Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ1409

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-07-2009
Datum publicatie
03-07-2009
Zaaknummer
267630 / KG ZA 09-5161.
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ouders vorderen verwijdering persoonsgegevens van hun kinderen en henzelf van website kleinkindonbereikbaar.nl. Publiceren persoonsgegevens is in strijd met Europese privacywetgeving en Wet Bescherming Persoonsgegevens.

De rechter veroordeelt de beheerder van de website om de persoonsgegevens op straffe van een dwangsom te verwijderen.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 1
Wet bescherming persoonsgegevens 8
Wet bescherming persoonsgegevens 13
Wet bescherming persoonsgegevens 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/617
NJF 2009, 391

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 267630 / KG ZA 09-516

Vonnis in kort geding van 3 juli 2009

in de zaak van

1. [eiseres]

en

2. [eiser],

beiden wonende te Hansweert,

zowel voor zichzelf als in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van

hun minderjarige kinderen

[naam kind 1] en [naam kind 2],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. E. Osinga te Utrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te Utrecht,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A. van der Gronde te Utrecht.

De eisende partijen sub 1 en sub 2 zullen hierna zowel voor zich zelf als tezamen met hun kinderen [eisers] c.s. genoemd worden. Gedaagde partij zal hierna [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de vermindering van de eis in conventie

- de eis in reconventie

- pleitnota en producties van [eisers] c.s.

- pleitnota en producties van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers] c.s. hebben medio april 2009 van derden vernomen dat hun kinderen met naam en toenaam en met andere persoonlijke gegevens staan vermeld op de website www.kleinkindonbereikbaar.nl, hierna te noemen: de website. De twee kinderen van [eisers] c.s. zijn thans respectievelijk 4 jaar en ruim anderhalf jaar oud.

2.2. [gedaagde] is houder van de website. Volgens de gegevens van de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN) is [gedaagde], naast houder van de website, ook de administratieve contactpersoon en één van de technische contactpersonen. Hij publiceert de website via het webhostingbedrijf WideXS. De domeinnaam is op 11 september 2008 geregistreerd.

2.3. [gedaagde] is voorts, volgens het uittreksel uit het Handelsregister, enig aandeelhouder en bestuurder van Encoin Consultants B.V. De onderneming van deze vennootschap houdt zich bezig met “het geven van adviezen op het gebied van informatie- en communicatie-technologie en alles wat daarmee samenhangt”.

2.4. Blijkens de toelichting op de website is de website opgericht om grootouders de gelegenheid te bieden hun verhaal te vertellen over de kleinkinderen die zij om uiteenlopende redenen niet meer kunnen zien.

2.5. Volgens de toelichting van [gedaagde] dienen de grootouders eerst een aanmeldformulier met hun eigen persoonlijke gegevens in te vullen. [gedaagde] verifieert deze gegevens en test vervolgens de motieven van de grootouders om oneigenlijk gebruik van de website te filteren. Bij een “gunstige” beoordeling geeft [gedaagde] de grootouders uitleg over het gebruik van de website en geeft hij hun door middel van een inlogcode toegang tot het besloten deel van de website. Op dat besloten deel vullen de grootouders de persoonsgegevens van hun kleinkind in, bestaande uit de volledige naam, geboortedatum, geboorteplaats, woonplaats en nationaliteit, alsmede de naam van de moeder en van de vader van het kleinkind. Deze gegevens worden vervolgens op het publieke deel van de website getoond, samen met een verhaal van de grootouders over de omstandigheden waardoor zij geen contact meer met het kleinkind hebben.

2.6. Volgens mededeling van [gedaagde] staat op het besloten deel van de website als verdere uitleg voor de grootouders het volgende vermeld:

“…

De doelstelling van de website Kleinkind Onbereikbaar is het contact herstellen tussen u en uw kleinkind. Door de gegevens van uw kleinkind op internet te publiceren – dat doet u bij het invullen van de gegevens bij “mijn kleinkind”- komen die gegevens beschikbaar voor zoekmachines, en zo hopelijk bij uw kleinkind of diens omgeving terecht.

Dit werkt het beste als u zoveel mogelijk gegevens – foto’s, teksten, namen – invult. Het is hierbij van belang dat u zich realiseert dat dit persoonsgegevens betreft. U bent zelf verantwoordelijk voor wat u invult. Bij opmerkingen of klachten, bijvoorbeeld van één van de ouders, dient u uiteraard zorgvuldig te reageren. Overleg met betrokkene(n), en kom tot overeenstemming. Daarmee heeft u samen dan de eerste stap gezet om tot vervolg contact te komen. Wat u beslist niet moet doen is grievende of beledigende teksten ingeven. Indien u het verzoek krijgt om gegevens te verwijderen, overleg dan om tot een compromis te komen: initialen in plaats van een volledige naam; provincie in plaats van plaatsnaam.”

