Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ1006

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-06-2009
Datum publicatie
30-06-2009
Zaaknummer
16/711654-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2011:BQ4328, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van drie overvallen en twee inbraken. De rechtbank veroordeelt verdachte wegens, vier overvallen en een bedreiging. De slachtoffers werden op straat of in hun woning of winkel in Utrecht overvallen. Ook vond er een overval op een supermarkt in Maastricht plaats. De dader wilde geld, bankpassen en pincodes bemachtigen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/711654-07

Datum uitspraak: 29 juni 2009

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Utrecht, HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Raadsman: mr. H.J. Veen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

11 november 2008, 13 november 2008, 18 november 2008, 19 november 2008,

4 december 2008, 22 januari 2009, 14 april 2009, 12 mei 2009 en 15 juni 2009.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging conform artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting van 4 september 2008 toegestaan.

Voorts is op vordering van de officier van justitie wijziging van het onder 2 ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 11 november 2008 toegestaan.

Van de inleidende dagvaarding en van de ter terechtzitting van 11 november 2008 toegestane vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlage I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt (na aanpassing en wijziging van de tenlastelegging) ten laste gelegd dat:

1.

(zaak 05)

hij op of omstreeks 11 september 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, op/aan de openbare weg, het [adres 1], althans een openbare weg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

portemonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

[slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf

en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot

het ter beschikking stellen van een pincode, in elk geval van enige

gegevens, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s)

- op die [slachtoffer 1] is/zijn afgelopen en/of een (vuur)wapen, althans een op

een (vuur)wapen gelijkend voorwerp aan/op die [slachtoffer 1] heeft/hebben

getoond en/of voorgehouden en/of gericht en/of (daarbij) tegen die Van der

[slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "Meekomen we moeten het nummer hebben" en/of "werk

mee vriend, dan gebeurt je niks. Nummer, ik moet nu het nummer hebben";

2.

(zaak 06)

hij op of omstreeks 25 september 2007 te Utrecht, althans in het

arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, op of aan de openbare weg, de [adres 2] aldaar,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een of meer bankpas(sen) en/of een geldbedrag van (ongeveer) 40 euro, in elk

geval enig goed of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere

deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de

afgifte van een of meer bankpas(sen) en/of een geldbedrag van (ongeveer) 40

euro, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, en/of het ter beschikking

stellen van een of meer pincode(s), althans van enige gegevens, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 2] (met kracht) tegen een muur heeft/hebben gedrukt en/of geduwd

en/of de nek van die [slachtoffer 2] heeft/hebben omklemd en/of (daarbij) die

[slachtoffer 2] dreigend heeft/hebben toegevoegd: "Pinpas, pinpas" en/of "je

pincode klopt niet, geef mij je pincode, zeg eerlijk" en/of

- die [slachtoffer 2] een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp heeft getoond en/of voorgehouden en/of op die [slachtoffer 2] heeft gericht, en/of

- die [slachtoffer 2] (met kracht) tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of

- de broekzakken van die [slachtoffer 2] heeft/hebben doorzocht;

3.

(zaak 08)

hij op of omstreeks 28 september 2007 te Utrecht, althans in het

arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van twee, althans

één, (een) (Post)bankpas(sen) en/of een (ABN-Amro)bankpas en/of de daarbij

behorende pincode(s) en/of een mobiele telefoon (merk Sony Ericsson) en/of twee, althans één, portemonnee(s) (met inhoud) en/of een mp3-speler (merk Ipod), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben tegengehouden, althans de weg

versperd, (terwijl die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] op een fiets reden) en/of

(vervolgens) van die fiets hebben getrokken, en/of

- tegen die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd: "bek houden,

meekomen", althans woorden geuit van gelijke aard of strekking en/of

(vervolgens) die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben meegetrokken naar

(nabijgelegen) bosjes, en/of

- die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond, althans dat vuurwapen/voorwerp

voor die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] zichtbaar heeft/hebben gedragen/vastgehad, en/of

- tegen die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd dat hij/zij

zijn/hun telefoon(s) en/of bankpas(sen) en/of portemonnee(s), althans

zijn/hun spullen, moest(en) afgeven, en/of

- die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben gevraagd naar de bij die bankpas(sen) bijbehorende pincode(s), en/of

- tegen die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd dat hij/zij verder de bosjes

in moest(en) lopen en/of (vervolgens) gezegd dat hij/zij daar op de grond moest(en) gaan liggen, en/of

- tegen die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd: "rustig aan met

die handen, anders schiet ik je kop eraf" en/of (zakelijk weergegeven) gezegd

dat hij goed met wapens was en/of dat zij niet bang waren om te schieten

en/of dat hij die [slachtoffer 4] niet wilde doodschieten maar wel door de

knieschijven kon schieten, althans woorden geuit van gelijke dreigende aard

of strekking;

4.

(zaak 09)

hij op of omstreeks 29 september 2007 te Utrecht, althans in het

arrondissement Utrecht, op/aan de openbare weg, te weten

[adres 3], althans een openbare weg,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen

diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 5], te plegen met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere

deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het

bezit van het gestolene te verzekeren, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s)

- op die [slachtoffer 5] afgelopen en/of een (vuur)wapen, althans een op een

(vuur)wapen gelijkend voorwerp tegen de borst en/of de rug en/of het lichaam

van die [slachtoffer 5] gericht en/of gezet en/of gedrukt en/of gehouden en/of

- de jaszakken en broekzakken van die [slachtoffer 5] doorzocht en/of

- die [slachtoffer 5] gedwongen, althans gezegd, om de bosjes in te gaan en/of de

handen achter zijn hoofd te houden en/of

- die [slachtoffer 5] (dreigend) toegevoegd dat wanneer hij zou ontsnappen of

wanneer hij aangifte zou doen, hij dood zou zijn en/of

- gedreigd die [slachtoffer 5] door zijn ballen, zijn hart en zijn keel te schieten

en daarbij een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend

voorwerp op voornoemde lichaamsdelen gericht en/of gezet en/of gedrukt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

5.

(zaak 10)

hij op of omstreeks 30 oktober 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer

portemonnee(s) en/of een of meer bankpas(sen) en/of een of meer mobiele

telefoon(s) en/of een geldbedrag van (ongeveer) 740 euro, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7]

en/of [slachtoffer 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6]

en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7]

en/of [slachtoffer 8] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer

portemonnee(s) en/of een of meer bankpas(sen) en/of een of meer mobiele

telefoon(s) en/of een geldbedrag van (ongeveer) 740 euro, in elk geval van

enig goed en/of geldbedrag, en/of het ter beschikking stellen van een of meer

pincode(s), althans van enige gegevens, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 6] tegen de grond heeft/hebben gewerkt en/of hem dreigend heeft/hebben toegevoegd: "dingen gaan fout als je nu niet meewerkt, we willen je geld en je pincode” en/of

- die [slachtoffer 7] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of gericht en/of

- die [slachtoffer 7] (met kracht) naar de grond heeft/hebben geduwd en/of gedrukt

en/of hem dreigend heeft/hebben toegevoegd: "beweeg je niet anders steek ik

je neer"

- het/de hoofd(en) van die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8]

heeft/hebben bedekt met een handdoek en/of

- die [slachtoffer 8] uit zijn bed heeft/hebben getrokken en/of de bril van het

gezicht van die [slachtoffer 8] heeft/hebben geslagen en/of

- die [slachtoffer 8] met een schroevendraaier, althans met een scherp voorwerp, in

zijn lichaam heeft/hebben gestoken en/of geprikt en/of

- die [slachtoffer 8] in/tegen zijn maag, althans zijn lichaam, heeft/hebben

geschopt en/of getrapt en/of

- die [slachtoffer 8] dreigend heeft/hebben toegevoegd: "je kunt maar beter je

pincode geven en niet liegen, anders maken we je dood";

6.

