Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ2144

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
10-07-2009
Zaaknummer
269625 / HA RK 09-225
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

zaaknummer: 269625 / HA RK 09-225

Beslissing van de rechtbank Utrecht, meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 9 juli 2009,

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [verzoeker],

verzoeker,

advocaat: mr. W.A.L. de Boer,

hierna te noemen: mr. [C],

tegen

mr. [A.],

rechter in de sector kanton van de rechtbank te Utrecht,

hierna te noemen: mr. [A.].

1. Het verloop van de procedure

1.1 De hoofdprocedure betreft een door [bedrijf X] (hierna [bedrijf X]) ingediend verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf X] en [verzoeker].

1.2 Bij brief van 15 juni 2009 heeft [verzoeker] naar aanleiding van de zitting van 11 juni 2009, waarop het ontbindingsverzoek is behandeld, een verzoek ingediend tot wraking van mr. [A.].

1.3 Mr. [A.], die niet in de wraking heeft berust, heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd.

1.4 De griffier heeft de advocaat van [bedrijf X], mr[B] (hierna: mr. [B]) van de behandeling in kennis gesteld, onder toezending van het wrakingsverzoek en de onder 1.3 genoemde schriftelijke reactie van mr. [A.]. Mr. [B] heeft op 15 juni 2009 schriftelijk haar zienswijze op het wrakingsverzoek naar voren gebracht.

1.5 De mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van 26 juni 2009, waarbij [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. [C]. Mr. [A.] is eveneens ter zitting verschenen. Voorts is [bedrijf X] ter zitting verschenen bij haar directeur [D], bijgestaan door mr. [B].

1.6 De uitspraak is bepaald op heden.

2. De hoofdzaak

2.1 Het verzoek tot ontbinding van het dienstverband tussen [bedrijf X] en [verzoeker], ingediend door [bedrijf X], is behandeld ter zitting van 11 juni 2009. De behandeling ter zitting is geschorst om partijen de gelegenheid te geven tot onderling overleg. Dit overleg heeft niet tot resultaat geleid.

3. Het verzoek

3.1 [verzoeker] legt aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag dat mr. [A.] - vóór de schorsing van de zitting - naar voren heeft gebracht dat de verstoorde arbeidsverhouding in de risicosfeer van beide partijen lag en heeft opgemerkt dat [verzoeker] “een te grote broek” zou hebben aangetrokken door destijds in dienst te treden bij [bedrijf X]. [verzoeker] vindt deze opmerking en het gedachtengoed dat daar kennelijk achter ligt, buitengewoon misplaatst, temeer daar er hiervoor in het dossier geen aanknopingspunten te vinden zijn. Vervolgens heeft mr. [A.] volgens [verzoeker] aangegeven dat onder deze omstandigheden een correctiefactor 1 van de ontbindingsvergoeding op zijn plaats is. Deze correctiefactor past volgens [verzoeker] bij een neutrale ontbinding en niet bij verwijtbaar handelen van de werkgever zoals hier aan de orde. [verzoeker] stelt dat hij bij hervatting van de zitting heeft verzocht aan mr. [A.] haar opmerking dat hij “een te grote broek” zou hebben aangetrokken in de beschikking op te nemen, maar dat zij daartoe niet bereid was. Volgens [verzoeker] kan uit de wijze waarop mr. [A.] zich tijdens de zitting heeft uitgelaten en opgesteld worden afgeleid, ook objectief beschouwd, dat zijn zaak met een zekere vooringenomenheid is behandeld. Mr. [A.] had haar standpunt dat correctiefactor 1 aan de orde is met enige terughoudendheid en als voorlopig oordeel dienen te presenteren.

4. Het standpunt van de rechter

4.1 Mr. [A.] heeft in haar schriftelijke reactie naar voren gebracht dat zij ter zitting aan de orde heeft gesteld dat zij partijen bij een schikkingspoging behulpzaam kan zijn door hen voorlopig en voorshands inzicht te geven in een mogelijke oplossingsrichting van de zaak en daarbij een aantal punten heeft genoemd op grond waarvan tot het oordeel gekomen kon worden dat het ontstaan en het verloop van het conflict in overgrote mate in de risicosfeer van de werkgever lag. Mr. [A.] stelt dat zij heeft aangegeven dat zelfs als [verzoeker] wellicht “een te grote broek” had aangetrokken bij het nemen van zijn verantwoordelijkheden een en ander toch in overgrote mate in de risicosfeer van de werkgever zou blijven, hetgeen een ontbinding met een vergoeding naar de maatstaf correctiefactor 1 zou kunnen rechtvaardigen. Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft mr. [A.] toegelicht dat zij met de woorden “een te grote broek” heeft getracht in gewone spreektaal het standpunt van Intel samen te vatten.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv/artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

5.3 Er zijn onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van mr. [A.] jegens [verzoeker]. Onderzocht zal daarom worden of er objectief bepaalde feiten en omstandigheden zijn die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor de door [verzoeker] i vrees dat het mr. [A.] aan onpartijdigheid ontbreekt.