2.7. [eisers] c.s. hebben, nadat zij hadden vernomen dat hun kinderen met naam en toenaam en met andere persoonlijke gegevens op de website staan vermeld, eerst zelf en vervolgens bij brief van hun raadsman [gedaagde] verzocht en gesommeerd de gegevens van hun kinderen van de website te verwijderen. [gedaagde] heeft niet aan dat verzoek en die sommatie voldaan.

2.8. [eisers] c.s. hebben bij brief van hun raadsman ook de grootouders gesommeerd de bedoelde gegevens op de website te verwijderen. De grootouders hebben niet aan die sommatie voldaan.

3. Het geschil in conventie

3.1. [eisers] c.s. vorderen na vermindering van hun eis – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld om op straffe van verbeurte van een dwangsom binnen een bepaalde termijn alle persoonsgegevens van henzelf en van hun kinderen, zowel de direct identificerende als de indirect identificerende gegevens, te verwijderen van de website www.kleinkindonbereikbaar.nl.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [gedaagde] vordert – samengevat – dat [eisers] c.s. worden veroordeeld tot vergoeding van alle door hem gemaakte “binnen- en buitengerechtelijke kosten”, welke kosten voor [gedaagde] zelf zijn berekend op een bedrag van EUR 2.142,-- inclusief BTW en voor de raadsman van [gedaagde] op een bedrag van EUR 2.761,-- inclusief BTW, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

4.2. [eisers] c.s. voeren verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. [gedaagde] heeft aanvankelijk als meest vér strekkend verweer aangevoerd dat [eisers] c.s. de verkeerde persoon hebben gedagvaard omdat niet hijzelf maar zijn vennootschap Encoin Consultants B.V. de website zou exploiteren, doch hij heeft dit verweer later volgens zijn eigen persoonlijke verklaring uitdrukkelijk ingetrokken.

5.2. [gedaagde] heeft voorts als evenzeer vér strekkend verweer aangevoerd dat [eisers] c.s. geen spoedeisend belang hebben bij hun vordering, omdat zij volgens hem niet aangetoond hebben dat door de publicatie op de website voor hen een zodanige schade is ontstaan dat de uitkomst van een bodemprocedure niet afgewacht zou kunnen worden.

5.3. Dit verweer moet worden verworpen. [eisers] c.s. baseren hun vordering op een onrechtmatig handelen van [gedaagde]. Het schadebegrip in geval van een onrechtmatig handelen omvat niet alleen reeds ontstane schade, maar ook dreigende schade. Volgens de stelling van [eisers] c.s. dreigt voor hen zowel persoonlijke als zakelijke reputatieschade doordat zij in het verhaal over hen op de website in een onjuist daglicht worden gesteld. Voorts stellen [eisers] c.s. dat de publicatie een onaanvaardbare impact heeft op hun hele gezin, doordat niet alleen zijzelf maar ook één van hun kinderen reeds over de publicatie worden aangesproken, hetgeen volgens hen schadelijk is voor de kinderen. Nu deze stellingen van [eisers] c.s. niet bij voorbaat reeds als onaannemelijk aan te merken zijn, hebben [eisers] c.s. een voldoende spoedeisend belang bij hun vordering.

5.4. Inhoudelijk moet worden vooropgesteld dat het geschil van partijen ziet op de vermelding van persoonsgegevens van de kinderen van [eisers] c.s. en van henzelf op de website. Tussen partijen is niet in geschil dat [eisers] c.s. en hun kinderen door die gegevens worden geïdentificeerd of identificeerbaar zijn. Dit betekent dat aan [eisers] c.s. een beroep toekomt op het recht van henzelf en van hun kinderen op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Dit recht is een grondrecht. Dit grondrecht ligt niet alleen verankerd in de Nederlandse rechtsorde, maar ook in het Europese recht dat de Nederlandse rechter verplicht is toe te passen, te weten het recht van de Europese Gemeenschap en van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

