Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ2000

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
264344 / HA ZA 09-687
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet. Eiser in verzet niet ontvankelijk. Verzettermijn aangevangen na tenuitvoerlegging executoriaal beslag. Artikelen 144 onder a jo 143 lid 3 Rv van toepassing. Geen omstandigheden die leiden tot conclusie dat toepassing van de regeling van de verzettermijn niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 264344 / HA ZA 09-687

Vonnis in verzet van 8 juli 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. T.J. Roest Crollius,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het verzet,

advocaat mr. J.J. Kruitbosch.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 13 mei 2009;

• het proces-verbaal van comparitie van 25 juni 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij vonnis van 13 december 2006 is [gedaagde] bij verstek veroordeeld, onder meer tot betaling van EUR 3.438,22 aan [eiseres]. Dit verstekvonnis is op 8 januari 2007 niet in persoon aan [gedaagde] betekend.

2.2. Bij vonnis van 14 februari 2007 is [gedaagde] eveneens bij verstek veroordeeld, onder meer tot betaling van EUR 6.847,78 aan [eiseres]. Dit verstekvonnis is op 1 maart 2007 in persoon aan [gedaagde] betekend.

2.3. [gedaagde] was op 7 mei 2007 eigenaar van een auto met kenteken PT-70-FV (hierna: “de auto”). Uit een door [eiseres] ter zitting overgelegd proces-verbaal (productie 2) blijkt dat een deurwaarder op 7 mei 2007 naar de woning van [gedaagde] is gegaan, daar met de vader van [gedaagde] heeft gesproken en toen uit kracht van het verstekvonnis van 13 december 2006 alsmede uit kracht van het verstekvonnis van 14 februari 2007 executoriaal beslag heeft gelegd op de auto.

2.4. Blijkens een ander ter zitting door [eiseres] overgelegd proces-verbaal (productie 3) heeft de deurwaarder op 8 mei 2007 het in 2.3 genoemde proces-verbaal aan [gedaagde] betekend, met aanzegging dat het inbeslaggenomene op 8 juni 2008 in het openbaar zou worden verkocht. Deze betekening geschiedde niet in persoon, maar door achterlating van het proces-verbaal in een envelop aan het adres van [gedaagde].

2.5. Eveneens op 8 mei 2007 is de tenaamstelling van de auto gewijzigd, in die zin dat het kentekenbewijs op die dag om 16.04 uur op naam is gesteld van de vader van [gedaagde].

2.6. Op 8 juni 2007 is de auto ingevolge het executoriaal beslag verkocht.

2.7. Op 18 maart 2009 is [gedaagde] in verzet gekomen van het verstekvonnis van

13 december 2006.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis een verklaring voor recht zal afgeven en [gedaagde] zal veroordelen tot het betalen van schadevergoeding ter hoogte van EUR 3.438,22 alsmede tot het betalen van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, tot betaling van wettelijke rente, van buitengerechtelijke kosten ter hoogte van EUR 613,72 en tot veroordeling in de proceskosten.

3.2. Bij het verstekvonnis van 13 december 2006 zijn de vorderingen van [eiseres] toegewezen behoudens dat de vordering tot betaling van EUR 613,72 ter zake van de buitengerechtelijke kosten is afgewezen en dat bij de veroordeling in de proceskosten ter hoogte van EUR 703,32 is bepaald dat dit bedrag moet worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

3.3. [gedaagde] vordert in het verzet dat het verstekvonnis van 13 december 2006 wordt vernietigd en dat de vorderingen van [eiseres] alsnog worden afgewezen. [eiseres] betoogt dat [gedaagde] niet ontvankelijk in zijn verzet dient te worden verklaard.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiseres] betoogt dat [gedaagde] niet ontvankelijk in zijn verzet dient te worden verklaard omdat de verzettermijn van vier weken op 18 maart 2009 reeds lang verstreken was. In verband hiermee voert [eiseres] aan dat de wijziging van de tenaamstelling van de auto op 8 mei 2007 (zie 2.5) alleen mogelijk was indien [gedaagde] daaraan heeft meegewerkt. Volgens [eiseres] is er dus sprake van een daad van bekendheid aan de zijde van [gedaagde] in de zin van artikel 143 lid 2 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (hierna: “Rv”) en is de verzettermijn van vier weken op 8 mei 2007 gaan lopen. [gedaagde] betwist dat sprake is van een daad van bekendheid. Hij heeft ter zitting verklaard dat de wijziging van de tenaamstelling van de auto door zijn vader op diens eigen initiatief is gedaan en dat [gedaagde] daar niets van wist.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de wijziging van de tenaamstelling van de auto op 8 mei 2007 niet dwingend dat [gedaagde] bekend was met het verstekvonnis van 13 december 2006. Het valt niet geheel uit te sluiten dat de vader van [gedaagde], aan wie de deurwaarder op 7 mei 2007 had meegedeeld dat op de auto van zijn zoon beslag werd gelegd, zonder medeweten van [gedaagde] met het kentekenbewijs naar een postkantoor is gegaan en de auto op zijn naam heeft gezet. [gedaagde] woonde immers op hetzelfde adres als zijn vader, zodat het mogelijk is dat laatstgenoemde op eenvoudige wijze aan het kentekenbewijs kon komen.

