoering. U heeft mij verteld dat ik niet tot antwoorden verplicht ben. U heeft mij dit al eerder verteld, omdat ik gisteren als verdachte ben aangehouden. Het is mij allemaal duidelijk en ik wil verklaren over wat er is gebeurd.”

Op 14 januari 2008 heeft er weer een verhoor plaatsgevonden.( blz. 5804 dossier) Dit verhoor vond plaats door dezelfde verbalisanten als op 13 januari 2008. De eerste zin van de verklaring luidt :

“in aansluiting op mijn eerdere verklaring, ga ik nu verklaren over…”

Bij dit verhoor is de cautie niet herhaald. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft dit ook niet nu dit nieuwe verhoor een voortzetting is van het voorafgaande verhoor door dezelfde verbalisanten.

[verdachte] is vervolgens op 16 januari 2008 gehoord waarbij haar de cautie is gegeven ( blz. 5814 dossier)

Op 22 januari 2008 is zij gehoord als aangeefster/benadeelde. Haar is toen niet de cautie gegeven. Gelet op de inhoud van dat proces-verbaal is zij toen niet als verdachte gehoord, raken de vragen ook niet haar positie als verdachte en hoefde aan haar mitsdien ook niet de cautie te worden gegeven.

c. De inperking van het recht op effectieve rechtsbijstand en onnodige inperking van het consultatierecht

De rechtbank stelt het volgende vast :

[verdachte] is (als aangeefster) vanaf 12 januari 2008 diverse malen gehoord (zie hierboven

onder b.) waarbij haar ook de cautie is gegeven. Het laatste verhoor was 30 januari 2008. Zij heeft daarbij niet te kennen gegeven contact te willen hebben met of bijstand te wensen van een raadsman. Zij was daarbij niet aangehouden, noch in verzekering gesteld en bevond zich ook niet in voorlopige hechtenis.

[verdachte] is op 26 maart 2008 om 11.30 uur aangehouden als verdachte van overtreding van de Opiumwet. Zij is tot 12.00 uur verhoord en heeft een verklaring afgelegd.

Om 12.00 uur is het verhoor onderbroken voor voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie. Om 12.25 uur is het verhoor voortgezet en heeft [verdachte] een verklaring afgelegd.

Het verhoor is beëindigd om 16.00 uur. Om 16.10 uur is een volgend verhoor gestart.

[verdachte] gaf daarbij uitdrukkelijk te kennen dat zij eerst haar advocaat wilde spreken.(blz. 5873 dossier) Uit het proces-verbaal blijkt niet dat verbalisanten daarop het verhoor hebben onderbroken of actie hebben ondernomen.

Het verhoor is voortgezet en [verdachte] heeft de vragen beantwoord. Om 16.30 uur is het verhoor onderbroken voor de inverzekeringstelling procedure van [verdachte].

Om 16.35 uur is het verhoor weer voortgezet tot 17.00 uur en [verdachte] heeft antwoord gegeven op gestelde vragen. Op 26 maart 2008 is [verdachte] bezocht door de raadsman mr.

E.J. de Groot. Op 27 maart 2008 om 9.30 uur is het volgende verhoor gestart. [verdachte] heeft daarin direct aangegeven dat zij is bezocht door mr. De Groot (blz. 5877 dossier), terwijl zij had gevraagd om mr. Michels. Zij geeft aan met mr. Michels te willen spreken voordat zij verder gaat met het verhoor, omdat die andere advocaat haar zaak niet kent. Mr. Michels kent haar zaak vanaf het begin, aldus [verdachte].

Vervolgens is [verdachte] om 9.35 uur in de gelegenheid gesteld contact op te nemen met mr. Michels. Blijkens het proces-verbaal is uit dat contact naar voren gekomen dat mr. Michels wel was geïnformeerd door het advocatenpiket, maar dat desondanks een piket-advocaat werd gestuurd. [verdachte] en het kantoor van mr. Michels maken de afspraak dat mr. Michels bij [verdachte] langskomt wanneer hij hiervoor in de gelegenheid is.

[verdachte] heeft vervolgens aan de verbalisanten te kennen gegeven dat zij pas verder wil praten als zij haar advocaat heeft gesproken. De verbalisanten hebben desondanks het verhoor voortgezet tot 10.55 uur en [verdachte] heeft de vragen beantwoord.

Op 28 maart 2008 is de [verdachte] verhoord door de rechter-commissaris. Bij dat verhoor was aanwezig Mr. Tuma (een kantoorgenoot van mr. Michels).

Het oordeel van de rechtbank

De Hoge Raad heeft in de uitspraken : LJN: BH 3079, LJN: BH 3081 en LJN: BH 3084

de dis. 30-6-2009 uit de rechtspraak van het EHRM afgeleid dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan artikel 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat haar de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande haar betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen.

