Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ2151

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
16-600449-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte deelnam aan een criminele organisatie die zich bezighield met handel in en transport van hasj in Nederland, Spanje en Marokko. Verdachte is ook schuldig aan twee hasjtransporten in oktober en december 2007. Gelet op zijn rol als chauffeur in de criminele organisatie is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden passend en geboden is. De rechtbank hecht geen geloof aan zijn verklaring dat hij pas in Marokko ontdekte dat hij te maken had met mensen die drugs vervoerden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600449-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1975] te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië),

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

wonende te [adres] (België), [adres],

raadsvrouw mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 en 25 juni 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De behandeling van de zaak tegen verdachte heeft niet gelijktijdig, maar in dezelfde periode plaatsgevonden als de behandeling van de zaken tegen zijn medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]. Verdachte en zijn medeverdachten zullen in het navolgende respectievelijk ‘[verdachte]’, ‘[medeverdachte 1]’, ‘[medeverdachte 2]’, ‘[medeverdachte 3]’, ‘[medeverdachte 4]’, ‘[medeverdachte 5]’ en ‘[medeverdachte 6]’ worden genoemd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is nader omschreven overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]:

1. van 1 januari 2007 tot en met 8 april 2008 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met handel in en transport van hasjiesj

2. in oktober 2007 samen met anderen een hasjtransport heeft gedaan in Marokko en Spanje

3. in december 2007 samen met anderen een hasjtransport heeft gedaan in Marokko en Spanje.

3 De beoordeling van het bewijs

De rechtbank merkt voorafgaand op dat bij het navolgende in de voetnoten wordt verwezen naar paginanummers. Deze pagina 's maken deel uit van in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde ambtenaren opgemaakte, ambtsedige processen-verbaal en daarbij gevoegde bescheiden. Die processen verbaal zijn gebundeld en doorlopend genummerd 1 tot en met 6407. In die processen-verbaal zijn onderzoeksbevindingen gerelateerd en verklaringen van personen die zijn ver- of gehoord.

De rechtbank merkt voorts op dat zij, nu het dossier een veelheid aan verklaringen bevat van verdachten die belastend verklaren over medeverdachten en, gelet op hun positie, daar zelf een belang bij kunnen hebben, met behoedzaamheid gebruik maakt van deze verklaringen en slechts voorzover zij op belangrijke punten ondersteund worden door andere wettige bewijsmiddelen in het dossier.

3.1 Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier T02: criminele organisatie)

3.1.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] deel heeft uitgemaakt van een organisatie die tot oogmerk had het vervoeren van hoeveelheden softdrugs. De officier van justitie acht bewezen dat [verdachte] binnen de organisatie als chauffeur is opgetreden.

3.1.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 niet tot een bewezenverklaring kan komen omdat er geen sprake is geweest van een criminele organisatie, maar van wisselende samenwerkingsverbanden. Uit het dossier blijkt van een ‘Amersfoortse groep’ en een ‘Amsterdamse groep’, terwijl de namen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2][betrokkene 4] wel in de CIE-informatie voorkomen, maar niet in de zaaksdossiers T03, T04 en T08. Indien vastgesteld wordt dat sprake is geweest van een criminele organisatie, heeft [verdachte] daar geen deel van uitgemaakt omdat hij niet wist dat hij te maken had met een organisatie die het oogmerk had om hasjtransporten te plegen toen hij een camper naar Marokko bracht. Hij was daarvoor gevraagd door zijn buurman en de vergoeding die hij voor het wegbrengen van het busje ontving was niet zodanig dat hij daaruit kon afleiden dat hij met illegale activiteiten bezig was. Pas ten tijde van het transport met [medeverdachte 1] raakte hij ervan op de hoogte dat er sprake was van een aantal mensen dat zich met criminele activiteiten bezig hield. Zijn betrokkenheid is van te korte duur geweest en zijn rol van te geringe betekenis om van een daadwerkelijke deelname te kunnen spreken.