5.5. In het recht van de Europese Gemeenschap (EG) gaat het met name om de Richtlijn 95/46/EG over gegevensbescherming (Richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 november 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens), welke richtlijn in Nederland is geïmplementeerd in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), zoals vermeld in de considerans van die wet. De bepalingen van de Wbp moeten derhalve, waar nodig, worden begrepen en uitgelegd in het licht van die richtlijn (hierna: Richtlijn 95/46) en met inachtneming van de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie EG of HvJ-EG). Het resultaat van een eventuele uitleg zowel volgens Nederlandse normen als volgens EG-normen mag niet in strijd zijn met “de door de communautaire rechtsorde beschermde grondrechten of met de andere algemene beginselen van gemeenschapsrecht, zoals het evenredigheidsbeginsel” (HvJ-EG, 6 november 2003, C-101/01 (Bodil Lindqvist), para. 87).

5.6. Zoals hiervoor onder 5.4 is overwogen, gaat het om persoonsgegevens waardoor [eisers] c.s. en hun kinderen worden geïdentificeerd of identificeerbaar zijn, en derhalve om persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en sub a, Wbp.

5.7. [gedaagde] voert echter als verweer aan dat de Wbp niet op hem van toepassing is, omdat hij geen verantwoordelijke of bewerker zou zijn als bedoeld in artikel 1, aanhef en sub d dan wel sub e Wbp. Naar hij stelt dient de website enkel als publicatiemiddel voor de grootouders, die zelf de informatie op de website invoeren en daarvoor verantwoordelijk zijn. Weliswaar geeft hij die informatie door, doch voor dat doorgeven is hij – naar hij

stelt – niet aansprakelijk. Hij beroept zich daarvoor op artikel 6:196c Burgerlijk Wetboek (BW).

5.8. Dit verweer faalt.

Ten eerste geldt voor artikel 6:196c BW dat dit artikel ziet op “diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 3:15d lid 3 BW” – ook aangeduid als on-line diensten – voor zover die diensten beperkt zijn tot de activiteiten zoals gespecificeerd in respectievelijk lid 1, lid 3 en lid 4 van artikel 6:196c BW. De beide genoemde wetsartikelen maken deel uit van de aanpassing van het BW aan de Richtlijn 2000/31/EG in zake – kort gezegd – de elektronische handel (hierna: Richtlijn 2000/31), zoals geregeld in de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel.

Of de door [gedaagde] aangeboden on-line diensten aan de genoemde wetsartikelen voldoen, kan buiten beschouwing blijven nu, volgens artikel 1 lid 5 sub b van Richtlijn 2000/31 en overweging 14 van de considerans van die richtlijn, Richtlijn 2000/31 en daarmee de genoemde wetsartikelen niet van toepassing zijn op kwesties van privacybescherming. Als reden daarvoor wordt vermeld dat die privacybescherming reeds is geregeld in onder meer de Richtlijn 95/46, welke richtlijn – zoals hiervoor vermeld – in Nederland is geïmplementeerd in de Wbp.

Ten tweede moet [gedaagde] – anders dan hij stelt – als de verantwoordelijke in de zin van artikel 1 sub d Wbp worden aangemerkt. Immers, ook als de grootouders degenen zijn die de persoonsgegevens invullen en [gedaagde] de verantwoordelijkheid daarvoor uitdrukkelijk bij die grootouders heeft gelegd, dan nog geldt dat [gedaagde] het doel – dat is vermeld op de website – en de middelen voor de verwerking van die gegevens vaststelt. Bovendien blijkt uit de onder 2.5 vermelde gang van zaken dat [gedaagde] actief de toegang tot het besloten deel van de website, waar de te publiceren gegevens worden ingevoerd, controleert zowel door het “toetsen” van de motieven van de grootouders als door het verstrekken althans faciliteren van een inlogcode.

5.9. Uit het voorgaande volgt dat derhalve onderzocht moet worden of [gedaagde] als verantwoordelijke heeft voldaan aan de verplichtingen die de Wbp hem oplegt.

In het kader van het onderhavige geschil is van belang dat [gedaagde] er volgens artikel 15 Wbp voor dient te zorgen dat de verwerking van de persoonsgegevens voldoet aan de eisen van

– onder meer – artikel 8 Wbp en dat hij volgens artikel 13 Wbp maatregelen moet nemen voor een nader omschreven beveiliging van de gegevens.

Daarbij moet volgens de overwegingen 12 en 26 van de considerans van de Richtlijn 95/46 de bescherming gelden voor alle gegevens betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare persoon.