Dit brengt mee dat de aangehouden verdachte voor de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op haar recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval

dat zij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal haar binnen de grenzen van het redelijke gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken. Niet naleving levert in beginsel een vormverzuim op

als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Dit vormverzuim zal in de regel dienen te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat zij een advocaat kon raadplegen en derhalve niet tot niet ontvankelijkheid van de officier van justitie, aldus de Hoge Raad.

Vaststaat dat [verdachte] voor het eerste verhoor, nadat zij was aangehouden, niet is gewezen op haar recht om een advocaat te raadplegen.

Toen [verdachte] zelf na de start van het 2e verhoor van 16.10 uur heeft aangegeven dat zij een advocaat wilde raadplegen is haar die gelegenheid niet geboden. Daarmee is sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Dit verzuim leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, omdat geen sprake is van een doelbewuste schending of grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte]. Voor het overige bespreekt de rechtbank dit verweer niet, omdat deze verklaringen niet gebruikt worden voor het bewijs.

Ten aanzien van het verzoek van [verdachte] op 27 maart 2008 om met haar voorkeursadvocaat mr. Michels te kunnen overleggen, overweegt de rechtbank als volgt. Op 26 maart 2008 is [verdachte] – na haar inverzekeringstelling - bezocht door een piketadvocaat. Uit het proces-verbaal maakt de rechtbank op dat het bezoek door een piketadvocaat kennelijk een keuze is geweest van het advocatenkantoor van de voorkeursadvocaat mr. Michels.

Vervolgens is [verdachte] op 27 maart 2008 conform haar verzoek door de verbalisanten in de gelegenheid gesteld om contact op te nemen met mr. Michels. Toen dat persoonlijke contact niet lukte en [verdachte] aangaf niet verder te willen praten hebben verbalisanten het verhoor tot 10.55 uur voortgezet en [verdachte] heeft antwoord gegeven op de gestelde vragen.

Deze gang van zaken op 27 maart 2008 leidt niet tot de niet –ontvankelijkheid van de officier van justitie, omdat er geen sprake is van een behandeling van de zaak die niet aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. De rechtbank overweegt daarbij dat [verdachte] op 26 maart 2008 is bezocht door een piketadvocaat en aldus een advocaat heeft kunnen raadplegen en aan haar tevens de in artikel 29, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering bedoelde mededeling is gedaan dat zij niet tot antwoorden verplicht is. Hieraan doet niet af dat [verdachte] liever haar voorkeursadvocaat had willen raadplegen nu deze kennelijk niet in de gelegenheid was haar te bezoeken cq te spreken.

d. De schending van artikel 5 lid 2 en 3 en 6 lid 3 onder a van het EVRM ter zake van de vordering nadere omschrijving ex artikel 314a van het wetboek van Strafvordering

[verdachte] is op 28 maart 2008 voorgeleid bij de rechter- commissaris op grond van verdenking van artikel 11a van de Opiumwet. Voor de zitting van 9 juli 2008 heeft de officier van justitie volstaan met een dagvaarding ex artikel 261, 3e lid van het Wetboek van Strafvordering. [verdachte] heeft de voorlopige hechtenis ondergaan tot 11 december 2008. Zij is per die datum geschorst. Het onderzoek was toen nog niet voltooid.

Het betreft een omvangrijk dossier van 14 ordners en meerdere verdachten. In de zaak van [verdachte] zijn 12 getuigen door de rechter-commissaris gehoord, waarvan het laatste getuigenverhoor heeft plaatsgevonden op 4 februari 2009. De vordering nadere omschrijving is overgelegd ter zitting van 5 maart 2009. In deze nadere omschrijving zijn naast de verdenking van artikel 11 a Opiumwet tevens twee zogenaamde transporten opgenomen, die zouden vallen onder de activiteiten van de organisatie als ten laste gelegd onder 11a van de Opiumwet.

De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden vanaf 15 juni 2009.

Hoewel het geruime tijd heeft geduurd voordat [verdachte] de definitieve tenlastelegging heeft ontvangen is er, gelet op de omvang van en het onderzoek in de zaak

en de inhoud van de definitieve verdenking, geen sprake van schending van artikel 5 of 6 van het EVRM. Hieraan doet niet af dat de officier van justitie heeft verzuimd de nadere omschrijving van de tenlastelegging op last van de rechtbank aan [verdachte] en haar raadsman te betekenen, nu deze nadere omschrijving ter terechtzitting van 15 juni 2009 alsnog aan [verdachte] en raadsman is overhandigd en dezen er blijk van hebben gegeven daarvan al op de hoogte te zijn. Zij hebben ook niet meer om aanhouding verzocht.

De rechtbank merkt reeds hier op dat bij gebreke van een schending van deze artikelen de vraag van strafmitigering op die grond niet verder behoeft te worden beantwoord.