3.1.3 Het oordeel van de rechtbank

Uit het geheel van de door diverse verdachten en getuigen in dit dossier afgelegde verklaringen alsmede overgelegde geschriften komt het beeld naar voren van een criminele organisatie die zich bezig hield met het organiseren van transporten van hasj vanuit Marokko naar Spanje en vanaf daar naar Nederland. Voor de organisatie van de transporten werden diverse werkzaamheden verricht door verschillende personen binnen de criminele organisatie, die zich ten opzichte van elkaar in een bepaalde samenwerkingsstructuur en hiërarchie bevonden. De voertuigen waarmee de transporten moesten worden uitgevoerd (voornamelijk campers), werden door leden van de organisatie in Nederland gekocht en op naam gesteld van de chauffeurs, die geronseld werden om tegen betaling de campers over te brengen naar Marokko en daarna van Marokko naar Spanje. Vanuit Nederland werden de campers op kosten van de organisatie naar Marokko gereden, waar ze speciaal werden geprepareerd en enige tijd bleven staan om door andere leden van de criminele organisatie volgeladen te worden met hasj. Ondertussen verbleven de chauffeurs van de campers in Marokko op kosten van de organisatie. Vervolgens moesten de chauffeurs met de volgeladen campers naar de veerboot van Marokko naar Spanje rijden en daar de overtocht maken. De douane werd door leden van de criminele organisatie omgekocht, zodat de campers met verdovende middelen ongehinderd het land konden verlaten. In Malaga werden de campers opgewacht en overgenomen door andere leden van de criminele organisatie. De chauffeurs van de campers verbleven in hotels in Spanje totdat de campers waren uitgeladen en teruggebracht konden worden naar Marokko voor een volgend transport. De verdovende middelen werden in Spanje tijdelijk opgeslagen om vervolgens overgeladen te worden in vrachtwagens, die de verdovende middelen naar Nederland zouden brengen. Daar aangekomen werden de verdovende middelen verdeeld voor de verkoop in Nederland of voor verdere smokkel naar Engeland en/of Scandinavië.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan deze organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, bestaande uit – kort gezegd – het vervoeren van grote hoeveelheden hasjiesj en het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van die hoeveelheden hasjiesj. Uit de hierna te noemen bewijsmiddelen blijkt de (werkwijze van de) organisatie en de rol van [verdachte] binnen die organisatie.

- [voornaam][medeverdachte 4] werkte in Nederland voor [voornaam][betrokkene 4], die in Malaga woont. [betrokkene 4] deed de hasjtransporten van Marokko naar Malaga. De campers waarmee de hasj werd vervoerd, werden in Marokko speciaal geprepareerd om grote hoeveelheden te kunnen verbergen. De douane aan zowel de Marokkaanse als Spaanse kant werd omgekocht om de transporten te laten passeren. De Hollanders, waaronder [medeverdachte 4], deden de transporten van Malaga naar Nederland. [medeverdachte 4] regelde de zaken voor [betrokkene 4] in het Amersfoortse en het Utrechtse. Hij knapte de vuile zaken op als er dingen fout waren gegaan. [medeverdachte 4] bezocht dan die mensen. De hasj werd van Malaga naar Nederland vervoerd met vrachtauto’s van Nederlandse bedrijven die op Spanje reden. De drugs werden in de buurt van Amersfoort uitgeladen. [medeverdachte 4] regelde dit vervoer. De hasj ging naar Scandinavië en Engeland en de goede kwaliteit hasj bleef in Nederland.

- [medeverdachte 4] heeft op 13 augustus 2007 een camper ([kenteken]) gekocht en betaald , waarmee hasj vervoerd zou worden van Marokko naar Spanje . Hij was toen in gezelschap van [medeverdachte 3].