Voorts is volgens het EHRM verhoogde waakzaamheid geboden bij het opslaan en het gebruik van persoonsgegevens, nu de voortgang van de techniek het voor derden mogelijk maakt om de persoonsgegevens op te slaan en opnieuw te gebruiken. (EHRM, uitspraak 24 juni 2004, zaak 59320/00 (Von Hannover), para. 70.)

Verder geldt volgens het HvJ-EG dat de verstrekking van persoonsgegeven aan een derde, onafhankelijk van het latere gebruik van de verstrekte informatie, een inbreuk op het recht van de betrokkenen op eerbiediging van hun privéleven vormt en daarmee een inmenging in hun privéleven in de zin van artikel 8 EVRM (HvJ-EG, 20 mei 2003, C-465/00 (Österreichischer Rundfunk), para. 74.).

Een en ander is in dit geval te meer van belang, nu het gaat om publicatie van de persoonsgegevens op het internet, waardoor die gegevens voor een onbeperkt aantal mensen toegankelijk worden.

5.10. [gedaagde] heeft niet aan de bedoelde verplichtingen voldaan.

De persoonsgegevens van de kleinkinderen en hun ouders zijn niet – zoals volgens artikel 8 Wbp vereist – met hun toestemming, laat staan hun ondubbelzinnige toestemming, verwerkt en gepubliceerd, terwijl een noodzaak om die gegevens te publiceren zoals bedoeld in de overige onderdelen van artikel 8 Wbp, zich hier niet voordoet. De kleinkinderen en hun ouders zijn, erger nog, geheel onwetend van de informatie over hen, die op de website is geplaatst en die daarmee zonder enige beperking op het internet beschikbaar is. Van een beveiliging van die informatie is geen sprake. [gedaagde] bevordert daarentegen dat op grove wijze inbreuk op de privésfeer van de kleinkinderen en de ouders wordt gemaakt, gezien de wijze waarop de website is opgezet en waarop [gedaagde] de grootouders instrueert. Hij adviseert de grootouders immers uitdrukkelijk om zoveel mogelijk gegevens in te voeren, waarbij hij ook teksten en foto’s noemt. Zoals hiervoor onder 2.2 en 2.3 is vermeld, treedt [gedaagde] op als technisch beheerder van de website en als adviseur op het gebied van informatie- en communicatietechnologie. Dit betekent dat hij zich ervan bewust heeft kunnen en moeten zijn dat met publicatie van de persoonsgegevens op het internet inbreuk op de privésfeer van de kleinkinderen en de ouders wordt gemaakt, en ook dat zij op die wijze worden blootgesteld aan onaanvaardbare en niet te overziene risico’s. Immers, door middel van zoekmachines – die naar verluidt een gebruiker rechtstreeks doorverbinden met de aangeklikte website – komen de gegevens van de kleinkinderen en hun ouders gemakkelijk beschikbaar voor een onbeperkt publiek, wat blijkens het onder 2.5 vermelde advies van [gedaagde] ook uitdrukkelijk zijn bedoeling is. Dat brengt het gevaar mee dat die gegevens door willekeurige derden verder gebruikt worden voor welk doel dan ook, ongeacht de bestemming waarvoor de gegevens oorspronkelijk werden verzameld.

(Advocaat-Generaal Kokott, Conclusie van 8 mei 2008 bij HvJ-EG, 16 december 2008, C-73/07 (Satamedia), para. 118). AG Kokott wijst voorts in dit kader in haar Conclusie op de persoonlijke nieuwsgierigheid naar buren en bekenden en zelfs commerciële belangstelling, waaraan iemands privéleven bij publicatie van zijn persoonsgegevens wordt blootgesteld (para. 93). In dit geval heeft de persoonlijke nieuwsgierigheid zijn werk reeds gedaan, nu volgens de verklaring van de ouders ter zitting zowel de ouders als hun kind van 4 jaar reeds worden aangesproken over de informatie over hen op de website. Ook het gevaar van commerciële belangstelling is niet denkbeeldig. Zo is bijvoorbeeld denkbaar dat de persoonsgegevens interessant zijn voor gerichte reclame, zoals bijvoorbeeld voor mediationdienstverleners, gezien het doel van de website om de verstoorde familierelatie te herstellen.