4. De beoordeling van het bewijs

De rechtbank merkt voorafgaand op dat bij het navolgende in de voetnoten wordt verwezen naar paginanummers. Deze pagina 's maken deel uit van in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde ambtenaren opgemaakte, ambtsedige processen-verbaal en daarbij gevoegde bescheiden. Die processen verbaal zijn gebundeld en doorlopend genummerd 1 tot en met 6407. In die processen-verbaal zijn onderzoeksbevindingen gerelateerd en verklaringen van personen die zijn ver- of gehoord.

De rechtbank merkt voorts op dat zij, nu het dossier een veelheid aan verklaringen bevat van verdachten die belastend verklaren over medeverdachten en, gelet op hun positie, daar zelf een belang bij kunnen hebben, met behoedzaamheid gebruik maakt van deze verklaringen en slechts voorzover zij op belangrijke punten ondersteund worden door andere wettige bewijsmiddelen in het dossier.

4.1. Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier T02: criminele organisatie)

4.1.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] heeft deel uitgemaakt van een organisatie die tot oogmerk had het vervoeren van hoeveelheden softdrugs. De officier van justitie acht bewezen dat [verdachte] binnen de organisatie als chauffeur heeft opgetreden en dat zij daarnaast ook een ander, te weten [G], heeft geronseld als chauffeur.

4.1.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 niet tot een bewezenverklaring kan komen omdat er geen sprake is geweest van een criminele organisatie. Volgens de raadsman is er sprake van afzonderlijke rivaliserende groepen en individuen. Uit het dossier blijkt van een ‘groep [betrokkene 1]’ en een ‘groep [medeverdachte 1]’ die onderling rivaliseerden vanwege in het verleden verdwenen transporten. Het is opvallend dat [medeverdachte 1] verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de vermeende criminele organisatie, terwijl hij ook heeft gesteld zelf geen deel uit te maken van deze criminele organisatie. Indien [verdachte] als deelnemer van de criminele organisatie kan worden aangemerkt, is haar betrokkenheid van te korte duur geweest om van een daadwerkelijke deelname te kunnen spreken.

4.1.3. Het oordeel van de rechtbank

Uit het geheel van de door diverse verdachten en getuigen in dit dossier afgelegde verklaringen alsmede overgelegde geschriften komt het beeld naar voren van een criminele organisatie die zich bezig hield met het organiseren van transporten van hasj vanuit Marokko naar Spanje en vanaf daar naar Nederland. Voor de organisatie van de transporten werden diverse werkzaamheden verricht door verschillende personen binnen de criminele organisatie, die zich ten opzichte van elkaar in een bepaalde samenwerkingsstructuur en hiërarchie bevonden. De voertuigen waarmee de transporten moesten worden uitgevoerd (voornamelijk campers), werden door leden van de organisatie in Nederland gekocht en op naam gesteld van de chauffeurs, die geronseld werden om tegen betaling de campers over te brengen naar Marokko en daarna van Marokko naar Spanje. Vanuit Nederland werden de campers op kosten van de organisatie naar Marokko gereden, waar ze speciaal werden geprepareerd en enige tijd bleven staan om door andere leden van de criminele organisatie volgeladen te worden met hasj. Ondertussen verbleven de chauffeurs van de campers in Marokko op kosten van de organisatie. Vervolgens moesten de chauffeurs met de volgeladen campers naar de veerboot van Marokko naar Spanje rijden en daar de overtocht maken. De douane werd door leden van de criminele organisatie omgekocht, zodat de campers met verdovende middelen ongehinderd het land konden verlaten. In Malaga werden de campers opgewacht en overgenomen door andere leden van de criminele organisatie. De chauffeurs van de campers verbleven in hotels in Spanje totdat de campers waren uitgeladen en teruggebracht konden worden naar Marokko voor een volgend transport. De verdovende middelen werden in Spanje tijdelijk opgeslagen om vervolgens overgeladen te worden in vrachtwagens, die de verdovende middelen naar Nederland zouden brengen. Daar aangekomen werden de verdovende middelen verdeeld voor de verkoop in Nederland of voor verdere smokkel naar Engeland en/of Scandinavië.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan deze organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, bestaande uit – kort gezegd – het vervoeren van grote hoeveelheden hasjiesj en het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van die hoeveelheden hasjiesj. Uit de hierna te noemen bewijsmiddelen blijkt de (werkwijze van de) organisatie en de rol van [verdachte] binnen die organisatie. De rechtbank is – in tegenstelling tot de verdediging – van oordeel dat de periode waarin [verdachte] betrokken was bij de criminele organisatie niet redengevend is voor de vraag of zij deel heeft genomen aan die organisatie.