- [medeverdachte 4] heeft tezamen met [medeverdachte 3] aan [verdachte] gevraagd om de camper op zijn naam te zetten en deze naar Marokko te brengen. [medeverdachte 4] heeft daartoe de verzekeringspapieren aan [verdachte] gegeven en € 1.300,- voor onkosten. [verdachte] heeft de camper op zijn naam gezet en deze vervolgens in augustus 2007 naar Marokko gereden. In Marokko werd de camper overgenomen door [betrokkene 4].

- [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 1] op haar verzoek in contact gebracht met [betrokkene 4] opdat zij hasjtransporten zou rijden van Marokko naar Spanje. [medeverdachte 2] heeft [betrokkene 4] in oktober 2007 in Malaga gesproken.

- [betrokkene 3] is door [medeverdachte 1] gevraagd om eveneens hasj te halen uit Marokko. In dat verband is hij met [medeverdachte 2] naar het postkantoor gegaan om een Fiat busje op zijn naam te laten zetten. In september 2007 is [betrokkene 3] samen met [medeverdachte 1] met dat busje naar Marokko gereden. [medeverdachte 1] had tijdens die reis nagenoeg dagelijks contact met [medeverdachte 2], onder andere over de vraag wanneer het busje geladen zou worden.

- [medeverdachte 2] heeft meermalen geld overgemaakt naar [medeverdachte 1] en [betrokkene 3], toen zij in Marokko waren. Dat geld was afkomstig van [betrokkene 4]. [medeverdachte 4] heeft in Marokko aan [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] een geldbedrag gegeven om onkosten te dekken.

- [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben in oktober 2007 de camper met kenteken [kenteken], die geladen was met een grote hoeveelheid hasj, overgebracht van Marokko naar Spanje. [medeverdachte 4] heeft de camper in de buurt van Malaga overgenomen van [medeverdachte 1] en [verdachte]. De camper was van [betrokkene 4]. [verdachte] wachtte in een hotel in Malaga totdat hij naar Marokko zou gaan om weer een transport te rijden.

- [betrokkene 5] is door [medeverdachte 3] gevraagd om een busje op zijn naam te zetten en deze naar Marokko te brengen. Onderweg naar Marokko, heeft [betrokkene 5] in Malaga van [medeverdachte 4] geld ontvangen voor de boot naar Marokko. In Marokko heeft [medeverdachte 4] [betrokkene 5] gevraagd om het busje met het spul, waarmee hasj werd bedoeld, terug te rijden. Toen [betrokkene 5] weigerde om het busje terug te rijden, heeft [medeverdachte 4] hem bedreigd. Als [betrokkene 5] geld nodig had, belde hij met [medeverdachte 3] en die moest dan eerst [medeverdachte 4] bellen.

- [medeverdachte 2] heeft onkosten betaald van [verdachte] en [betrokkene 5] toen deze in oktober 2007 in Malaga zonder geld zaten.

- [verdachte] heeft, toen hij terug was in Nederland, € 2.000,- ontvangen van [medeverdachte 3], die dat bedrag van [medeverdachte 4] had gekregen.

- Toen [verdachte] vanaf eind oktober 2007 weer in Marokko was, was [medeverdachte 4] zijn contactpersoon: [medeverdachte 4] belde hem af en toe vanuit Spanje en [verdachte] belde [medeverdachte 4] als hij geld nodig had.

- [betrokkene 5] is, toen hij in Marokko was, gebeld door [medeverdachte 2], die zei dat hij belazerd was door [medeverdachte 4] en nog iemand anders en dat hij de hasj in het busje, dat [betrokkene 5] zou rijden, wilde terugpakken. [medeverdachte 1] probeerde [betrokkene 5] en [verdachte] in Marokko over te halen om het busje en de camper, gevuld met drugs, te rijden. Onderweg zou [medeverdachte 1], voordat de bus en camper de grens over zouden gaan, iets in scène zetten zodat de camper en de bus zouden verdwijnen.