(zaak 10)

hij op of omstreeks 30 oktober 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers

heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk

wederrechtelijk, in een woning gelegen aan de [adres 4],

- die [slachtoffer 6] tegen de grond gewerkt en/of hem dreigend toegevoegd: "dingen

gaan fout als je nu niet meewerkt, we willen je geld en je pincode” en/of

- die [slachtoffer 7] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, getoond

en/of voorgehouden en/of gericht en/of

- die [slachtoffer 7] (met kracht) naar de grond geduwd en/of gedrukt en/of hem dreigend toegevoegd: "beweeg je niet anders steek ik je neer"

- het/de hoofd(en) van die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8]

bedekt met een handdoek en/of

- die [slachtoffer 8] uit zijn bed getrokken en/of de bril van het gezicht van die

[slachtoffer 8] geslagen en/of

- die [slachtoffer 8] met een schroevendraaier, althans met een scherp voorwerp, in

zijn lichaam gestoken en/of geprikt en/of

- die [slachtoffer 8] in/tegen zijn maag, althans zijn lichaam, geschopt en/of

getrapt en/of

- die [slachtoffer 8] dreigend toegevoegd: "je kunt maar beter je pincode geven

en niet liegen, anders maken we je dood" en/of

- die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] (terwijl hij/zij geblinddoekt

was/waren) naar een andere kamer (in die woning) gebracht en/of op de grond

gegooid en/of neergelegd en/of

- in aanwezigheid van die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] (terwijl

hij/zij geblinddoekt was/waren) gezegd: "Hou ze onder schot";

7.

(zaak 01)

hij op of omstreeks 28 april 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

in/uit een (bedrijfs)pand (bakkerij [X], gelegen aan de [adres 5]

aldaar) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

twee, althans één, mobiele telefoon(s) (merk Nokia) en/of een portemonnee

(inhoudende diverse passen en/of een geldbedrag) en/of

vijftienduizenddriehonderdnegenentachtig (15.389,-) euro, althans een (groot)

geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2]

[slachtoffer 9], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 9],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk

te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een)

andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 9] heeft gedwongen tot

de afgifte van twee, althans één, mobiele telefoon(s) (merk Nokia) en/of een

portemonnee (inhoudende diverse passen en/of een geldbedrag) en/of

vijftienduizenddriehonderdnegenentachtig (15.389,-) euro, althans een (groot)

geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2]

[slachtoffer 9], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s)

- een mes en/of een pistool dreigend op die [slachtoffer 9] heeft/hebben gericht

en/of gericht gehouden, en/of

- tegen die [slachtoffer 9] heeft/hebben gezegd: "ga liggen, ga liggen", en/of

(daarbij) die [slachtoffer 9] op de grond heeft/hebben geduwd/gegooid, en/of

- de handen van die [slachtoffer 9] achter zijn rug (met handboeien) heeft/hebben

geboeid, en/of

- (meermalen, althans eenmaal) tegen die [slachtoffer 9] en/of binnen de

gehoorsafstand van die [slachtoffer 9], heeft/hebben gezegd (zakelijk weergegeven)

dat die [slachtoffer 9] in zijn been gestoken zou worden, althans woorden van

gelijke aard of strekking, en/of

- die [slachtoffer 9] (met een tweede set handboeien) aan een verwarmingsbuis heeft/

hebben vastgemaakt, en/of

- het snoer van de telefoon heeft/hebben doorgesneden of -geknipt, en/of

- tegen die [slachtoffer 9] heeft/hebben gezegd dat hij niet meteen om hulp mocht

gaan roepen en/of dat hij/zij over 5 minuten nog een keer langs zouden

komen, althans woorden van gelijke aard of strekking;

8.

(zaak 03)

hij op of omstreeks 19 mei 2007 te Maastricht, althans in het arrondissement

Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 10] heeft gedwongen tot

de afgifte van een (groot) geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan de firma C1000, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of (één van)

zijn mededader(s)

- (met -een- bivakmuts-en- over het hoofd, althans met bedekt gezicht) een

filiaal van voornoemde C1000 is/zijn binnengegaan en/of

- (een) vuurwapen(s) heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden op

voornoemde [slachtoffer 10] en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 10] heeft/hebben gezegd (zakelijk weergegeven) dat hij op de grond

moest gaan liggen en/of dat hij de tweede man moest roepen, en/of

- (een) vuurwapen(s) heeft/hebben gericht op [slachtoffer 11], en/of

- die [slachtoffer 10] en/of die [slachtoffer 11] (onder dreiging van -een- vuurwapen-s-)

heeft/hebben meegenomen naar het kas-kantoor in voornoemd filiaal, en/of

- aan die [slachtoffer 10] heeft/hebben gevraagd of hij de kluis wilde openen, en/of

- tegen die [slachtoffer 10] heeft/hebben gezegd (zakelijk weergegeven) dat hij de

kassa-lades uit de kluis moest halen en/of (vervolgens) moest ontgrendelen

en/of (vervolgens) de inhoud van die lades in een tas moest stoppen;

9.

Primair

(zaak 56)

hij op of omstreeks 6 februari 2008, te Leeuwarden en/of te Utrecht, althans

in de/het arrondissement(en) Leeuwarden en/of Utrecht, opzettelijk

(telefonisch) [getuige], heeft medegedeeld: "Ik ben je ergste nachtmerrie"

en/of "Al moet ik één, twee jaartjes zitten [bijnaam], als ik naar buiten kom neuk

ik jou, jouw moeder, jouw vader, jouw broer, jouw hele fucking familie" en/of

"Ik word binnenkort overgeplaatst naar Nieuwegein. Ik maak jouw broer daar dood vriend" en/of "Als ik vrij kom neuk ik jouw kankermoeder" en/of "Als ik

vrij kom, jouw leven [bijnaam] is voorbij he flikker", althans woorden heeft geuit

van soortgelijke dreigende aard of strekking, kennelijk om de vrijheid van

voornoemde [getuige], om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter

of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij wist, of

ernstige reden had te vermoeden, dat die verklaring zou worden afgelegd;

Subsidiair

hij op of omstreeks 06 februari 2008 te Leeuwarden en/of te Utrecht, althans

in de/het arrondissement(en) Leeuwarden en/of Utrecht, [getuige] en/of

familieleden van voornoemde [getuige] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen

het leven gericht, althans met zware mishandeling, en/of met verkrachting,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [getuige] dreigend de woorden

toegevoegd:"Ik ben je ergste nachtmerrie" en/of "Al moet ik één, twee jaartjes

zitten [bijnaam], als ik naar buiten kom neuk ik jou, jouw moeder, jouw vader,

jouw broer, jouw hele fucking familie" en/of

"Ik word binnenkort overgeplaatst naar Nieuwegein. Ik maak jouw broer daar dood vriend" en/of "Als ik vrij kom neuk ik jouw kankermoeder" en/of "Als ik vrij kom, jouw leven [bijnaam] is voorbij he flikker", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

10.

(zaak 15)

hij in of omstreeks de periode van 7 oktober 2007 tot en met 11 oktober 2007

te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres] aldaar) heeft

weggenomen een (jacht)geweer (merk Miroku. kaliber 12 mm met serienummer

31145PM) en/of een (jacht)geweer (merk CZ, kaliber 7 x 64 mm met serienummer

A5764) en/of twee, althans één, do(o)(s)(zen) munitie en/of twee, althans één,

lampekap(pen) en/of een spiegel en/of één of meer kledingstuk(ken) en/of één

of meer fles(sen) parfum en/of een (grote) hoeveelheid sieraden en/of een

spelcomputer (merk Nintendo, type DS) en/of een spelcomputer (merk Sony, typePSP), en/of een computerspel (voor Nintendo DS) en/of een fotocamera (merk Pentax) en/of twee, althans één, opbergbak(ken) en/of een fotolijst en/of een schilderij en/of een (grenen) kast en/of een beeldscherm (merk Yakumo, type 900p) en/of een schoudertas en/of een (flatscreen) televisie (merk Gamma), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)

onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op/

verbreking van een toegangsdeur en/of een tussendeur van voornoemde woning

en/of van een opbergruimte in een kluis in voornoemde woning en/of middels een

valse sleutel;

11.

(zaak 19)

hij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2007 tot en met 30 oktober 2007

te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 7] aldaar) heeft

weggenomen twee, althans één, horloge(s) (merk DKNY) en/of een reis- en

kredietbrief (ter waarde van 400 euro) en/of 300 euro, althans een geldbedrag,

en/of een fotocamera (merk Casio, type Exilem) en/of een mobiele telefoon

(merk LG, type KG800) en/of een MP3-speler (merk I-pod) en/of een hoeveelheid

sieraden en/of een hoeveelheid DVD's en/of een hoeveelheid parfum en/of twee,

althans één, cadeaubon(nen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde 6] en/of diens echtgenote, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)

onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op/

verbreking van een keukenraam van voornoemde woning en/of (vervolgens)

middels inklimming via voornoemd raam en/of braak op/verbreking van één of

meer deur(en) in voornoemde woning.