- [medeverdachte 4] werkte in Nederland voor [betrokkene 1], die in Malaga woont. [betrokkene 1] deed de hasjtransporten van Marokko naar Malaga. De campers waarmee de hasj werd vervoerd, werden in Marokko speciaal geprepareerd om grote hoeveelheden te kunnen verbergen. De douane aan zowel de Marokkaanse als Spaanse kant werd omgekocht om de transporten te laten passeren. De Hollanders, waaronder [medeverdachte 4], deden de transporten van Malaga naar Nederland. [medeverdachte 4] regelde de zaken voor [betrokkene 1] in het Amersfoortse en het Utrechtse. Hij knapte de vuile zaken op als er dingen fout waren gegaan. [medeverdachte 4] bezocht dan die mensen. De hasj werd van Malaga naar Nederland vervoerd met vrachtauto’s van Nederlandse bedrijven die op Spanje reden. De drugs werden in de buurt van Amersfoort uitgeladen. [medeverdachte 4] regelde dit vervoer. De hasj ging naar Scandinavië en Engeland en de goede kwaliteit hasj bleef in Nederland.

- [medeverdachte 4] heeft op 13 augustus 2007 een camper (kenteken) gekocht en betaald , waarmee hasj vervoerd zou worden van Marokko naar Spanje . Hij was toen in gezelschap van [medeverdachte 2].

- [medeverdachte 4] heeft tezamen met [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] gevraagd om de camper op zijn naam te zetten en deze naar Marokko te brengen. [medeverdachte 4] heeft daartoe de verzekeringspapieren aan [medeverdachte 3] gegeven en € 1.300,- voor onkosten. [medeverdachte 3] heeft de camper op zijn naam gezet en deze vervolgens in augustus 2007 naar Marokko gereden. In Marokko werd de camper overgenomen door [betrokkene 1].

- [medeverdachte 1] heeft [verdachte] op haar verzoek in contact gebracht met [betrokkene 1] opdat zij hasjtransporten zou rijden van Marokko naar Spanje. [medeverdachte 1] heeft [betrokkene 1] in oktober 2007 in Malaga gesproken.

- [G] is door [verdachte] gevraagd om eveneens hasj te halen uit Marokko. In dat verband is hij met [medeverdachte 1] naar het postkantoor gegaan om een Fiat busje op zijn naam te laten zetten. In september 2007 is [G] samen met [verdachte] met dat busje naar Marokko gereden. [verdachte] had tijdens die reis nagenoeg dagelijks contact met [medeverdachte 1], onder andere over de vraag wanneer het busje geladen zou worden.

- [medeverdachte 1] heeft meermalen geld overgemaakt naar [verdachte] en [G], toen zij in Marokko waren. Dat geld was afkomstig van [betrokkene 1]. [medeverdachte 4] heeft in Marokko aan [verdachte] en [G] een geldbedrag gegeven om onkosten te dekken.

- [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben in oktober 2007 de camper met kenteken [kenteken], die geladen was met een grote hoeveelheid hasj, overgebracht van Marokko naar Spanje. [medeverdachte 4] heeft de camper in de buurt van Malaga overgenomen van [verdachte] en [medeverdachte 3]. De camper was van [betrokkene 1]. [medeverdachte 3] wachtte in een hotel in Malaga totdat hij naar Marokko zou gaan om weer een transport te rijden.

- [betrokkene 2] is door [medeverdachte 2] gevraagd om een busje op zijn naam te zetten en deze naar Marokko te brengen. Onderweg naar Marokko, heeft [betrokkene 2] in Malaga van [medeverdachte 4] geld ontvangen voor de boot naar Marokko. In Marokko heeft [medeverdachte 4] [betrokkene 2] gevraagd om het busje met het spul, waarmee hasj werd bedoeld, terug te rijden. Toen [betrokkene 2] weigerde om het busje terug te rijden, heeft [medeverdachte 4] hem bedreigd. Als [betrokkene 2] geld nodig had, belde hij met [medeverdachte 2] en die moest dan eerst [medeverdachte 4] bellen.

- [medeverdachte 1] heeft onkosten betaald van [medeverdachte 3] en [betrokkene 2] toen deze in oktober 2007 in Malaga zonder geld zaten.

- [betrokkene 2] is, toen hij in Marokko was, gebeld door [medeverdachte 1], die zei dat hij belazerd was door [medeverdachte 4] en nog iemand anders en dat hij de hasj in het busje, dat [betrokkene 2] zou rijden, wilde terugpakken. [verdachte] probeerde [betrokkene 2] en [medeverdachte 3] in Marokko over te halen om het busje en de camper, gevuld met drugs, te rijden. Onderweg zou [verdachte], voordat de bus en camper de grens over zouden gaan, iets in scène zetten zodat de camper en de bus zouden verdwijnen.