5.4 In dit geval hebben [verzoeker] en mr. [A.] een verschillende lezing over de strekking van de door mr. [A.] gebruikte woorden “een te grote broek aantrekken”. Mr. [A.] geeft aan dat zij deze woorden heeft gebruikt als samenvatting van het standpunt van [bedrijf X], de wederpartij van [verzoeker]. Deze lezing wordt bevestigd door mr. [B] die naar voren heeft gebracht dat deze omschrijving overeenkomt met het beeld dat [B] heeft neergezet. Volgens [verzoeker] ging het daarentegen om het oordeel van mr. [A.] zelf. Voorts verschillen partijen van mening over de vraag of mr. [A.] heeft aangegeven dat de ontstane situatie in de risicosfeer van beide partijen ligt of in overwegende mate in die van de werkgever ([bedrijf X]).

5.5 De precieze achtergrond en de context waarin mr. [A.] de gewraakte woorden heeft gebruikt kunnen thans niet worden vastgesteld, maar zelfs indien de lezing van [verzoeker] juist zou zijn, kan dit niet leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek. De rechtbank stelt voorop dat een rechter een zekere mate van vrijheid heeft om tijdens de mondelinge behandeling van een zaak de voorlopige beoordeling van de aangevoerde argumenten aan partijen kenbaar te maken. Uit hetgeen [verzoeker] en mr. [A.] naar voren hebben gebracht, blijkt in ieder geval dat mr. [A.], nadat partijen hun standpunten hadden uiteengezet, haar voorlopige visie op de zaak heeft gegeven. De door haar gebruikte kwalificatie “een te grote broek aantrekken” is op zichzelf niet diffamerend. De omstandigheid dat mr. [A.] het verzoek van [verzoeker] om de door haar gebruikte woorden in de beschikking op te nemen niet heeft gehonoreerd, wijst evenmin op vooringenomenheid of partijdigheid. Zoals mr. [A.] naar voren heeft gebracht, heeft zij ter zitting gewone spreektaal gebruikt en heeft zij aangegeven dat zij alle argumenten van beide partijen zorgvuldig zou afwegen en in de beschikking zou behandelen en beoordelen.

5.6 Voor zover [verzoeker] heeft willen betogen dat het gegeven voorlopig oordeel onbegrijpelijk is omdat de door hem gestelde omstandigheden en feiten volgens hem de door [A.] genoemde correctiefactor 1 niet kunnen rechtvaardigen, kan dit evenmin tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden. Het betreft hier een ter zitting gegeven voorlopig oordeel dat geen uitvoerige motivering behoeft. De omstandigheid dat daarbij één van de partijen hoort dat haar visie op de zaak door de rechter niet of slechts beperkt wordt gehonoreerd, betekent evenmin dat schade is toegebracht aan de rechterlijke onpartijdigheid of dat dit blijk geeft van vooringenomenheid. Het is immers aan de vrijheid van de rechter overgelaten om de gepresenteerde feiten af te wegen en in een juridische context te plaatsen. Zelfs als daarbij onjuistheden optreden, betekent dit - behoudens bijzondere omstandigheden (waarvan hier niet is gebleken) - niet dat de rechter niet langer onpartijdig is of dat sprake is van vooringenomenheid. [verzoeker] heeft bovendien op het voorlopige oordeel kunnen reageren en heeft dit ook gedaan. De rechtbank moet dan ook concluderen dat de door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden geen zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij hem - beweerdelijk - bestaande vrees dat mr. [A.] jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

5.7 Uit het voorgaande volgt dat het verzoek zal worden afgewezen.

6. Beslissing

De rechtbank Utrecht,

6.1 wijst het verzoek af;

6.2 draagt de griffier op deze beslissing toe te zenden aan mr. [C], aan mr. [A.], en aan mr. [B], alsmede aan mr. [E.] (plaatsvervangend sectorvoorzitter van de sector kanton van deze rechtbank) en mr. [F] (president van de rechtbank);

6.3 bepaalt dat de zaak dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van schorsing in verband met dit wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J. Sap en mr. S.H.M. van der Heiden, leden van de meervoudige kamer, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2009, in het bijzijn van de griffier mr. S. Meurs.