Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI9952

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-06-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
16/500163-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting. Verdachte heeft slachtoffer onder valse voorwendselen een bedrag van € 1.308,-- te laten betalen voor een reis naar Suriname. De reis heeft niet plaatsgevonden. Het geld is nooit teruggestort. Verdachte moet dit bedrag terug betalen aan het slachtoffer. De rechtbank legt geen straf op (toepassing art. 9A Wetboek van Strafrecht). Tijdens de behandeling heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd een soortgelijke zaak tegen verdachte gediend. Deze zaak had naar het oordeel van de rechtbank op dezelfde dagvaarding aangebracht kunnen worden, zodat één straf kon worden opgelegd. Er is ook sprake van een relatief oud feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/500163-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 juni 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1957] te [geboorteplaats],

wonende in Spanje,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Raadsman mr. A.W. Syrier, advocaat te Nieuwegein.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 juni 2009, waarbij de officier van justitie, mr. F. van Lenthe, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman bepleit niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie omdat de berechting niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.

De raadsman wijst op het feit dat het verhoor bij inverzekeringstelling ruim 3 jaar geleden heeft plaatsgevonden, op 9 april 2007.

In deze zaak is, aldus de raadsman, bovendien sprake van omstandigheden die eerder zouden leiden tot de conclusie dat sprake is van een uitzondering, een geval waarin niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie gerechtvaardigd is:

- Er is sprake van een relatief eenvoudige zaak.

- Cliënt werd gehinderd door beperkingen en beslag in de zaak met parketnummer 16/500794-05, pas medio 2005 kreeg hij stukken terug, maar vervolgens mocht hij met de aangevers geen contact meer opnemen, zodat hij geen betalingsregeling kon treffen.

- Mede door deze zaak kan cliënt niet in Nederland werken; hij is gedwongen naar Spanje gegaan en beschikt nu niet eens over de middelen om naar deze zitting af te reizen.

- Cliënt bevordert de afdoening, bijvoorbeeld door afstand van termijn in deze zaak;

- Als de zaak voortvarend berecht was, was deze berecht vóór de HR zijn arrest had gewezen van 17 juni 2008 (LJN BD 2578)

De rechtbank overweegt het volgende:

Tegenover de lange duur staat, dat het gaat om een zaak die naar haar aard relatief licht is, zodat de verdachte onder een geringer druk heeft geleefd dan wanneer sprake was geweest van een andersoortig delict, zoals bijvoorbeeld een zeden- of geweldsmisdrijf.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden maar dat dit niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden.

De rechtbank zal bij het bepalen van de straf echter in vergaande mate rekening houden met deze overschrijding.

3 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 25 oktober 2004 tot en met 5 november 2004 mevrouw [benadeelde] heeft opgelicht door haar onder valse voorwendselen een bedrag van € 1.308,-- te laten betalen voor een reis naar Suriname, dan wel een voor een geboekte reis betaald bedrag heeft verduisterd.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

primair:

op tijdstippen in de periode van 25 oktober 2004 tot en met 5 november 2004 in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels,

- [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van EUR 100,- en EUR 1208,- (totaalbedrag EUR 1308,-), in elk geval enig geldbedrag,

hebbende/zijnde verdachte toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- gezegd dat hij en/of het reisburo [X]reizen geheel verzorgde reizen naar Suriname kon

verzorgen (speciaal voor oudere mensen met verpleging) en

- zich daarbij voorgedaan en/of zich blijven voordoen als bevoegd persoon/reisburo en in

dat verband bevoegd verrichtte betalingen te incasseren en

- zich aldus voorgedaan als zijnde in staat de genoemde reis voor die [benadeelde] te

realiseren,

waardoor die [benadeelde] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.2 De bewijsmiddelen en bewijsoverweging

De rechtbank grondt haar overtuiging op de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen en waaruit het volgende blijkt.

Mevr. [benadeelde] was eind oktober 2004 op een reuma vakantiecentrum. Zij werd door een taxibus met als chauffeur de heer [verdachte] naar huis gebracht. Dhr. [verdachte] had mooie verhalen over Suriname en vertelde dat hij werkzaam was bij Reisbureau [X] Reizen. Hij kon voor een mooie prijs een vakantie aanbieden naar Suriname, een geheel verzorgde vakantie, helemaal op maat gemaakt voor ouderen met verpleging. Mevr. [benadeelde] stemde in met de vakantie en betaalde € 100,-- aan . Twee dagen later kwam dhr. [verdachte] langs om het reserveringsformulier te overhandigen en het restantbedrag van € 1.208,-- te ontvangen.