- [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben in december 2007 de camper, die op naam stond van [medeverdachte 3] en die wederom geladen was met een grote hoeveelheid hasj, vanaf Rabat gereden naar Tanger met de bestemming Malaga. In Tanger kregen ze een seintje van [medeverdachte 4] dat ze door konden rijden naar de douane. Op de route naar de douane, is de camper met inhoud verdwenen.

- [medeverdachte 1] heeft meermalen geld overgemaakt naar [medeverdachte 3] in de periode van oktober 2007 tot en met januari 2008.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder 4.4. aangegeven.

4.2. Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier T03: transport oktober 2007)

4.2.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 3] een hoeveelheid van 1700 kilo hasj hebben vervoerd in een camper in Marokko en Spanje. De officier van justitie baseert zich daarbij onder meer op de inhoud van de verklaringen van [verdachte] zelf, [medeverdachte 1], [G], [medeverdachte 3], [betrokkene 2], [medeverdachte 4] en [betrokkene 3].

4.2.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] heeft gereden met een camper die was gevuld met hasj. Het klopt dat [verdachte] naar Malaga is gereisd, maar zij ging daarnaar toe om medicijnen te halen. Dat er geen hasjtransport heeft plaatsgevonden volgt uit de verklaring van [medeverdachte 4], die aangeeft dat zijn rol was de chauffeurs te begeleiden bij de transporten, terwijl hij ook heeft verklaard dat het zover niet is gekomen. De verklaringen van [G], [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] zijn niet bruikbaar voor het bewijs. [G] koestert wrok jegens [verdachte] en zijn verklaringen bevatten veel conclusies in plaats van waarnemingen. De verklaring van [medeverdachte 1] is voor wat betreft het aantal transporten dat hij noemt in tegenspraak met de reisbewegingen van [medeverdachte 3] en [verdachte]. Hij heeft zich bij de rechter-commissaris beroepen op zijn verschoningsrecht, waardoor zijn verklaring slechts bruikbaar is voor het bewijs als het in overwegende mate gesteund wordt door andere wettige en verifieerbare bewijsmiddelen. Ook de verklaring van [betrokkene 2] bevat conclusies in plaats van eigen waarnemingen.

4.2.3. Het oordeel van de rechtbank

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat zij tegelijk met [medeverdachte 3] op de boot van Marokko naar Spanje was en dat ze met hem is meegereden naar Malaga.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij niet meer precies weet wanneer hij naar Malaga is gegaan om ([betrokkene 1], Rb) in Spanje te bezoeken, maar dat het in elk geval na de Ramadan was. Hij heeft daar met [betrokkene 1] gesproken over ([verdachte], Rb). [betrokkene 1] heeft hem daar verteld dat [verdachte] en ([medeverdachte 3], Rb) een transport hadden gedaan en dat er hasj in dit transport had gezeten. Die camper was van [betrokkene 1]. Hij heeft in Malaga de camper gezien die [medeverdachte 3] gereden had. [verdachte] heeft hij niet gezien, omdat zij al weer terug was naar Marokko. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij van [verdachte] en [medeverdachte 3] heeft gehoord dat een camper die met een lading hasj binnenkomt vanaf de haven gevolgd wordt door twee auto’s en dat de camper daarna wordt overgenomen. [medeverdachte 3] heeft hem in Malaga verteld dat hij vanuit Marokko naar Spanje was gereden met [verdachte] en dat het een transport was geweest met de camper waarbij 1700 kg hasj vervoerd was. [medeverdachte 3] vertelde hem dat ze in Casablanca of Rabat de camper hadden gekregen en dat ze, [medeverdachte 3] en [verdachte], hiermee naar Tanger zijn gereden. Vanuit Tanger waren ze met de boot naar Algacira in Spanje gevaren. Vandaar zijn ze richting Malaga gereden, waar ze op een parkeerplaats moesten stoppen en waar ([medeverdachte 4], Rb.) de camper heeft overgenomen. Het hele interieur van de camper was in Marokko verwijderd, de hasj werd ingebracht en het interieur werd dan weer ingebouwd.