- [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben in december 2007 dezelfde camper ([kenteken]), die wederom geladen was met een grote hoeveelheid hasj, vanaf Rabat gereden naar Tanger met de bestemming Malaga. In Tanger kregen ze een seintje van [medeverdachte 4] dat ze door konden rijden naar de douane. Op de route naar de douane, is de camper met inhoud verdwenen.

- Na de verdwijning van deze partij hasj, hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] met [naam], de ex-vrouw van [verdachte], gebeld en haar gezegd dat ze moest zeggen waar [verdachte] was en dat het anders slecht zou aflopen met hen.

- [medeverdachte 2] heeft meermalen geld overgemaakt naar [verdachte] in de periode van oktober 2007 tot en met januari 2008.

3.2 Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier T03: transport oktober 2007)

3.2.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] een hoeveelheid van 1700 kilo hasj heeft vervoerd in een camper in Marokko en Spanje. De officier van justitie baseert zich daarbij onder meer op de inhoud van de verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [betrokkene 3], [verdachte], [betrokkene 5], [medeverdachte 4] en [betrokkene 6].

3.2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat er in oktober 2007 een hasjtransport heeft plaatsgevonden en dat [verdachte] heeft gereden met een camper die was gevuld met hasj. De verdediging heeft aangevoerd dat de camper noch hasj is aangetroffen en dat alleen [medeverdachte 2] heeft verklaard de camper te hebben gezien in Malaga. Uit de paspoortstempels van [verdachte] blijkt slechts dat hij de camper op 17 augustus 2007 in Marokko heeft ingevoerd. Nadien is hij samen met anderen op 1 september 2007 teruggereden naar Spanje en vandaar samen met [medeverdachte 4] teruggevlogen naar Marokko om de camper op te halen. De verklaring van [medeverdachte 4] bevestigt dat er geen transport heeft plaatsgehad in oktober 2007. De verklaringen van [betrokkene 3], [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [medeverdachte 2] zijn niet bruikbaar voor het bewijs. [betrokkene 3] verklaringen bevatten veel conclusies in plaats van waarnemingen. Dit geldt ook voor de verklaring van [betrokkene 5]. [betrokkene 6] heeft bij de rechter-commissaris toegegeven dat [verdachte] mededeling tegenover hem dat er cocaïne in de bus zou gaan op een vermoeden berustte en niet op diens eigen waarneming. De verklaring van [medeverdachte 2] is voor wat betreft het aantal transporten dat hij noemt in tegenspraak met de reisbewegingen van [verdachte] en [medeverdachte 1]. Hij heeft voorts innerlijk tegenstrijdig dan wel leugenachtig verklaard waar het gaat om de aankoop van de camper en waar het gaat om wat [verdachte] hem verteld zou hebben over het hasjtransport van oktober 2007. Dat dit laatste niet juist is volgt uit het feit dat zij elkaar blijkens het dossier maar 1x ontmoet hebben in Malaga.

3.2.3 Het oordeel van de rechtbank

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op verzoek van [voornaam][medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] een camper op zijn naam heeft gezet, die door [medeverdachte 4] was betaald. [verdachte] heeft de camper, wederom op hun verzoek, vanuit Nederland naar Marokko gereden. Daar werd de camper overgenomen door [voornaam][betrokkene 4]. Met betrekking tot 14 oktober 2007 heeft hij verklaard dat het klopt dat hij op de boot was die van Tanger naar Spanje voer.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat hij niet meer precies weet wanneer hij naar Malaga is gegaan om [betrokkene 4] ([betrokkene 4], Rb) in Spanje te bezoeken, maar dat het in elk geval na de Ramadan was. Hij heeft daar met [betrokkene 4] gesproken over [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1], Rb). [voornaam] heeft hem daar verteld dat [medeverdachte 1] en [verdachte] ([verdachte], Rb) een transport hadden gedaan en dat er hasj in dit transport had gezeten. Die camper was van [voornaam]. Hij heeft in Malaga de camper gezien die [verdachte] gereden had. [medeverdachte 1] heeft hij niet gezien, omdat zij al weer terug was naar Marokko. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 1] en [verdachte] heeft gehoord dat een camper die met een lading hash binnenkomt vanaf de haven gevolgd wordt door twee auto’s en dat de camper daarna wordt overgenomen. [verdachte] heeft hem in Malaga verteld dat hij vanuit Marokko naar Spanje was gereden met [medeverdachte 1] en dat het een transport was geweest met de camper waarbij 1700 kg hasj vervoerd was. [verdachte] vertelde hem dat ze in Casablanca of Rabat de camper hadden gekregen en dat ze, [verdachte] en [medeverdachte 1], hiermee naar Tanger zijn gereden. Vanuit Tanger waren ze met de boot naar Algacira in Spanje gevaren. Vandaar zijn ze richting Malaga gereden, waar ze op een parkeerplaats moesten stoppen en waar [voornaam] ([medeverdachte 4], Rb.) de camper heeft overgenomen. Het hele interieur van de camper was in Marokko verwijderd, de hasj werd ingebracht en het interieur werd dan weer ingebouwd.