Verweer als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering

De opgenomen vertrouwelijke communicatie

Voor het bewijs van een aantal van de ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie een beroep gedaan op opgenomen vertrouwelijke communicatie (hierna: de OVC). Het betreft hier de opname van gesprekken die door verdachte en/of medeverdachten zijn gevoerd tijdens hun transport van en naar huizen van bewaring. De OVC is op schrift gezet en vertaald door een aantal tolken. Tijdens de terechtzitting van 13 november 2008 is gebleken dat de uitwerking van de OVC vertaalfouten bevat. De rechtbank heeft naar aanleiding hiervan bevolen dat de OVC opnieuw, door een andere tolk, uitgewerkt en vertaald moest worden. De rechtbank heeft daarbij aangegeven dat zij een letterlijke weergave wenst te krijgen van hetgeen gezegd wordt. Deze tweede uitwerking wijkt duidelijk af van de eerste uitwerking, met name gezien het feit dat in de tweede uitwerking een groter deel van de gesprekken als “onverstaanbaar” wordt aangeduid.

In de tweede uitwerking van de OVC is per abuis een gedeelte van de opname van 9 januari 2008, het gesprek tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], niet weergegeven. De rechter-commissaris heeft hieromtrent een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juni 2009 opgemaakt. De rechtbank heeft geconstateerd dat het niet vertaalde gedeelte, een gedeelte van de OVC betreft waar zowel de officier van justitie als de verdediging zich niet op hebben beroepen. Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben aangegeven op dit moment geen nieuwe verdere aanhouding van de zaak te wensen. De rechtbank heeft vervolgens besloten de behandeling van de zaak voort te zetten zonder over dit gedeelte van de nieuwe uitwerking te beschikken. De rechtbank heeft op basis van de eerste uitwerking van de OVC vastgesteld dat, ook naar haar oordeel, dit gedeelte van het OVC belastend noch ontlastend materiaal bevat. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan deze omissie geen gevolgen dienen te worden verbonden.

De verweren

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting primair aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat

(i) de eerste uitwerking van de OVC een aantoonbaar verkeerde vertaling is gebleken,

(ii) er sprake is geweest van strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk,

(iii) er sprake is van strijd met het nemo tenetur-beginsel

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de OVC om genoemde redenen van het bewijs dient te worden uitgesloten. De raadsman heeft daarbij nog opgemerkt dat zowel de eerste als de tweede uitwerking van de OVC van het bewijs dient te worden uitgesloten door de vele verschillen tussen beide uitwerkingen.

Niet-ontvankelijkheid

De rechtbank heeft reeds ter terechtzitting van 4 december 2008 het verweer tot

niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie verworpen op de in het proces-verbaal van die zitting aangegeven gronden. Nadien zijn geen nieuwe omstandigheden aan het licht gekomen die maken dat hierover anders geoordeeld moet worden.

Bewijsuitsluiting

De rechtbank zal eerst ingaan op de opgeworpen vragen ten aanzien van de rechtmatigheid van de OVC en daarna op punten ten aanzien van de uitwerking daarvan.

Ad (ii) Strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk

De raadsman heeft aangevoerd dat door de rechter-commissaris op grond van artikel 126l van het Wetboek van Strafvordering op 5 december 2007 een machtiging tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie is afgegeven, terwijl verdachte pas later (op 15 december 2007) is aangehouden. Hierdoor is volgens de raadsman gehandeld in strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk.

De rechtbank overweegt dat een machtiging tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1][medeverdachte 2] is afgegeven voor een periode van vier weken vanaf 10 december 2007. Van die machtiging is geen gebruik gemaakt. Op 17 december 2007 (na arrestatie van verdachte) is een nieuwe aanvraag opname vertrouwelijke communicatie ingediend met betrekking tot communicatie tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] . Deze aanvraag ligt ten grondslag aan de OVC van 19 december 2007. Voor de OVC van 9 januari 2008 is een nieuwe machtiging verzocht op

7 januari 2008 . Het betoog van de raadsman berust aldus op een verkeerde lezing van het dossier.

De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat bij de aanvraag van de eerste machtiging opname vertrouwelijke communicatie gemotiveerd is weergegeven dat op dat moment diverse opsporingsmiddelen (met name telefoontaps, maar ook een foto Oslo-confrontatie en het vertonen van beelden via de media) waren ingezet, maar dat nog geen zicht bestond op (alle) daders in de zaken 5, 9 en 10 en dat tegen de verdachten die wel in beeld waren nader bewijs verzameld moest worden. Dat verdachte op dat moment nog niet was aangehouden doet niet af aan de rechtmatigheid van de gegeven machtiging tot opname. Vanzelfsprekend kon het middel pas worden ingezet nadat verdachte was aangehouden (toestemming was verleend voor opnames te maken in een arrestantenbus). Van enige strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk, op de door de raadsman aangevoerde grond of anderszins, is de rechtbank niet gebleken.

Ad (iii) Strijd met het nemo tenetur beginsel

De raadsman heeft gesteld dat een aantal verdachten in het onderzoek Herfst, waaronder zijn cliënt, door de officier van justitie tijdens de voorlopige hechtenis onder beperkingen waren gesteld. Ondanks de geldende beperkingen zijn de verdachten willens en wetens met elkaar in een arrestantenbusje vervoerd, in welk busje de apparatuur voor de OVC was geplaatst. De gesprekken die zij vervolgens voerden zijn opgenomen. Wat zijn cliënt blijkens de OVC in het arrestantenbusje heeft gezegd is een verklaring op grond van artikel 341 van het Wetboek van Strafvordering.

Toepassing van de OVC zou daarom volgens de raadsman in strijd zijn met het nemo tenetur beginsel, uitgedrukt in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank overweegt dat het nemo tenetur beginsel van toepassing is op verhoren van een verdachte en dat de OVC kan niet worden gekwalificeerd als een verhoor. De wetgever heeft in artikel 126l van het Wetboek van Strafvordering een specifieke regeling voor opname van vertrouwelijke communicatie opgenomen. Die regeling kan alleen worden toegepast ten aanzien van een verdachte. Van die wettelijke regeling is hier op correcte wijze gebruik gemaakt.

Ad (i): De eerste uitwerking van de OVC

De rechtbank stelt vast dat er tussen de eerste en de tweede uitwerking van de OVC verschillen zitten. De rechtbank heeft de volgende elementen in overweging genomen:

- In de tweede uitwerking worden de op de zitting van 13 november 2008 geconstateerde vertaalfouten andermaal bevestigd.

- De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat de eerste uitwerking van de OVC geen woordelijke weergave van de OVC is, maar dat er door de tolk op basis van de context een interpretatie is gegeven van wat er wordt gezegd.

- De tolken die de eerste uitwerking hebben opgesteld waren op de hoogte van het dossier in deze zaak, zij kenden de namen van de verdachten en de feiten waarvan zij verdacht werden, de tolk die de tweede uitwerking heeft gemaakt had geen kennis van het dossier of de verdachten.

- Bij de tweede uitwerking van de OVC is een proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris d.d. 25 mei 2009 gevoegd, waaruit volgt dat het de tolk is opgevallen dat de stemmen op de gegevensdragers snel praten en woorden inslikken wat in combinatie met de nadrukkelijk hoorbare achtergrondgeluiden maken dat de gesprekken veelal slecht te verstaan zijn.

- In de tweede uitwerking zijn meer gedeelten van de gesprekken als “onverstaanbaar” betiteld.

Gelet op al deze elementen is de rechtbank van oordeel dat de eerste uitwerking van de OVC moet worden uitgesloten van het bewijs op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank is van oordeel dat als in het dossier een transcript van gesprekken wordt opgenomen, zij erop moet kunnen vertrouwen dat dit transcript een letterlijke weergave is van hetgeen gezegd wordt. Het kan niet zo zijn dat de tolken interpretaties geven van hetgeen gezegd is en die interpretatie als een letterlijke weergave presenteren. Voorts acht de rechtbank het bepaald ongewenst dat de tolken voordat zij met hun werk een aanvang maken van de inhoud van het dossier op de hoogte zijn. Als het Openbaar Ministerie een dergelijke werkwijze nodig acht behoort zij de rechtbank en de verdediging hiervan in ieder geval op de hoogte te stellen.

Het verweer van de raadsman wordt derhalve in zoverre gevolgd. De rechtbank zal dan ook aan de eerste uitwerking voorbij gaan.

De tweede uitwerking van de OVC

De rechtbank overweegt voorts dat de tolk, verantwoordelijk voor de tweede uitwerking van de OVC, zijn werkzaamheden heeft verricht onder de door de rechtbank gestelde voorwaarden. De rechtbank is op grond van het voornoemde van oordeel dat ten aanzien van de tweede uitwerking van de OVC de benodigde zorgvuldigheid is betracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ten aanzien van de tweede uitwerking van de OVC geen sprake is van een schending op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering wat tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.