Uit de gegevens van de douane, die door de verbindingsofficier bij de Nederlandse ambassade in Rabat werden doorgegeven , blijkt dat [verdachte] 6 bewegingen over de grens heeft gemaakt in 2007. Zij is op 14 september 2007 Marokko in gereisd via de haven van Tanger en zij is op 14 oktober 2007 via dezelfde plek uitgereisd. Daarnaast heeft zij een aantal vliegbewegingen gemaakt: op 15 oktober 2007 is ze via vliegveld Mohammed V Marokko ingekomen en op 19 oktober 2007 weer uitgereisd via vliegveld Nouasser. Uit deze gegevens komt voor wat betreft de grensbewegingen van [verdachte] in 2007 slechts één uitreisbeweging via de haven van Tanger naar voren: op 14 oktober 2007. De rechtbank concludeert hieruit dat het op 14 oktober 2007 geweest is, dat [verdachte] en [medeverdachte 3] –zoals [verdachte] ter zitting verklaarde- in Spanje van dezelfde boot afkwamen. Dit komt overeen met de gegevens die de douane aan de verbindingsofficier bij de Nederlandse ambassade in Rabat over het voertuig met het kenteken [kenteken] heeft verstrekt. Dit voertuig is op 17 augustus 2007 geïntroduceerd in Marokko door [medeverdachte 3] en werd op 14 oktober 2007 via de haven van Tanger door dezelfde persoon weer geëxporteerd. Het voertuig met het kenteken [kenteken] staat in Nederland geregistreerd als Fiat 290, een camper. De rechtbank concludeert dat de gegevens van de verbindingsofficier voor wat betreft dit transport in overeenstemming zijn met de inhoud van de verklaring zoals afgelegd door [medeverdachte 1]. Hieruit blijkt immers dat de camper van [medeverdachte 3] al enige tijd (vanaf 17 augustus 2007) in Marokko verbleef, voordat de camper werd uitgevoerd naar Spanje. Volgens de verklaring van [medeverdachte 1] was enige tijd nodig om de camper om te bouwen teneinde de drugs daarin te verbergen.

De gegevens van de douane zijn onverenigbaar met de verklaring van [verdachte] zelf.

Zij heeft immers verklaard dat [medeverdachte 3] in een donkere personenauto met een Nederlands kenteken reed, terwijl de gegevens van de douane in samenhang met de registratiegegevens van de auto in Nederland uitwijzen dat het voertuig met het kenteken [kenteken] dat door [medeverdachte 3] werd geëxporteerd een camper betreft. De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] op dit punt dan ook ongeloofwaardig. [verdachte] heeft opgemerkt dat de gegevens van de douane niet betrouwbaar zijn, omdat de douane in Marokko omkoopbaar is, maar de rechtbank verwerpt dit verweer. In het dossier wordt weliswaar in diverse verklaringen gesproken over het omkopen van de douane in Marokko om hasjtransporten door te laten (door bijvoorbeeld een voertuig niet te registreren), maar indien dit heeft plaatsgevonden maakt dit de door de douane verstrekte gegevens over de reisbewegingen van verdachten naar het oordeel van de rechtbank niet onbetrouwbaar, maar hooguit onvolledig.

De rechtbank neemt in aanmerking dat [medeverdachte 1] niet de enige is die heeft verklaard dat er in oktober 2007 een grote hoeveelheid hasj is vervoerd door [medeverdachte 3] en [verdachte]. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat de betreffende camper is aangekocht om daarmee hasj te vervoeren van Marokko naar Spanje. Getuige [betrokkene 3], destijds een vriend van [medeverdachte 3], heeft verklaard dat [medeverdachte 3] hem heeft verteld dat hij diep in de schulden zat en dat hij op verzoek van anderen een camper op zijn naam zou zetten en daarmee een grote hoeveelheid hasj uit Marokko zou halen. Hij zou daar € 20.000,- mee verdienen. Medeverdachte [betrokkene 2] heeft voorts verklaard dat [medeverdachte 3] in december 2007, toen hij hem vroeg waarom men de inhoud van de camper wilde stelen [betreft feit 3, T04, Rb], zei dat de vorige keer dat [medeverdachte 3] en [verdachte] hadden gereden, zij hiervoor niets of heel weinig hadden gekregen. Zijn verklaring ondersteunt het bewijs dat er al voor december 2007 een hasjtransport door [verdachte] en [medeverdachte 3] is gedaan.

De omstandigheid dat noch de camper noch enige hasj is aangetroffen, staat niet in de weg aan de bewezenverklaring dat een grote hoeveelheid hasj is vervoerd. Zoals hiervoor weergegeven, spreken direct betrokkenen allen over hasj, die verborgen zou zijn in de camper die speciaal daarvoor was geprepareerd. Voorts zijn er omstandigheden aan te wijzen die het bewijs dat er hasj werd vervoerd, ondersteunen. De rechtbank doelt op het door [betrokkene 3] genoemde bedrag dat [medeverdachte 3] zou ontvangen voor het transport, het volgen van de camper door twee auto’s vanaf de haven, alsmede het omkopen van de Spaanse en Marokkaanse douane.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder 4.4. aangegeven.

4.3. Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier T04: transport december 2007)

4.3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 3] in de maand december 2007 een hoeveelheid hasj heeft vervoerd in Marokko.

4.3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de camper waarmee [verdachte] heeft gereden was gevuld met hasj. De verdediging heeft aangevoerd dat er geen hasj is aangetroffen in de camper en dat [verdachte], [medeverdachte 3] en [betrokkene 2] verklaren dat zij geen hasjies hebben gezien, terwijl [betrokkene 3] heeft verklaard dat er sprake zou zijn geweest van cocaïne.