Uit de gegevens van de douane, die door de verbindingsofficier bij de Nederlandse ambassade in Rabat werden doorgegeven , blijkt dat [verdachte] 6 bewegingen over de grens heeft gemaakt in 2007. Hij is onder andere op 17 augustus 2007 Marokko in gereisd via de grens van Bab Sebta en hij is op 14 oktober 2007 via de haven van Tanger uitgereisd. Deze data komen overeen met de gegevens die de douane aan de verbindingsofficier bij de Nederlandse ambassade in Rabat over het voertuig met het kenteken [kenteken] heeft verstrekt. Dit voertuig is op 17 augustus 2007 geïntroduceerd in Marokko door [verdachte] en werd op 14 oktober 2007 te 16.12 uur via de haven van Tanger door dezelfde persoon weer geëxporteerd. Het voertuig met het kenteken [kenteken] staat in Nederland geregistreerd als Fiat 290, een camper. Uit de grensbewegingen die met betrekking tot [medeverdachte 1] zijn geregistreerd komt naar voren dat zij in 2007 in Marokko slechts één uitreisbeweging via de haven van Tanger heeft gemaakt en wel op 14 oktober 2007 om 16:12 uur. De rechtbank concludeert op basis hiervan dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op dezelfde boot van Marokko naar Spanje zijn gereisd op 14 oktober 2007 en dat [verdachte] zich op die boot bevond met de camper met het kenteken [kenteken]. De rechtbank concludeert voorts dat de gegevens van de verbindingsofficier in overeenstemming zijn met de inhoud van de verklaring zoals afgelegd door [medeverdachte 2]. Hieruit blijkt immers dat de camper van [verdachte] al enige tijd (vanaf 17 augustus 2007) in Marokko verbleef, voordat de camper werd uitgevoerd naar Spanje. Volgens de verklaring van [medeverdachte 2] was enige tijd nodig om de camper om te bouwen teneinde de drugs daarin te verbergen.

De rechtbank neemt in aanmerking dat [medeverdachte 2] niet de enige is die heeft verklaard dat er in oktober 2007 een grote hoeveelheid hasj is vervoerd door [verdachte] en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat de betreffende camper is aangekocht om daarmee hasj te vervoeren van Marokko naar Spanje. Getuige [betrokkene 6], destijds een vriend van [verdachte], heeft verklaard dat [verdachte] hem heeft verteld dat hij diep in de schulden zat en dat hij op verzoek van anderen een camper op zijn naam zou zetten en daarmee een grote hoeveelheid hasj uit Marokko zou halen. Hij zou daar € 20.000,- mee verdienen. Medeverdachte [betrokkene 5] heeft voorts verklaard dat [verdachte] in december 2007, toen hij hem vroeg waarom men de inhoud van de camper wilde stelen [betreft feit 3, T04, Rb], zei dat de vorige keer dat [verdachte] en [medeverdachte 1] hadden gereden, zij hiervoor niets of heel weinig hadden gekregen. Zijn verklaring ondersteunt het bewijs dat er al voor december 2007 een hasjtransport door [medeverdachte 1] en [verdachte] is gedaan.