Vrijspraak

Feit 1 (zaak 5)

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1 (zaak 5) ten laste gelegde overval heeft begaan. De officier van justitie voert in zijn requisitoir onder meer als bewijs voor dit feit aan het op 19 december 2007 opgenomen vertrouwelijke gesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2], waarin verdachte zou zeggen “toen wij die ene bij de bank vasthielden” . De rechtbank overweegt dat deze zin in de tweede uitwerking van de OVC niet voorkomt. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de uitwerking van dit deel van het gesprek in de tweede vertaling, te weten dat verdachte tegen medeverdachte [medeverdachte 2] zou hebben gezegd “mijn foto heb ik gezien, ik in de bank (fon), jij weet het niet, die advocaat van Zuil (fon) …onverstaanbaar…camera van de bank, hij kijkt (fon), hij kijkt (fon), ik heb mijn hoofd gezien zo en mijn neus, zo…onverstaanbaar die dag jij met die ander hebt daar gezeten. Ik ging…onverstaanbaar…, ik deed zo” onvoldoende duidelijk is of het betrekking heeft op dit feit. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het opgenomen vertrouwelijke gesprek d.d. 19 december 2007 tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] , waarin verdachte aangeeft dat als die ander gaat praten ze zeven zaken hebben, te onduidelijk is om tot enig wettig dan wel overtuigend bewijs te kunnen leiden. De rechtbank is van oordeel dat er ook overigens onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van deze overval te komen. De verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 3 (zaak 8)

Ten aanzien van de onder feit 3 (zaak 8) ten laste gelegde overval is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Het opgenomen vertrouwelijke gesprek d.d. 19 december 2007 tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] , waarin verdachte aangeeft dat als die ander gaat praten ze zeven zaken hebben, is te algemeen en te onduidelijk om tot enig bewijs te kunnen bijdragen. Het feit dat uit telefoongegevens blijkt dat verdachte zich ten tijde van de overval in het gebied bevindt waar de overval plaatsvindt, acht de rechtbank onvoldoende, nu er overigens geen concreet bewijs in het dossier voorhanden is dat verdachte deze overval heeft gepleegd. De verdachte moet derhalve van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 4 (zaak 9)

Ook ten aanzien van het onder feit 4 (zaak 9) ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Op grond van de OVC kan niet worden vastgesteld dat verdachte bij deze overval betrokken is geweest. Het feit dat er gesproken wordt over “Jezus Christus” duidt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer op daderwetenschap. Naast de OVC bevat het dossier geen enkel bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij deze zaak. Verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 10 (zaak 15)

De rechtbank acht voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit

10 (zaak 15) ten laste gelegde woninginbraak heeft begaan. In het dossier zijn met betrekking tot dit feit een afgeluisterd telefoongesprek van 20 oktober 2007 tussen verdachte en medeverdachte [bijnaam 4] en OVC d.d. 19 december 2007 tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] , opgenomen. Door het tijdsverloop tussen de inbraak en deze gesprekken is de rechtbank van oordeel dat deze gesprekken niet kunnen leiden tot de conclusie dat verdachte bij de woninginbraak betrokken is geweest.

Daarnaast is het genoemde vertrouwelijke gesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] te vaag om tot een bewezenverklaring van de betrokkenheid van verdachte te komen. Op grond van het aantreffen van de vingerafdrukken van verdachte op de vuilniszak waar de weggenomen jachtgeweren in zaten kan naar het oordeel van de rechtbank niet vastgesteld worden dat verdachte bij de woninginbraak betrokken is geweest, nu overigens onvoldoende concreet bewijs in het dossier aanwezig is. Heling is niet ten laste gelegd. Verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 11 (zaak 19)

Tenslotte is de rechtbank -met de officier van justitie en de raadsman- van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder feit 11 (zaak 19) ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de stemherkenningen in het dossier niet betrouwbaar zijn. De opgenomen vertrouwelijke communicatie en de afgeluisterde gesprekken waarin de stemherkenning een rol speelt kunnen daarom niet tot het bewijs worden gebezigd, aldus de raadsman.

De rechtbank is van oordeel dat zij slechts met grote behoedzaamheid van de stemherkenningen gebruik kan maken. Zij zal daartoe per zaak kritisch beoordelen of de afgeluisterde gesprekken, waarin stemherkenning een rol speelt, als bewijs gebruikt kunnen worden. De rechtbank zal in de zaken waarin zij de stemherkenning betrouwbaar acht haar oordeel wat dat betreft nader toelichten.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verklaringen van [getuige] en [slachtoffer 14] niet zonder meer als bewijs kunnen worden gebruikt. Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 14] zijn eerdere verklaring ingetrokken en heeft [getuige] verklaard dat hij het zich niet meer kan herinneren. Daarnaast gaat om het de-auditu-verklaringen.

De rechtbank overweegt dat het op basis van het dossier niet duidelijk wordt hoe [getuige] en [slachtoffer 14] aan de wetenschap komen dat de door hen met naam genoemde [verdachte] betrokken is geweest bij overvallen. Zij hebben hun verklaring dat ze deze informatie van [naam] hadden gekregen later weer ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [getuige] en [slachtoffer 14] in het onderzoek Herfst van nutte zijn geweest als sturingsinformatie en daarmee als richtinggevend voor het opsporingsonderzoek, maar dat deze verklaringen om voornoemde reden niet tot het bewijs gebezigd kunnen worden.

De rechtbank overweegt voorts dat de verklaring van getuige [slachtoffer 8], zoals verwoord in zijn brief van 20 november 2008 en zijn verhoor bij de rechter-commissaris van 9 maart 2009, door de rechtbank niet als bewijs zal worden gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank leert de ervaring dat een verklaring, afgelegd ruim een jaar nadat het betreffende feit plaatsvond, en nadat de getuige de terechtzitting heeft bijgewoond en ter zitting met de verdachte is geconfronteerd, onvoldoende betrouwbaar is om tot bewijs in een strafzaak te kunnen dienen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 2, feit 5,

feit 6, feit 7, feit 8 en feit 9 ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

Feit 2 (zaak 6):

hij op 25 september 2007 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen,

op de openbare weg, de [adres 2] aldaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen bankpassen en een geldbedrag van 40 euro, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen

[slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

en

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ter beschikking

stellen van pincodes, toebehorende aan [slachtoffer 2],

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte,

en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 2] (met kracht) tegen een muur heeft/hebben gedrukt en de nek van die [slachtoffer 2] heeft/hebben omklemd en daarbij die [slachtoffer 2] dreigend heeft/hebben toegevoegd: "Pinpas, pinpas" en "je pincode klopt niet, geef mij je pincode, zeg eerlijk" en

- die [slachtoffer 2] een vuurwapen heeft getoond en op die [slachtoffer 2] heeft gericht, en

- die [slachtoffer 2] (met kracht) tegen het hoofd en in het gezicht heeft/hebben gestompt of geslagen en

- de broekzakken van die [slachtoffer 2] heeft/hebben doorzocht;

Feit 5 (zaak 10):

hij op 30 oktober 2007 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meer

portemonnees en een of meer bankpassen en een of meer mobiele

telefoons en een geldbedrag van ongeveer 740 euro, toebehorende aan [slachtoffer 6] of

[slachtoffer 7] of [slachtoffer 8], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

en

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]

en [slachtoffer 8] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer bankpassen

en een of meer mobiele telefoons en het ter beschikking stellen van pincodes, toebehorende aan [slachtoffer 6] of [slachtoffer 7] of [slachtoffer 8],

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 6] tegen de grond heeft/hebben gewerkt en hem dreigend heeft/hebben toegevoegd: "dingen gaan fout als je nu niet meewerkt, we willen je geld en je pincode” en

- die [slachtoffer 7] een mes heeft/hebben getoond en voorgehouden en gericht en

- die [slachtoffer 7] met kracht naar de grond heeft/hebben gedrukt en hem dreigend heeft/hebben toegevoegd: "beweeg je niet anders steek ik je neer"

- de hoofden van die [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] heeft/hebben bedekt met een handdoek en

- die [slachtoffer 8] uit zijn bed heeft/hebben getrokken en de bril van het gezicht van die [slachtoffer 8] heeft/hebben geslagen en

- die [slachtoffer 8] met een schroevendraaier in zijn lichaam heeft/hebben gestoken of geprikt en