Er bestaat een alternatief scenario, namelijk dat [betrokkene 1] de verdovende middelen achterover heeft gedrukt nog voordat er met de camper werd gereden en de chauffeurs [medeverdachte 3] en [verdachte] als zondebok hebben gebruikt. De verklaring van [medeverdachte 4] op pagina 6175 wijst in die richting.

[verdachte] heeft bovendien verklaard dat de camper wat betreft besturing en weglegging niet als een beladen camper aanvoelde. Een hoeveelheid van 1700 kg tot 2000 kg is technisch gezien niet mogelijk, omdat deze hoeveelheid het laadvermogen van de camper overstijgt.

4.3.3. Het oordeel van de rechtbank

[verdachte] heeft op 12 januari 2008 bij de politie verklaard dat zij onlangs, in december 2007, samen met [medeverdachte 3] ([medeverdachte 3], Rb.) met een witte Fiat van Rabat naar Tanger is gereden. [verdachte] heeft daarover het volgende verklaard:

(P1= verbalisant [verbalisant 2], V: verdachte [verdachte])

P1: Wat zit daar dan in die camper?

V: Nou wat ik hoorde iets van achttienhonderd kilo.

P1: En wat concreet?

V: Nou Hasjies had hij het over.

[verdachte] heeft in hetzelfde verhoor bij de politie verklaard dat zij niet met de veerboot is overgegaan en dat ‘ze’ twee ton kwijt zijn aan de douane. Zij heeft voorts verklaard dat de camper in Tanger is overgenomen door mensen en dat ze vanaf Ramadal gevolgd zijn door dezelfde mensen:

P1: En over hoeveel mensen heb je het dan?

V: Een hele groep. Dan zie je een witte auto, dan zie je een blauwe auto dan een zwarte auto. En overal waar je loopt zie je mensen. Misschien omdat zoveel waarde in die auto zit.

[verdachte] heeft ook verklaard dat zij in september-oktober 2007 al met [G] voor zijn veiligheid was meegegaan naar Marokko, omdat hij daar hasj zou gaan halen. Ze heeft verklaard dat hij in een Fiat Ducato reed en dat het busje in Rabat bleef bij de mensen die de hasj in de auto hadden gestopt en dat zij € 1.000,-- van die mensen kregen om hun hotel van te betalen. Van ‘die mensen’ moest zij ook met [medeverdachte 3] mee, omdat die zijn been had gebroken. Ze moest met [medeverdachte 3] de auto overrijden naar Malaga met 1700-1800 kilo hash. Wanneer zij dat niet zou doen, zou het haar

€ 150.000,-- kosten.

[medeverdachte 1] heeft bevestigd dat de camper die door [medeverdachte 3] en [verdachte] gereden werd bedoeld was voor het vervoeren van hasj. Toen ([medeverdachte 3], Rb.) hem in Malaga een Fiat Ducato camper toonde, hoorde hij van hem dat de camper leeg was en klaar was om weer terug te gaan naar Marokko. Over deze camper heeft [medeverdachte 1] het volgende verklaard:

[medeverdachte 3] vertelde mij dat hij vanuit Marokko naar Spanje was gereden met [verdachte]. Dit was een transport geweest met de camper. Dit betreft een Fiat Ducato camper. Deze camper stond op naam van [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] vertelde mij dat er 1700 kg hash mee vervoerd was. Ik geloofde dit niet. Deze hash was “gestasht”. Ik heb gehoord dat ze in Marokko het gehele interieur verwijderen, de hash inbrengen en dan het interieur weer inbouwen. [medeverdachte 3] vertelde dat de camper speciaal was, de camper had dubbellucht achter, om het wiebelen tegen te gaan als de camper zwaar beladen zou zijn. De camper zou door [medeverdachte 3] alleen teruggebracht worden naar Marokko. [medeverdachte 3] zou dan een paar weken in Marokko blijven en dan samen met [verdachte] weer teruggaan naar Spanje, net als de eerste keer.

Ook [medeverdachte 4] heeft verklaard dat ([verdachte], Rb.) en een andere persoon het spul, waarvan hij onomwonden verklaart dat dat hasjies betrof, met een camper van Rabat naar Tanger heeft gereden.