5.11. Er zijn in het algemeen en ook in dit geval nog meer gevaren verbonden aan de publicatie van de persoonsgegevens van de kleinkinderen en hun ouders op de website. Zo wijst de Artikel-29werkgroep, het samenwerkingsverband van nationale toezichthouders op het gebied van bescherming van persoonsgegevens in de EU op grond van artikel 29 Richtlijn 95/46, in haar “Opinion 5/2009 on online social networking” op de gevaren van identiteitsfraude, financieel nadeel, verlies van zakelijke mogelijkheden of arbeidsmogelijkheden en fysiek geweld.

Deze opmerkingen van de Artikel-29werkgroep zijn ter zake relevant; volgens het College Bescherming Persoonsgegevens (Cbp), de nationale toezichthouder op grond van artikel 51 Wbp, behoren de interpretaties van de Artikel-29werkgroep tot het juridisch kader van de privacybescherming (Cbp, Richtsnoeren publicatie van persoonsgegevens op internet, p. 3, voetnoot 1.)

Hoewel het hier niet gaat om een sociaal-netwerksite, waar mensen informatie over zichzelf plaatsen, moeten de gevaren zoals hier genoemd ook in dit geval van belang worden geacht, gezien de (eenzijdige) verhalen die de grootouders over de familieverhoudingen op de website plaatsen. Hier lijkt in ieder geval het gevaar voor zakelijke benadeling reëel, nu één van de ouders een eenmanszaak drijft, het gezin in een kleine plaats woont en de ouders en één van hun kinderen – zoals gezegd – reeds over de publicatie worden aangesproken.

5.12. De inbreuk en de gevolgen bij publicatie op het internet zijn des te ernstiger waar het de foto’s van de kleinkinderen betreft. In het geval van foto’s van een baby heeft het EHRM geoordeeld dat een foto van een persoon één van de belangrijkste aspecten van zijn of haar persoonlijkheid vormt en dat voor het nemen van de foto’s door een fotograaf de voorafgaande toestemming van de ouders als wettelijk vertegenwoordigers van de baby noodzakelijk was. Het EHRM merkt daarbij op dat het niet ging om een bekende persoon en er dus geen redenen konden zijn op grond waarvan het nemen of gebruiken van een foto zonder die toestemming mogelijk gerechtvaardigd zou kunnen zijn. De fotograaf had moeten voldoen aan het verzoek van de ouders van de baby om de negatieven van de foto’s – die nog niet waren gepubliceerd – aan hen af te staan, omdat anders het risico bleef bestaan dat de foto’s later tegen de wil van de baby of zijn ouders gebruikt konden worden. (EHRM, 15 januari 2009, zaak 1234/05 (Reklos), para 40-42.) Dat risico is in het onderhavige geval nog groter. Het gaat niet (alleen) om een baby, van wie het uiterlijk nog aanzienlijk kan veranderen, maar (ook) om een ouder kind, bij wie de persoonlijke gelaatstrekken reeds verder ontwikkeld en derhalve ook later nog identificeerbaar zijn. Bovendien gaat het om publicatie op het internet, met als gevolg dat iedere controle over het verdere gebruik van de foto’s onmogelijk wordt. Ook hier geldt dat het gevaar nog verder verergerd wordt door het feit dat de kinderen zelf en ook hun ouders niets wisten van de publicaties van de kinderfoto’s en daartegen niet konden optreden.

5.13. Nu uit het voorgaande volgt dat de publicatie van de persoonsgegevens op de website een inbreuk vormen op het grondrecht van de ouders en hun kinderen op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer, moet bij het beoordelen van de vordering in aanmerking worden genomen dat tegenover dat grondrecht van de ouders en hun kinderen een grondrecht van [gedaagde] staat, te weten zijn recht op een vrije meningsuiting.

Dan moet, gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG, een evenredigheidsafweging gemaakt worden (onder meer de onder 5.5 genoemde zaak van Bodil Lindqvist). Die afweging leidt ertoe dat op grond van al het voorgaande de inbreuk op het recht op privacy van de ouders en hun kinderen als ernstig en zeer vérgaand moet worden aangemerkt, terwijl daartegenover geen rechtens te respecteren belang van [gedaagde] staat om de publicatie van de onderhavige persoonsgegevens voort te zetten. Zo heeft hij met name geen journalistiek belang bij die publicatie. Een dergelijk belang zou relevant kunnen zijn, gezien de uitzondering opgenomen in artikel 9 Richtlijn 95/46, welk artikel geïmplementeerd is in artikel 3 Wbp en is toegelicht in de onder 5.11 genoemde Richtsnoeren van het Cbp. Het enkele feit dat [gedaagde] stelt aan de grootouders een “publicatiekanaal” te willen bieden, kan niet als een journalistiek doel worden aangemerkt. Blijkens zijn mededeling op het besloten deel van de website (zie onder 2.6) is zijn enige doel het herstellen van het contact tussen de grootouders en hun kleinkind, en niet enig ander belang dat in een democratische samenleving noodzakelijk kan worden geacht voor de beperking van het recht op privéleven (HvJ-EG, 16 december 2008, C-73/07, (Satamedia), para. 56).