- die [slachtoffer 8] in zijn maag heeft/hebben geschopt en

- die [slachtoffer 8] dreigend heeft/hebben toegevoegd: "je kunt maar beter je

pincode geven en niet liegen, anders maken we je dood";

Feit 6 (zaak 10):

hij op 30 oktober 2007 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk

[slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk, in een woning gelegen aan de [adres 4],

- die [slachtoffer 6] tegen de grond gewerkt en hem dreigend toegevoegd: "dingen

gaan fout als je nu niet meewerkt, we willen je geld en je pincode” en

- die [slachtoffer 7] een mes getoond en voorgehouden en gericht en

- die [slachtoffer 7] met kracht naar de grond gedrukt en hem dreigend toegevoegd: "beweeg je niet anders steek ik je neer"

- de hoofden van die [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] bedekt met een handdoek en

- die [slachtoffer 8] uit zijn bed getrokken en de bril van het gezicht van die

[slachtoffer 8] geslagen en

- die [slachtoffer 8] met een schroevendraaier in zijn lichaam gestoken of geprikt en

- die [slachtoffer 8] in zijn maag geschopt en

- die [slachtoffer 8] dreigend toegevoegd: "je kunt maar beter je pincode geven

en niet liegen, anders maken we je dood" en

- die [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] terwijl zij geblinddoekt

waren naar een andere kamer in die woning gebracht en op de grond

gegooid en

- in aanwezigheid van die [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] terwijl zij

geblinddoekt waren gezegd: "Hou ze onder schot";

Feit 7 (zaak 1):

hij op 28 april 2007 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander,

in een bedrijfspand (bakkerij [X], gelegen aan de [adres 5]

53 aldaar) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

twee mobiele telefoons merk Nokia en een portemonnee inhoudende diverse passen en

een geldbedrag) en vijftienduizenddriehonderdnegenentachtig (15.389,-) euro, toebehorende aan [slachtoffer 9], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 9], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk

te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader

- een mes en een pistool dreigend op die [slachtoffer 9] heeft/hebben gericht en

- tegen die [slachtoffer 9] heeft/hebben gezegd: "ga liggen, ga liggen", en

daarbij die [slachtoffer 9] op de grond heeft/hebben gegooid, en

- de handen van die [slachtoffer 9] achter zijn rug met handboeien heeft/hebben

geboeid, en

- binnen de gehoorsafstand van die [slachtoffer 9], heeft/hebben gezegd (zakelijk weergegeven)

dat die [slachtoffer 9] in zijn been gestoken zou worden, en

- die [slachtoffer 9] met een tweede set handboeien aan een verwarmingsbuis heeft/

hebben vastgemaakt, en

- het snoer van de telefoon heeft/hebben doorgesneden, en

- tegen die [slachtoffer 9] heeft/hebben gezegd dat hij niet meteen om hulp mocht

gaan roepen en dat zij over 5 minuten nog een keer langs zouden

komen;

Feit 8 (zaak 3):

hij op 19 mei 2007 te Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door bedreiging met geweld [slachtoffer 10] heeft gedwongen tot

de afgifte van een (groot) geldbedrag, toebehorende aan de firma C1000,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededader

- met bivakmutsen over het hoofd een filiaal van voornoemde C1000 is/zijn binnengegaan en

- een vuurwapen heeft/hebben gericht en gericht gehouden op

voornoemde [slachtoffer 10] en vervolgens

- die [slachtoffer 10] heeft/hebben gezegd (zakelijk weergegeven) dat hij op de grond

moest gaan liggen en dat hij de tweede man moest roepen, en

- een vuurwapen heeft/hebben gericht op [slachtoffer 11], en

- die [slachtoffer 10] en die [slachtoffer 11] onder dreiging van vuurwapens

heeft/hebben meegenomen naar het kas-kantoor in voornoemd filiaal, en

- aan die [slachtoffer 10] heeft/hebben gevraagd of hij de kluis wilde openen, en

- tegen die [slachtoffer 10] heeft/hebben gezegd (zakelijk weergegeven) dat hij de

kassa-lades uit de kluis moest halen en vervolgens moest ontgrendelen

en vervolgens de inhoud van die lades in een tas moest stoppen;

Feit 9 (zaak 56):

hij op 6 februari 2008 te Leeuwarden opzettelijk telefonisch [getuige], heeft medegedeeld: "Ik ben je ergste nachtmerrie"

en "Al moet ik één, twee jaartjes zitten [bijnaam], als ik naar buiten kom neuk

ik jou, jouw moeder, jouw vader, jouw broer, jouw hele fucking familie" en

"Ik word binnenkort overgeplaatst naar Nieuwegein. Ik maak jouw broer daar dood vriend" en "Als ik vrij kom neuk ik jouw kankermoeder" en "Als ik vrij kom, jouw leven [bijnaam] is voorbij he flikker", kennelijk om de vrijheid van voornoemde [getuige], om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij ernstige reden had te vermoeden, dat die verklaring zou worden afgelegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 2, feit 5, feit 6, feit 7, feit 8 en feit 9 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De rechtbank overweegt daartoe als volgt:

Ten aanzien van feit 2 (zaak 6):

Aangever [slachtoffer 2] verklaarde bij de politie dat hij op 25 september 2007 omstreeks 23.45 uur op de [adres 2] te Utrecht werd overvallen door drie personen. Aangever werd door één van de daders tegen een muur aangedrukt en de dader omklemde met zijn arm de nek van aangever. Een tweede dader hield een vuurwapen in zijn hand. De eerste dader bleef roepen “pinpas, pinpas”. Aangever werd daarbij in een nekklem vastgehouden. Er werd iets tegen het hoofd van aangever gehouden en aangever verklaarde zeker te weten dat het het vuurwapen was. Hij werd door één van de daders met een vuist op zijn achterhoofd geslagen. Een derde dader doorzocht de tas van aangever. Hij pakte het mapje met alle pasjes van aangever. Eén van de daders reed weg op een fiets, vermoedelijk met de pinpas van aangever. Na een paar minuten hoorde aangever dat één van de achtergebleven daders aan het bellen was. Er werd vervolgens tegen aangever geschreeuwd “je pincode klopt niet, geef mij je pincode, zeg eerlijk”. Wederom werd het vuurwapen tegen zijn hoofd gehouden. Aangever voelde dat iemand in zijn zakken begon te voelen. Er werd € 40,00 uit zijn broekzak weggenomen. Iemand zei tegen aangever “je gaat je pinpas niet blokkeren”. Aangever kreeg vervolgens een klap in zijn gezicht.

Op de beelden van bewakingscamera 1 bij de pinautomaat van de Rabobank aan de [adres] is op 25 september 2007 om 23.44.03 uur een capuchon te zien die een persoon kennelijk op zijn hoofd heeft. Tevens is een stuk stuur van een fiets zichtbaar. Van de persoon is 1 hand zichtbaar. De persoon draagt om deze hand een handschoen en ook is gedeeltelijk de manchet van de mouw van de bovenkleding zichtbaar. Op de beelden van bewakingscamera 2 is op 25 september 2007 om 23.43.30 uur een persoon te zien op een fiets. Deze persoon rijdt richting het pinapparaat en blijft voor het apparaat stilstaan. Persoon heeft zijn linkerarm kennelijk bij zijn oor. Het lijkt wel alsof hij aan het bellen is. Op het tijdstip 23.43.34 uur rijdt de persoon op de fiets enkele meters van het pinapparaat weg. Op het tijdstip 23.44.20 uur is te zien dat de persoon weer terugrijdt en voor het pinapparaat blijft staan. Hij houdt zijn linkerhand tegen zijn oor aan. Het lijkt alsof hij aan het bellen is. Op deze beelden is te zien dat de fiets een damesfiets betreft. De fotoprints van de bewakingscamera’s zijn in het dossier gevoegd .

Op de beelden van de bewakingscamera 1 bij de pinautomaat van de Fortisbank aan de

[adres 8] is te zien dat op 26 september 2007 om 00.06.46 uur een persoon in beeld komt. De persoon zit op een fiets, draagt een capuchon over zijn hoofd en houdt een hand voor zijn gezicht ter hoogte van zijn mond. Er is te zien dat de persoon zwarte handschoenen draagt. Door de persoon worden enkele handelingen verricht, waaruit kan worden opgemaakt dat hij tracht geld te pinnen.

Er is te zien dat er lichtkleurige kleding onder de mouwen van de donkerkleurige jas of sweater uitsteekt. Op de beelden van bewakingscamera 2 is te zien dat om 00.07.39 uur een persoon op een damesfiets wegrijdt.