De gegevens van de douane zijn onverenigbaar met de verklaring van [verdachte]. [verdachte] heeft opgemerkt dat de douane op 14 oktober 2007 een vals stempel in zijn paspoort heeft gezet waardoor het nu lijkt alsof hij de camper heeft overgebracht, terwijl dat niet het geval is geweest. De rechtbank verwerpt dit verweer. In het dossier wordt weliswaar in diverse verklaringen gesproken over het omkopen van de douane in Marokko om hasjtransporten door te laten en de rechtbank kan dan ook niet uitsluiten dat de gegevens die zijn aangeleverd door de douane mogelijk niet volledig zijn, omdat de douane kan zijn omgekocht en daardoor het stempelen in paspoorten achterwege is gebleven, maar zij ziet niet in welk belang er kan bestaan om de douane om te kopen teneinde een stempel te zetten in het paspoort van een uitvoer van een camper die niet zou hebben plaatsgehad. Het verweer van [verdachte] is bovendien in strijd met zijn eigen verklaring bij de politie waarin hij het volgende heeft verteld:

Toen ik met de boot in Marokko aankwam, moest ik een hoop formulieren invullen. Het ene formulier moet je invullen zodat de douane weet dat ik met een auto het land ben binnengekomen. Omdat je een auto mee het land inneemt, moet je een groen formulier invullen. Het groene formulier blijft achter en je krijgt hiervan een wit formulier mee. Als je het land dan weer verlaat dan wordt het witte formulier van je afgenomen. Je wordt ook in de computer geregistreerd. Als je met een auto het land in gaat, moet je ook met een auto het land uit.

De omstandigheid dat noch de camper noch enige hasj is aangetroffen, staat niet in de weg aan de bewezenverklaring dat een grote hoeveelheid hasj is vervoerd. Zoals hiervoor weergegeven, spreken direct betrokkenen allen over hasj, die verborgen zou zijn in de camper die geprepareerd was. Voorts zijn er omstandigheden aan te wijzen die het bewijs dat er hasj werd vervoerd, ondersteunen. De rechtbank doelt op het door [betrokkene 6] genoemde bedrag dat [verdachte] zou ontvangen voor het transport, het volgen van de camper door twee auto’s vanaf de haven, alsmede het omkopen van de Spaanse en Marokkaanse douane.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder 3.4. aangegeven.

3.3 Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier T04: transport december 2007)

3.3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] in de maand december 2007 een hoeveelheid hasj heeft vervoerd in Marokko.

3.3.2 Het standpunt van de verdediging

De verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] voor wat betreft de hoeveelheid hasj die in de camper zou hebben gezeten, zijn niet betrouwbaar omdat de door hen genoemde hoeveelheid van 1700 kg het laadvermogen van de camper overstijgt. [medeverdachte 1] heeft bovendien verklaard dat zij uit de wegligging afleidde dat de camper niet beladen was.

Er bestaat een alternatief scenario, namelijk dat [betrokkene 4] de verdovende middelen achterover heeft gedrukt nog voordat er met de camper werd gereden en de chauffeurs [verdachte] en [medeverdachte 1] als zondebok hebben gebruikt. De verklaring van [medeverdachte 4] op pagina 6175 wijst in die richting.

3.3.3 Het oordeel van de rechtbank

[medeverdachte 1] heeft op 12 januari 2008 bij de politie verklaard dat zij onlangs, in december 2007, samen met [verdachte] ([verdachte], Rb.) met een witte Fiat van Rabat naar Tanger is gereden. [medeverdachte 1] heeft daarover het volgende verklaard:

(P1= verbalisant [verbalisant], V: verdachte [medeverdachte 1])

P1: Wat zit daar dan in die camper?