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de gegevens niet door hem maar door de grootouders zijn ingevoerd, maar dit verweer faalt. Hij heeft immers zelf de grootouders daartoe uitgenodigd hoewel hij wist of had kunnen en moeten begrijpen dat de persoonsgegevens van de kleinkinderen en hun ouders daarmee onrechtmatig gepubliceerd zouden worden. Weliswaar heeft hij de grootouders er uitdrukkelijk op gewezen dat het ging om persoonsgegevens, maar nu hij daar verder niets aan heeft toegevoegd, is niet aannemelijk dat de grootouders de portee daarvan hebben begrepen, terwijl [gedaagde] dat als verantwoordelijke in de zin van de Wbp wél had kunnen en moeten begrijpen, mede gezien die genoemde uitdrukkelijke instructie aan de grootouders. Het invoeren van de gegevens door de grootouders dient derhalve voor rekening en risico van [gedaagde] te blijven.

Het recht van [gedaagde] op een vrije meningsuiting moet hier derhalve wijken voor het recht van de kleinkinderen en hun ouders op bescherming van hun privacy.

5.14. De gevorderde verwijdering van de persoonsgegevens van [eisers] c.s., dat wil zeggen van de ouders en van hun kinderen, is derhalve toewijsbaar.

5.15. Gezien de onrechtmatige verwerking van de gegevens zouden [eisers] c.s. ook aanspraak kunnen maken op vernietiging van al hun gegevens die bij [gedaagde] of bij het hostingbedrijf zijn opgeslagen. Nu dit niet is gevorderd, kan dit niet worden toegewezen.

5.16. De gevorderde dwangsom kan eerst na de betekening van dit vonnis worden verbeurd. Voorts dient de dwangsom redelijkerwijze aan het hierna te bepalen maximum te worden gebonden.

5.17. De gevorderde uitvoerbaarverklaring op de minuut zal worden afgewezen, nu [eisers] c.s. daarbij geen belang hebben, aangezien voor hen terstond na de uitspraak van dit vonnis de grosse ervan beschikbaar zal zijn. Dit vonnis zal evenmin uitvoerbaar worden verklaard op alle dagen en uren, nu de noodzaak daarvan niet is gebleken.

5.18. [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in conventie worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [eisers] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding EUR 92,98

- vast recht -- 262,00

- salaris advocaat -- 816,00

Totaal EUR 1.170,98

6. De beoordeling in reconventie

6.1. De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Als grond voor de gevorderde betaling stelt [gedaagde] dat hij ten onrechte door [eisers] c.s. in de onderhavige procedure is betrokken en dat hij om die reden recht heeft op vergoeding van de kosten die hij daarvoor heeft moeten maken.

6.2. Hoewel voor toewijzing van een vordering tot betaling van een geldsom zware eisen gelden, kunnen die eisen hier verder buiten beschouwing blijven, nu uit het oordeel in conventie volgt dat de door [gedaagde] gestelde grond aan zijn vordering is ontvallen.

6.3. De vordering zal derhalve als ongegrond worden afgewezen.

6.4. [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] c.s. worden begroot op EUR 408,-- voor salaris van de advocaat.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie:

7.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen na de datum van dit vonnis alle persoonsgegevens van [eisers] c.s., dat wil zeggen de direct en indirect identificerende gegevens van zowel de ouders als de kinderen, te verwijderen van de website www.kleinkindonbereikbaar.nl;

7.2. bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van EUR 1.000,-- voor elke dag dat hij na de betekening van dit vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft te voldoen aan hetgeen onder 7.1 is bepaald, zulks tot een maximum van EUR 100.000,--;

7.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] c.s. tot op heden begroot op EUR 1.170,98;

in reconventie:

7.4. wijst de vordering af;

7.5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] c.s. tot op heden begroot op EUR 408,--;

in conventie en in reconventie:

7.6. verklaart de onderdelen 7.1 tot en met 7.3 alsmede 7.5 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

7.7. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.M. de Wolf en is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2009.?