Ook van deze beelden zijn de fotoprints in het dossier gevoegd .

In het proces-verbaal d.d. 13 november 2007 wordt gerelateerd dat het na het uitkijken van de beelden aannemelijk is dat het op de beelden van de Rabobank en de beelden van de Fortis Bank om dezelfde verdachte gaat.

Op 2 oktober 2007 werd verdachte aangehouden. Verdachte verplaatste zich ten tijde van de aanhouding op een damesfiets. De fiets en een paar zwarte neopreen handschoenen, werden onder verdachte in beslag genomen . Van de fiets en de handschoenen zijn foto’s in het dossier gevoegd . Door de verbalisant wordt gerelateerd dat de handschoen op de bewakingsbeelden van de Rabobank sterke gelijkenis vertoont met de onder verdachte in beslag genomen handschoenen en dat de fiets waarmee de verdachte op de bewakingsbeelden van de Rabobank zich verplaatst een zeer sterke gelijkenis vertoont met de onder verdachte in beslag genomen fiets. Op de foto’s van de onder verdachte in beslag genomen fiets is te zien dat alle opvallende kenmerken van de damesfiets van de bewakingsbeelden overeen komen. Het betreft vermoedelijk dezelfde fiets .

Uit het door Ir. B.H. van den Heuvel opgemaakt rapport d.d. 30 oktober 2008 volgt dat er qua model en merk zeven met naam genoemde punten van overeenkomst zijn tussen de fiets op de bewakingsbeelden en de onder verdachte in beslag genomen fiets. Voorts blijkt uit genoemd rapport dat opvalt dat bij beide fietsen het zadel laag staat afgesteld, net alsof het frame te groot is of was voor de berijder.

Uit de OVC blijkt ten slotte dat [verdachte] een foto heeft gezien waarop hij zijn hoofd en zijn neus heeft gezien. In dit gesprek verwijst [verdachte] naar “die dag jij met die ander hebt daar gezeten, ik ging zo, ik deed zo” . De rechtbank beziet deze passage in het licht van het gehele gesprek wat toen tussen de verdachten werd gevoerd. Verdachte sprak met de medeverdachte over het bewijs wat tegen hen zou kunnen bestaan. Zij waren bekend met de verdenking die tegen hen bestond in deze zaak. Daarnaast volgt uit het dossier dat in Opsporing Verzocht beelden van deze overval zijn getoond en dat ook tijdens het verhoor van de verdachte bij de politie foto’s van de bewakingsbeelden aan de verdachte zijn getoond . Andere foto’s zijn hem niet getoond. De rechtbank overweegt dat het derhalve logisch is dat verdachte het hier heeft over de foto van de bewakingscamera in deze zaak. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte in de OVC refereert aan de onderhavige overval.

Op grond van voornoemde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen deze overval heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 5 en feit 6 (zaak 10):

Aangever J. [slachtoffer 6] verklaarde bij de politie dat hij woonde op de [adres 4] in Utrecht met de medeaangevers [slachtoffer 8] [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7]. Op 30 oktober 2007 om 18.00 uur hoorde hij gerommel aan de achterdeur. [slachtoffer 6] deed de achterdeur open en op dat moment werd hij door één man vastgepakt. Twee andere mannen liepen de gang in. Eén van de mannen liep op enig moment zijn slaapkamer in en pakte zijn portemonnee. Vervolgens werd [slachtoffer 6] tegen de grond gewerkt en onder controle gehouden. Hij hoorde de mannen zeggen “dingen gaan fout als je nu niet meewerkt, we willen je geld en je pincode.” Twee mannen trokken vervolgens [slachtoffer 7] ook de kamer binnen en zetten hem naast [slachtoffer 6] op de grond. Zij werden daarop geblinddoekt. [slachtoffer 6] hoorde [slachtoffer 8] kermen van de pijn en één van de mannen zei “je kunt maar beter je pincode geven en niet liegen anders maken we je dood”. Nadat de pincodes waren gecontroleerd via de laptop van [slachtoffer 6] ging één persoon via de achterdeur weg om te pinnen. Toen deze man terug kwam was hij boos, omdat hij niet veel geld had kunnen pinnen. Ze werden toen één voor één begeleid naar een andere kamer, terwijl ze nog geblinddoekt waren. [slachtoffer 6] verklaarde dat tijdens de overval één van de mannen tweemaal werd gebeld. De overvallers hebben de mobiele telefoon, de bankpas en ongeveer dertig à veertig euro contact geld van [slachtoffer 6] meegenomen.

[slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] ondersteunen het verhaal van [slachtoffer 6]. Daarnaast blijkt nog uit de verklaring van [slachtoffer 7] dat twee jongens direct op hem af stapten toen hij de kamer van [slachtoffer 6] in liep en dat de rechterjongen een mes vasthield ter hoogte van het gezicht van [slachtoffer 7] op ongeveer 20 centimeter afstand. De linkerjongen pakte hem beet en duwde hem de kamer in en drukte hem met kracht op de grond. Toen hij op de grond zat werd door één van de jongens gezegd “beweeg je niet anders steek ik je neer”. Er werd een handdoek over zijn hoofd gelegd. Hij heeft vervolgens zijn telefoon afgegeven of deze werd afgepakt. Eén van de jongens vroeg om zijn pinpas, waarop [slachtoffer 7] de pinpas uit zijn portemonnee heeft gepakt en aan één van de jongens heeft gegeven. De jongen die wegging zei “hou ze onder schot”. [slachtoffer 7] werd een bankpas, een mobiele telefoon en geld weggenomen.

Uit de aangifte van [slachtoffer 8] bij de politie volgt nog dat hij zag dat een persoon op hem af kwam lopen die hem ruw uit zijn bed trok. Hij zette zijn bril op, maar deze werd van zijn hoofd geslagen. Hij werd naar de andere kant van zijn kamer geduwd en een persoon zei “pak je pinpas”. Hij had gezien dat één van de personen een vrij grote schroevendraaier in zijn hand had. Deze persoon stak hem met de schroevendraaier. De persoon heeft hem twee maal geprikt cq gestoken. De persoon trok de portemonnee uit de handen van [slachtoffer 8]. Hij werd door dezelfde persoon naar de kamer van [slachtoffer 6] geduwd. Hij zag dat in deze kamer nog twee personen op de grond zaten met een handdoek over hun hoofd. Hij werd op de grond gegooid en er werd een vochtige handdoek over zijn hoofd gegooid. Eén van de personen vroeg naar de pincode. [slachtoffer 8] gaf drie keer een fictieve code. Hij hoorde dat het pasje nu geblokkeerd was. Ze werden hierop erg kwaad en [slachtoffer 8] voelde dat hij twee keer in zijn maag werd geschopt. Hierna vroegen ze de pincode van de pas van de postbank. Later klaagden de daders dat er zo weinig geld op de rekeningen stond, van een rekening hadden zij 700 euro afgehaald en van zijn rekening 40 euro. Vervolgens werd hij naar de kamer van [slachtoffer 7] geleid en daar ruw op de grond gegooid.

In het dossier is een afgeluisterd telefoongesprek d.d. 30 oktober 2007 opgenomen . Om 18.05 uur spreekt verdachte met een vrouw, naar later gebleken genaamd [naam 2]. In dit gesprek zegt verdachte dat hij “bij die Christina is, bij die buurthuis”. De rechtbank overweegt dat dit gesprek plaatsvindt kort voor de overval op de [adres 4]. Vervolgens belt verdachte om 18.19 uur wederom met [naam 2] . Voordat het gesprek begint is op de achtergrond te horen dat een man zegt “Wat is je code, wat is je code. Als ze het natrekken. Als het fout is ben je de lul”. Hierna begint het telefoongesprek en zegt verdachte tegen [naam 2] dat zij nog niet moet komen, omdat hij nog effe bezig is.

[naam 2] (roepnaam [naam 2]verklaarde bij de politie dat zij genoemde telefoongesprekken met [verdachte] heeft gevoerd.

De aangevers hebben het geluidsfragment “wat is je code, wat is je code. Als ze het natrekken. Als het fout is ben je de lul” beluisterd. Aangever Kalsbeek verklaarde bij de politie de stemmen te herkennen. [slachtoffer 6] verklaarde voor 100% zeker te weten dat dit gesprek is gevoerd tijdens de overval. Daarnaast heeft [slachtoffer 6] tijdens een fotoconfrontatie verdachte [verdachte] herkend als één van de daders van de overval .