De rechtbank heeft er dan ook geen twijfel over dat [verdachte] samen met anderen in december 2007 een grote hoeveelheid hasj heeft vervoerd in Marokko. [verdachte] heeft weliswaar ter zitting verklaard dat zij denkt met een lege camper gereden te hebben omdat de camper in bochten niet zwaar stuurde, maar dit gegeven komt overeen met hetgeen [medeverdachte 1] heeft verklaard over het prepareren van de camper. Het aanpassen van de technische constructie van de camper gebeurde met het oog op de besturing en de laadmogelijkheden van de camper. Dat [verdachte] met een lege camper zou hebben gereden, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Niet alleen is haar verklaring ter terechtzitting in tegenspraak met de door haar eerder bij de politie afgelegde verklaring , het rijden met een lege camper is moeilijk te verklaren vanuit de andere omstandigheden die zij heeft geschetst, namelijk dat er twee ton betaald is voor de oversteek van de camper van Marokko naar Spanje aan de douane, dat zij een vergoeding ontving van mensen in Marokko voor de kosten van haar hotel in Marokko, de hoogte van de boete die zij zou moeten betalen wanneer zij de camper niet zou overbrengen naar Malaga, het feit dat de camper gevolgd werd door een groep van personenauto’s en haar uiteindelijke ontvoering toen de camper niet op de daarvoor bestemde plek bleek te zijn aangekomen. De alternatieve lezing van de verdediging dat [betrokkene 1] de lading van de camper achterover zou hebben gedrukt voordat [medeverdachte 3] en [verdachte] ermee zijn gaan rijden, acht de rechtbank ongeloofwaardig omdat zij hiervoor geen aanknopingspunten vindt in het dossier.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank ook dit feit wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder 4.4. aangegeven.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

1.

omstreeks 01 januari 2007 tot en met 08 april 2008 in Nederland en in Marokko en in Spanje heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, zijnde handelen in strijd met in artikel 11, tweede en/of vierde lid van de Opiumwet, in verband met artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet,

te weten:

- het opzettelijk vervoeren van grote hoeveelheden hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet; en/of

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van grote

hoeveelheden hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet.

2.

in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 oktober 2007 te Marokko en te Spanje tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd

een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van

de Opiumwet, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige

elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II;

3.

in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 december 2007 te Marokko tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet;

2. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod , terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

3. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod , terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

[verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan [verdachte] op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 16 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de periode die [verdachte] reeds in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede een werkstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte] gedurende een deel van het door haar ondergane voorarrest aan beperkende maatregelen is onderworpen en dat er in de periode van 28 maart 2008 tot en met 19 mei 2008 een individueel regime voor haar heeft gegolden, waarvan zij nog dagelijks de nadelige psychologische gevolgen ondervindt.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de kennisgeving van de nadere omschrijving [verdachte] pas op 15 juni 2009 heeft bereikt, waardoor zij in een zeer laat stadium op de hoogte was van de volle omvang van de beschuldigingen jegens haar. Dit is in strijd met artikel 5 en 6 van het EVRM. De verdediging verzoekt aan het bovengenoemde consequenties te verbinden bij de straftoemeting alsmede rekening te houden met de uitgebrachte voorlichtingsrapportages en de rapportage van het RIAGG waaruit blijkt dat [verdachte] kampt met depressieve en posttraumatische klachten als gevolg van wat haar is overkomen. Daarnaast verzoekt de verdediging er rekening mee te houden dat [verdachte] veel schulden heeft, bij een detentie haar woning zal verliezen en geen compensatie heeft ontvangen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven in verband met haar ontvoering vanwege mogelijke eigen schuld en bij een eventuele veroordeling de strafmaat te beperken tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 260 dagen alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf al dan niet met bijzondere voorwaarden. Het opleggen van een werkstraf naast de vrijheidstraf zoals door de officier van justitie geëist is volgens de raadsman wettelijk gezien niet mogelijk.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de [verdachte].

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten.

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoer van grote hoeveelheden softdrugs.

Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Dit is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van [verdachte] wordt dit restrictieve beleid doorkruist. Gelet op het feit dat [verdachte] al ruime ervaring had met het verrichten van hasjtransporten en zij zich een positie heeft verworven binnen de criminele organisatie die de rol van een chauffeur van hasjtransporten oversteeg, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar passend en geboden is.

Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank in beperkte mate rekening gehouden met het leed dat [verdachte] heeft ondervonden vanwege het feit dat zij enkele dagen ontvoerd is geweest en dit extra zwaar voor haar was, omdat zij lijdt aan diabetes en gedurende deze periode geen medicatie heeft kunnen gebruiken.

Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen onder het kopje “de ontvankelijkheid van de officier van justitie” ( 3.1.15) is zij van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 5 en 6 van het EVRM. Om die reden behoeft het door de raadsman aangevoerde thans geen verdere bespreking.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat naast een gevangenisstraf van bovenvermelde duur geen werkstraf kan worden opgelegd.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er geen redenen zijn om de (geschorste) voorlopige hechtenis op te heffen nu de ernstige bezwaren en gronden daarvoor nog in volle omvang aanwezig zijn.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 11 en 11a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt [verdachte] vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

- feit 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet;

- feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

- feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Strafoplegging

- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf van 2 jaar;

- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. J.F. Dekking en mr. H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2009.