V: Nou wat ik hoorde iets van achttienhonderd kilo.

P1: En wat concreet?

V: Nou Hasjies had hij het over.

[medeverdachte 1] heeft in hetzelfde verhoor bij de politie verklaard dat zij niet met de veerboot is overgegaan en dat ‘ze’ twee ton kwijt zijn aan de douane. Zij heeft voorts verklaard dat de camper in Tanger is overgenomen door mensen en dat ze vanaf Ramadal gevolgd zijn door dezelfde mensen:

P1: En over hoeveel mensen heb je het dan?

V: Een hele groep. Dan zie je een witte auto, dan zie je een blauwe auto dan een zwarte auto. En overal waar je loopt zie je mensen. Misschien omdat zoveel waarde in die auto zit.

[medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat zij in september-oktober 2007 al met [betrokkene 3] voor zijn veiligheid was meegegaan naar Marokko, omdat hij daar hasj zou gaan halen. Ze heeft verklaard dat hij in een Fiat Ducato reed en dat het busje in Rabat bleef bij de mensen die de hasj in de auto hadden gestopt en dat zij € 1.000,-- van die mensen kregen om hun hotel van te betalen. Van ‘die mensen’ moest zij ook met [verdachte] mee, omdat die zijn been had gebroken. Ze moest met [verdachte] de auto overrijden naar Malaga met 1700-1800 kilo hash. Wanneer zij dat niet zou doen, zou het haar € 150.000,-- kosten.

[medeverdachte 2] heeft bevestigd dat de camper die door [verdachte] en [medeverdachte 1] gereden werd bedoeld was voor het vervoeren van hasj. Toen [verdachte] ([verdachte], Rb.) hem in Malaga een Fiat Ducato camper toonde, hoorde hij van hem dat de camper leeg was en klaar was om weer terug te gaan naar Marokko. Over deze camper heeft [medeverdachte 2] het volgende verklaard:

[verdachte] vertelde mij dat hij vanuit Marokko naar Spanje was gereden met [medeverdachte 1]. Dit was een transport geweest met de camper. Dit betreft een Fiat Ducato camper. Deze camper stond op naam van [verdachte]. [verdachte] vertelde mij dat er 1700 kg hash mee vervoerd was. Ik geloofde dit niet. Deze hash was “gestasht”. Ik heb gehoord dat ze in Marokko het gehele interieur verwijderen, de hash inbrengen en dan het interieur weer inbouwen. [verdachte] vertelde dat de camper speciaal was, de camper had dubbellucht achter, om het wiebelen tegen te gaan als de camper zwaar beladen zou zijn. De camper zou door [verdachte] alleen teruggebracht worden naar Marokko. [verdachte] zou dan een paar weken in Marokko blijven en dan samen met [medeverdachte 1] weer teruggaan naar Spanje, net als de eerste keer.

Ook [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1], Rb.) en een andere persoon het spul, waarvan hij onomwonden verklaart dat dat hasjies betrof, met een camper van Rabat naar Tanger heeft gereden.