Op grond van voornoemde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze overval samen met anderen heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 7 (zaak 1):

Aangever [slachtoffer 9], eigenaar van bakkerij [X], gevestigd aan de [adres 5] te [woonplaats], verklaarde bij de politie dat hij op 28 april 2007 door twee mannen werd overvallen. De mannen waren kennelijk via de achterdeur het pand binnengekomen. Eén van hen had een pistool in zijn handen en de ander een groot mes. Aangever werd gelijk gesommeerd op de grond te gaan zitten. Er werd tegen hem geroepen “ga liggen, ga liggen”. Terwijl aangever dat deed werd hij op de grond gesmeten. Hierdoor viel zijn gsm uit zijn broekzak, welke gsm door de daders werd meegenomen. Ook haalden de daders een portemonnee uit de zak van zijn broek, welke ook werd meegenomen. Toen aangever op de grond lag werden zijn handen achter zijn rug geboeid met handboeien. Aangever hoorde dat er werd geroepen steek hem in zijn been dan kan hij niet lopen of ik steek hem in zijn been. Aangever moest meelopen naar het kantoortje. Met de kluissleutel is door één van de daders de kluis geopend. Aangever werd daarna met een tweede set handboeien vastgemaakt door een stoel heen om de verwarmingsbuis bij het raam van het kantoortje. Er werd nog gezegd dat aangever niet gelijk om hulp kon gaan roepen en hij moest wachten, omdat zij na vijf minuten nog een keer langs zouden komen. Toen de daders waren vertrokken zag aangever dat het snoer van de telefoon was doorgesneden. Bij de overval werden twee mobiele telefoons van het merk Nokia, een portemonnee met pasjes en een paar honderd euro en

€ 15.389,10 weggenomen .

Uit de OVC van 9 januari 2008 (gesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2]) volgt dat verdachte zegt “als ik niet, niet, niet uit dat kan komen, dan zeg ik tegen hen, luister, kijken jullie…waar vinden ze nu mijn bloed? Wij hebben, hebben, hebben die, je weet wel…onverstaanbaar, wat daar is gebeurd”. [medeverdachte 2] antwoordt daarop “wat?” waarop verdachte zegt “ken je bakker” fon bakker?” De rechtbank heeft dit fragment in raadkamer beluisterd en heeft daarbij gehoord dat waar in de uitwerking door de tolk onverstaanbaar is vermeld, duidelijk wordt gezegd [naam]. Uit het dossier volgt dat de [straatnaam] om de hoek van de [adres 5] ligt en dat uit onderzoek is gebleken dat er maar één soort bakkerij op de [straatnaam] zit, welke bakkerij [X] blijkt te zijn.

Gelet op de context van genoemd gesprek is de rechtbank van oordeel dat verdachte in het gesprek praat over het bewijs dat justitie mogelijk tegen hem heeft en dat hij denkt dat ze in de [straatnaam] zijn bloed kunnen gaan vinden. Het is dus aannemelijk dat verdachte vreest dat hij bloed bij de overval op bakkerij [X] heeft achtergelaten. Als de politie genoemd fragment aan verdachte laat horen geeft verdachte geen verklaring , terwijl dit een punt is dat uitleg verlangt.

De rechtbank overweegt nog dat de overval op bakkerij [X] niet op het bevel tot bewaring van verdachte staat. Verdachte was op het moment van genoemd gesprek nog niet over deze overval gehoord. Dit duidt naar het oordeel van de rechtbank op daderwetenschap bij verdachte.

Gelet op voornoemde acht de rechtbank de betrokkenheid van verdachte bij deze overval wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 8 (zaak 3):

Aangever J. Janssen verklaarde bij de politie dat op 19 mei 2007 omstreek 06.37 uur de C1000 in Maastricht werd overvallen door twee mannen. Beide daders hadden een zwarte bivakmuts over hun hoofd en een pistool in hun hand. Eén van de daders hield het pistool in de richting van aangever gericht. Hij zei dat aangever op de grond moest gaan liggen, hij wilde de sleutels hebben en aangever moest de tweede man roepen. Het andere aanwezige personeelslid, [slachtoffer 11], werd opgevangen door de tweede dader. Onderweg naar het kantoor liepen aangever en [slachtoffer 11] voorop en de beide mannen liepen achter hen, terwijl zij hun pistolen op aangever en [slachtoffer 11] gericht hadden. In het kantoor vroeg één van de daders of aangever de kluis wilde openen. Aangever heeft de bovenste kluis geopend. In die kluis stonden vier kassa-lades en aangever moest de lades openen. Aangever heeft de lades op een elektronisch apparaat gezet om de kassa-lades te ontgrendelen. Eén van de daders had gezegd dat aangever het geld uit de lades moest nemen en in de zwarte tas moest stoppen. Aangever heeft na het openen van de lades het geld eruit gepakt en in de tas gestopt. Beide daders bleven aangever en [slachtoffer 11] bedreigen met hun pistolen.

Slachtoffer [slachtoffer 11] deed ook aangifte van de overval .

Van de bij verdachte aangetroffen telefoon met het telefoonnummer 06-50505471, welke telefoon hij in gebruik had tijdens het onderzoek Herfst, werden de historische printgegevens opgevraagd. Uit deze gegevens blijkt dat op 19 mei 2007 om 09.09.14 uur een gesprek plaatsvindt met de telefoon met de sim-kaart met telefoonnummer 06-50505471 in de omgeving van de paal [adres] te Maastricht. De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat de telefoon met het nummer 06-50505471, waarvan is vastgesteld dat deze in gebruik is bij verdachte, is gebruikt in Maastricht 2 uur en 31 minuten na het tijdstip van de overval op de C1000 .

Voorts blijkt uit de OVC dat verdachte in drie gesprekken over Maastricht praat . De rechtbank overweegt op basis van de inhoud van deze gesprekken dat verdachte in Maastricht is geweest en dat er blijkbaar iets is ten aanzien van Maastricht wat verdachte zorgen baart. In het op 19 december 2007 gevoerde gesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zegt verdachte: “dat nummer heb ik drie jaar, ik ben met ze naar Maastricht gegaan. Bleven daar. De “insecten” in Maastricht (be)kijken de telefoons. Je weet toch… Ik heb ook…vrienden gepraat…ga kijken, ze zien [bijnaam 3] heeft gepraat met dat nummer 0650…hij zegt wie was dat met wie je hebt gesproken…je hebt gepraat met 0650, wie is dat?”

De politie komt pas op het spoor van de overval op de C1000 als getuige [getuige] op 21 december 2007 bij de politie verklaard dat onder andere [verdachte] deze overval heeft gepleegd. Op 19 december 2007 was er nog geen sprake van enige verdenking voor een in Maastricht gepleegd delict. Maastricht was derhalve ook niet in de verhoren ter sprake gekomen.

Uit de context van de OVC tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2], opgenomen op pagina 4 en 5 van de tweede uitwerking van de OVC, maakt de rechtbank op dat verdachte aan het inventariseren is waar de politie zijn bloed zou kunnen vinden. Verdachte noemt dan onder meer “ik heb…Maastricht, die supermarkt”. Dit gesprek wordt gevoerd op 9 januari 2008. Blijkens de passage op pagina 3 en 4 van de OVC spreekt verdachte eerder die dag over “weet je waarom, in mijn telefoon? Ze zeiden tegen me je was in Maastricht drugs verkopen. Ik zweer het bij Allah. Ze zeiden tegen me, je verkoopt drugs. Ze zeiden je ging Utrecht uit. Ze zeiden tegen me je steelt in huizen. Hij zei tegen mij jij hebt die auto gestolen. Nu heb ik met hen een zwijgplicht gedaan. Ik heb niet met hen gepraat tot raadkamer. Ze kunnen mij niets doen/maken. Telefoon hebben ze niet bij me gevonden. Enigste, ze wachten nu op dat DNA van mij”. Ook op 9 januari 2008 wordt verdachte nog niet verdacht van de overval op de C1000 in Maastricht, nu deze overval pas op 28 februari 2008 aan het bevel tot bewaring is toegevoegd. In de verhoren is tot dan toe alleen aan verdachte gevraagd of hij wel eens in Maastricht is geweest en er is hem nog niets gevraagd over een supermarkt of over een C1000 . De rechtbank overweegt dat uit de OVC blijkt dat verdachte vreest dat hij in verband wordt gebracht met een supermarkt in Maastricht. Het zou daar, gezien de context van dit gesprek, namelijk het doornemen van bestaande verdenkingen en bewijs, gaan om een strafbaar feit waarbij verdachte betrokken is geweest. De politie is aan de hand van de mobiele telefoon van verdachte, waarvan hij ook in de OVC aangeeft dat hij deze al drie jaar heeft, nagegaan wanneer verdachte in Maastricht is geweest. Hij blijkt dus op de ochtend van de overval op de C1000 in Maastricht te zijn.