4.3. [eiseres] betoogt voorts dat op grond van artikel 144 onder a Rv het verstekvonnis van 13 december 2006 geacht moet worden ten uitvoer te zijn gelegd op 8 juni 2007 door de verkoop van de auto op laatstgenoemde datum. Ingevolge artikel 143 lid 3 Rv is de verzettermijn van vier weken volgens [eiseres] aangevangen op 8 juni 2007. [gedaagde] betwist dat het verzet niet tijdig is gedaan. In verband daarmee voert [gedaagde] aan dat niet is gebleken dat hij wist dat de beslaglegging op 7 mei 2007 betrekking had op het verstekvonnis van 13 december 2006.

4.4. Voor de beoordeling van de vraag of de verzettermijn tegen het verstekvonnis van 13 december 2006 op 8 juni 2007 is gaan lopen, is in de eerste plaats van belang dat vast staat dat [gedaagde] op 7 mei 2007, de dag waarop op de auto executoriaal beslag is gelegd, eigenaar van de auto was. Zoals vermeld heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat de wijziging van de tenaamstelling van de auto op 8 mei 2007 - dus een dag later dan de dag waarop het beslag is gelegd - een initiatief was van zijn vader, waarvan hij op dat moment niet op de hoogte was. Indien hiervan wordt uitgegaan heeft de wijziging van de tenaamstelling van de auto geen gevolgen gehad voor het eigendomsrecht van [gedaagde] op de auto, nu zijn wil niet was gericht op overdracht van de eigendom aan zijn vader. Voor zover [gedaagde] echter zou willen betogen dat de eigendom van de auto op 8 mei 2007 wel aan zijn vader is overgedragen, kan deze eigendomsoverdracht ingevolge artikel 453a Rv niet tegen [eiseres] worden ingeroepen.

4.5. De auto is op 8 juni 2007 in het kader van het executoriaal beslag verkocht. Op grond van artikel 144 onder a Rv moet het verstekvonnis van 13 december 2006 na die verkoop geacht worden ten uitvoer te zijn gelegd. Uit de tekst van artikel 143 lid 3 Rv volgt dat het voor het ingaan van de verzettermijn nadat een vonnis ten uitvoer is gelegd niet vereist is dat [gedaagde] ervan op de hoogte was dat de beslaglegging op 7 mei 2007 betrekking had op het verstekvonnis van 13 december 2006, zoals [gedaagde] betoogt. Onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan onbekendheid met een verstekvonnis en de executie ervan echter met zich meebrengen dat toepassing van de regeling van de verzettermijn niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 Europees verdrag voor de rechten van de mens (hierna: “EVRM”). In verband daarmee overweegt de rechtbank als volgt.

4.6. Het verstekvonnis van 13 december 2006 is op 8 januari 2007 niet in persoon aan [gedaagde] betekend. [gedaagde] kan derhalve niet reeds vanaf 8 januari 2007 geacht worden bekend te zijn geweest met voornoemd verstekvonnis. Ter zitting heeft [gedaagde] echter verklaard dat hij op 7 mei 2007 woonde op het adres waar de deurwaarder die dag aan zijn vader, tevens huisgenoot van [gedaagde], meedeelde dat executoriaal beslag werd gelegd op de auto van [gedaagde] ter executie van de verstekvonnissen van 13 december 2006 en 14 februari 2007. Op datzelfde adres heeft de deurwaarder een dag later het proces-verbaal van beslaglegging betekend door achterlating ervan in een envelop, met aanzegging van de voorgenomen verkoop van de auto op 8 juni 2007. In voornoemd proces-verbaal is opgetekend dat het executoriaal beslag is gelegd ter executie van de vonnissen van 13 december 2006 en 14 februari 2007. [gedaagde] heeft ter zitting voorts verklaard dat hij wist dat op 7 mei 2007 beslag op zijn auto is gelegd alsmede dat zijn auto daarna is verkocht.

4.7. Naar het oordeel van de rechtbank moet er onder deze omstandigheden vanuit worden gegaan dat [gedaagde] vanaf 8 mei 2007 ermee bekend was dat [eiseres] doende was het verstekvonnis van 13 december 2006 te executeren. Van een situatie waarin toepassing van de regeling van de verzettermijn niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM is derhalve geen sprake. Ingevolge artikel 143 lid 3 Rv is de verzettermijn van vier weken dan ook op 8 juni 2007 ingegaan. Dat het beslag mede betrekking had op het verstekvonnis van 14 februari 2007 doet aan het voorgaande niet af. Aangezien [gedaagde] pas op 18 maart 2009 in verzet gekomen van het verstekvonnis van 13 december 2006, zal hij dan ook niet ontvankelijk in zijn verzet worden verklaard.

4.8. Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden bekrachtigd.

4.9. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het verzet worden verwezen. De kosten worden aan de zijde van [eiseres] begroot op:

- salaris advocaat EUR 384,00 (1,0 punt × tarief EUR 384,00)

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart [gedaagde] niet ontvankelijk in zijn verzet,

5.2. bekrachtigt het door deze rechtbank op 13 december 2006 onder zaaknummer / rolnummer 221629 / HA ZA 06-2604 gewezen verstekvonnis,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 384,00, te voldoen aan de griffier,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2009.

w.g. griffier w.g. rechter