De rechtbank heeft er dan ook geen twijfel over dat [medeverdachte 1] samen met anderen in december 2007 een grote hoeveelheid hasjies heeft vervoerd in Marokko. [medeverdachte 1] heeft weliswaar verklaard dat zij denkt met een lege camper gereden te hebben omdat de camper in bochten niet zwaar stuurde, maar dit gegeven is verklaarbaar door hetgeen [medeverdachte 2] heeft verklaard over het prepareren van de camper. Het aanpassen van de technische constructie van de camper gebeurde met het oog op de besturing en de laadmogelijkheden van de camper. Dat [medeverdachte 1] met een lege camper zou hebben gereden, acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Niet alleen is haar verklaring daarover bij de rechter-commissaris in tegenspraak met de door haar eerder bij de politie afgelegde verklaring , het rijden met een lege camper is moeilijk te verklaren vanuit de omstandigheden die zij heeft geschetst, namelijk dat er twee ton betaald is voor de oversteek van de camper van Marokko naar Spanje aan de douane, dat zij een vergoeding ontving van mensen in Marokko voor de kosten van haar hotel in Marokko, de hoogte van de boete die zij zou moeten betalen wanneer zij de camper niet zou overbrengen naar Malaga, het feit dat de camper gevolgd werd door een groep van personenauto’s en haar uiteindelijke ontvoering toen de camper niet op de daarvoor bestemde plek bleek te zijn aangekomen. De alternatieve lezing van de verdediging dat [betrokkene 4] de lading van de camper achterover zou hebben gedrukt voordat [verdachte] en [medeverdachte 1] ermee zijn gaan rijden, acht de rechtbank ongeloofwaardig omdat zij hiervoor geen aanknopingspunten vindt in het dossier.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank ook dit feit wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder 3.4. aangegeven.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

1.

omstreeks 01 januari 2007 tot en met 08 april 2008 in Nederland en in Marokko en in Spanje heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, zijnde handelen in strijd met in artikel 11, tweede en/of vierde lid van de Opiumwet, in verband met artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet,

te weten:

- het opzettelijk vervoeren van grote hoeveelheden hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, en/of

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van grote

hoeveelheden, hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als

bedoeld in lijst II van de Opiumwet.

2.

in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 oktober 2007 te Marokko en te Spanje tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd

een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van

de Opiumwet, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige

elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II;

3.

in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 december 2007 te Marokko tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid

4.1De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet;

2. Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod , terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

3. Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod , terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

[verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan [verdachte] op te leggen een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de periode die [verdachte] reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte] een geringe rol heeft gehad in het geheel. [verdachte] is onder druk gezet en hij en zijn gezin zijn bedreigd en hij heeft tien dagen opgesloten gezeten in een kelder. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de kennisgeving van de nadere omschrijving [verdachte] pas op 5 maart 2009 bekend is geworden, waardoor hij in een zeer laat stadium op de hoogte was van de volle omvang van de beschuldigingen jegens hem en onnodig lang in onzekerheid heeft gezeten. De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte] nauwelijks een strafblad heeft.

Bij een eventuele veroordeling heeft de raadsvrouwe verzocht de strafmaat te beperken tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijk kortere duur dan de door hem reeds ondergane voorlopige hechtenis, dan wel een vrijheidstraf die hoger is dan het reeds door hem ondergane voorarrest voorwaardelijk op te leggen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte].

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten.

[verdachte] heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het vervoer van een grote hoeveelheid softdrugs. Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade aan de gezondheid. Dit is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van [verdachte] wordt dit restrictieve beleid doorkruist. Gelet op zijn rol als chauffeur in de criminele organisatie is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden passend en geboden is. De rechtbank hecht geen geloof aan zijn verklaring dat hij pas in Marokko ontdekte dat hij te maken had met mensen die drugs vervoerden. Gelet op de verklaringen van [betrokkene 6] en [betrokkene 5] heeft hij weloverwogen besloten om deel te nemen aan deze criminele activiteiten met kennelijk enkel persoonlijk gewin als motief.

Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank ermee rekening gehouden dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. .

De rechtbank houdt in haar strafmaat geen rekening met het gegeven dat het geruime tijd heeft geduurd voordat [verdachte] de definitieve tenlastelegging heeft ontvangen. Gelet op de omvang van het onderzoek in de zaak en de inhoud van de definitieve verdenking, is er naar het oordeel geen sprake van schending van artikel 5 of 6 van het EVRM. De vraag van strafmitigering behoeft op die grond niet verder te worden beantwoord.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en de artikelen 11 en 11a van de Opiumwet

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt [verdachte] vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

?feit 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet;

?feit 2: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod , terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

?feit 3: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod , terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Strafoplegging

- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf van 15 maanden;

- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. J.F. Dekking en mr. H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2009.