Verdachte beroept zich zowel bij de politie als ter terechtzitting op zijn zwijgrecht. Verdachte geeft derhalve geen verklaring op punten die naar het oordeel van de rechtbank wel om een verklaring vragen.

De rechtbank overweegt voorts dat uit onderzoek is gebleken dat in de agenda van medeverdachte [bijnaam 4] op 19 mei 2008 staat vermeld “jaar geleden Maastricht activiteiten” . Deze aantekening correspondeert met de datum van de overval op de C1000 op 19 mei 2007.

Uit het dossier is gebleken dat verdachte en [bijnaam 4] bevriend zijn . Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat [bijnaam 4] aantekeningen in zijn agenda maakt van feiten die voor hem kennelijk belangrijk waren. Uit de strekking van de gesprekken van [bijnaam 4] en de notities in de agenda waarin hij het woord activiteiten gebruikt blijkt dat dit kennelijk op strafbare feiten betrekking heeft dan wel op voor hem belangrijke gebeurtenissen. Na bestudering van de aantekeningen bleek dat meerdere aantekeningen konden worden herleid naar strafbare feiten.

Ten slotte en ten overvloede overweegt de rechtbank dat uit twee in het dossier opgenomen telefoongesprekken tussen verdachte en een andere persoon in oktober 2007 volgt dat gesproken wordt over de benodigde voorbereidingen om een Aldi-supermarkt te overvallen. Genoemd worden het afleggen van de supermarkt, het tijdstip waarop het personeel ’s ochtends bij de supermarkt aankomt, de plek waar het personeel overvallen moet worden, de wijze waarop de deuren open en dicht gaan en op welk tijdstip het ’s ochtends nog donker is. Verdachte weet dus hoe het plegen van een overval in zijn werk gaat.

Gelet op voornoemde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de overval op de C1000 in Maastricht heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 9 primair (zaak 56):

Aangever [getuige] verklaarde bij de politie dat hij op 6 februari 2008 gebeld werd op zijn mobiele telefoon en bedreigd werd door een onbekende jongen. Op grond van de in het dossier opgenomen afgeluisterde telefoongesprek d.d. 6 februari 2008 en de verklaring van verdachte bij de politie is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [getuige]. Verdachte heeft niet concreet bekend dat hij

[getuige] heeft bedreigd om zo zijn vrijheid om naar waarheid te verklaren te beïnvloeden. Echter, gelet op de context is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat [getuige] nogmaals een verklaring zou moeten afleggen. Door

[getuige] te bedreigen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat hij daarmee de vrijheid van deze persoon om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of een ambtenaar een verklaring af te leggen, heeft beïnvloedt.

De rechtbank acht daarom het onder 7 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder

feit 2, feit 5, feit 6, feit 7, feit 8 en feit 9 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder feit 2, feit 5, feit 6, feit 7, feit 8 en feit 9 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

En

Afpersing, door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 5 en feit 6:

Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

En

Afpersing, door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

En

Voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Ten aanzien van feit 7:

Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 8:

Afpersing door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 9:

Het opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid of naar geweten een verklaring ten overstaan van een rechter of een ambtenaar af te leggen.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier overvallen en een bedreiging.

Verdachte pleegde de overvallen samen met anderen. De slachtoffers werden met wapens bedreigd en door de daders werd daarbij bedreigende taal geuit. Bij drie overvallen gebruikten de daders ook daadwerkelijk geweld om te krijgen wat ze wilden hebben. Bij de overval op de [adres 2] werd de nek van het slachtoffer omklemd en het slachtoffer werd in zijn gezicht geslagen. Bij de overval op de bakkerij werd het slachtoffer vastgebonden met handboeien en ernstig bedreigd. Ook de bewoners van de [Y school] zijn van hun vrijheid berooft, geblinddoekt en bedreigd. Dat terwijl zij zich in hun eigen woning bevonden. De manier waarop verdachte en zijn mededaders met de slachtoffers van de overvallen zijn omgegaan getuigt niet van enig mededogen. De gevolgen voor de slachtoffers zijn groot geweest. Hun gevoel van veiligheid en hun vertrouwen in de medemens zijn ernstig aangetast. Verdachte ging het enkel om geldelijk gewin. De gepleegde overvallen rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Blijkens het uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 6 maart 2009 is verdachte niet eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het voorlichtingsrapport van reclasseringswerker

G. Mulder van 7 november 2008. De reclassering doet geen uitspraak over de kans op recidive nu verdachte ontkent de aan hem ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd. Daarnaast is verdachte blijkens het voorlichtingsrapport van mening dat hij geen hulp nodig heeft om zijn leven weer op orde te krijgen. Ook ter terechtzitting heeft verdachte verklaard geen hulp nodig te hebben.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte van het onder 11 ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken en voor de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 primair en 10 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Hoewel de rechtbank drie overvallen en één woninginbraak minder bewezen acht is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend is. De rechtbank houdt daarbij met name rekening met de ernst van de door verdachte gepleegde overvallen. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het feit dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Verdachte heeft ter terechtzitting geen enkel berouw richting de slachtoffers getoond.

Teruggave in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp, te weten een grijs doosje met munten,

zal de rechtbank gelasten dat dit voorwerp aan de rechthebbende wordt teruggegeven.

Met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp, te weten de jas, kleur zwart, G-Star,

zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie dit voorwerp in beslag is genomen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 806,99 wegens materiële schade en een bedrag van € 1.600,00 wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 5 en 6 bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 1.600,00 en de materiële schade wordt begroot op € 806,99, derhalve in totaal € 2.406,99.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 804,65 wegens materiële schade en een bedrag van € 1.700,00 wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 5 en 6 bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 1.700,00 en de materiële schade wordt begroot op € 804,65, derhalve in totaal € 2.504,65.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 779,00 wegens materiële schade en een bedrag van € 1.600,00 wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 5 en 6 bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 1.600,00 en de materiële schade wordt begroot op € 779,00, derhalve in totaal € 2.379,00.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij Schuitema Winkelbedrijf BV, voor welke als gemachtigde optreedt [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 8 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 587,38 wegens materiële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 8 bewezenverklaarde feit.

De materiële schade wordt begroot op € 587,38.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door een mededader is voldaan.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 8 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 750,00 wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 8 bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 750,00.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door een mededader is voldaan.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 8 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 15,00 wegens materiële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 8 bewezenverklaarde feit.

De materiële schade wordt begroot op € 15,00.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door een mededader is voldaan.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 10 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 10 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij en de verdachte moeten ieder de eigen kosten dragen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 56, 57, 282, 285a, 310, 312 en 317.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1, 3, 4, 10 en 11 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 2, feit 5, feit 6, feit 7, feit 8 en feit 9 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder feit 2, feit 5, feit 6, feit 7, feit 8 en feit 9 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 12 (TWAALF) JAAR.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van een grijs doosje met munten aan de rechthebbende.

Gelast de teruggave van de jas, kleur zwart, G-Star aan de verdachte.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 2.406,99 (zegge tweeduizendvierhonderdzes euro en negenennegentig eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 2.406,99 (zegge tweeduizendvierhonderdzes euro en negenennegentig eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 42 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 2.504,65 (zegge tweeduizendvijfhonderdvier euro en vijfenzestig eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 2.504,65 (zegge tweeduizendvijfhonderdvier euro en vijfenzestig eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 42 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 2.379,00 (zegge tweeduizenddriehonderdnegenenzeventig euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 2.379,00 (zegge tweeduizenddriehonderdnegenenzeventig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 42 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5], gevestigd te [vestigingsplaats], voor welke als gemachtigde optreedt [benadeelde 3], toe tot een bedrag van € 587,38 (zegge vijfhonderdzevenentachtig euro en achtendertig eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door een mededader is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 587,38 (zegge vijfhonderdzevenentachtig euro en achtendertig eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of een mededader dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of een mededader voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 750,00 (zegge zevenhonderdvijftig euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door een mededader is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 750,00 (zegge zevenhonderdvijftig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of een mededader dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of een mededader voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 15,00 (zegge vijftien euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door een mededader is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 15,00 (zegge vijftien euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of een mededader dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of een mededader voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A. Wassing, P.K. van Riemsdijk en S.C. Hagedoorn, bijgestaan door mr. K.F. van Dam als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2009.

Mr. Wassing is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.