Het reserveringsformulier houdt onder meer in: “U vertrekdatum is 2 Oktober 2005 per KLM naar Paramaribo. Uw retourdatum is 2 November 2005 per KLM naar Amsterdam” en “U kunt kosteloos annuleren tot 15 dagen voor vertrek.” en : “U kunt kosteloos annuleren tot 23-10-2005” en “Dit bedrag kunt u normaal voldoen per bank maar de KLM heeft nieuwe richtlijnen betreffende lijndienstvluchten. Voor Lijndienstvluchten dienen per 1 Oktober 2004 het voledige bedrag te zijn voldaan bij reservering en boeking voordat de vlucht definitief wordt vast gezet” .

Vervolgens werd mevr. [benadeelde] ziek en annuleerde in februari 2005 de beweerde reis . Zij belde dhr. [verdachte] en hij zei dat het geen probleem was en dat hij het geld zou terugstorten. Er werd echter niets gestort op haar rekeningnummer. Vervolgens hebben zowel mevr. [benadeelde] als haar dochter meermalen contact met dhr. [verdachte] opgenomen, maar tot op heden is het geldbedrag ondanks vele toezeggingen , niet teruggestort .

De verdachte heeft verklaard dat hij met de betreffende mevrouw in contact is gekomen doordat hij taxi reed voor oudere mensen. Hij was bezig met het opzetten van een eigen luchtlijn naar Suriname.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid aangaf dat hij geheel verzorgde reizen kon verzorgen /realiseren en acht ook het tenlastegelegde oogmerk bewezen op grond van het volgende:

• De verdachte heeft de betaling contant geïnd, nadat hij in een “reserveringsformulier” van [X] Reizen (met typ- en spelfouten) heeft aangegeven dat het “voledige” bedrag moet zijn voldaan bij reservering en boeking.

• De verdachte is eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten .

• Door en namens verdachte is veelvuldig beloofd dat het betaalde bedrag zou worden terugbetaald, maar dit is tot de zitting niet geschied. De verdachte verklaart dat hij geen contact met aangeefster meer heeft opgenomen, omdat hij in het kader van een rechtszaak (de rechtbank merkt op: het gelijktijdig behandelde, doch niet gevoegde parketnummer 16/500794-05) als schorsingsvoorwaarde geen contact mocht opnemen met de mensen die geboekt hadden voor een reis naar Suriname. De rechtbank is echter van oordeel dat het contactverbod terugstorting niet belet, dat deze schorsingsvoorwaarde zich enkel uitstrekt tot de aangevers in dat strafdossier, waartoe deze aangeefster niet behoort, en dat deze schorsingsvoorwaarde bovendien pas op 31 augustus 2005 is geformuleerd. Verdachte heeft reeds in de periode na de annulering door mevr. [benadeelde] op 9 februari 2005 en zijn aanhouding op 25 mei 2005 al voldoende tijd gehad om het geldbedrag naar mevr. [benadeelde] terug te storten.

De rechtbank merkt hierbij op dat de laatstgenoemde omstandigheden spelen na het tenlastegelegde feit, maar dat deze wel bijdragen aan haar overtuiging en het bewijs voor de onwaarachtigheid van de eerdere mededelingen van de verdachte.

Dit bewijs en de overtuiging van de rechtbank had kunnen worden weerlegd wanneer de verdachte zou hebben aangevoerd (en onderbouwd) dat daadwerkelijk enige boeking had plaatsgevonden. Dat is echter zelfs niet gesteld. De verdachte heeft bij de politie wel verklaard over de luchtlijn naar Suriname waar hij mee bezig was, maar op het boekingsformulier is KLM als luchtvaartmaatschappij vermeld.

De raadsman heeft - zakelijk weergegeven – nog wel aangevoerd dat verdachte niet het ten laste gelegde oogmerk en opzet had.

De rechtbank merkt hierbij op dat, hoewel de raadsman in zijn betoog ook deze zaak noemt,

de door de raadsman aangevoerde feiten in het bijzonder op de zaak met parketnummer 16/500794-05 zijn toegesneden.

Kern van het betoog van de raadsman is, dat een onhandige ondernemer, of een ondernemer die – naar achteraf blijkt – onverantwoorde risico’s neemt niet valt onder de delictsomschrijving van oplichting en dat een eventuele wanprestatie evenmin te brengen is onder het subsidiair ten laste gelegde verduistering.

De rechtbank overweegt hierover het volgende:

Ook indien moet worden aangenomen dat de verdachte bezig was met de oprichting van een vliegmaatschappij en/of het regelen van een luchtroute naar Paramaribo waarvoor stoelen beschikbaar zouden komen, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van het oogmerk zich te bevoordelen en van opzettelijk handelen als is bewezenverklaard.

Immers: de verklaring van [benadeelde] houdt niet in dat haar is verteld dat de luchtvaartmaatschappij waarmee zij zou vliegen nog moest worden opgericht en/of dat voor de beoogde route en reistijden nog vergunning moest worden aangevraagd.

Het reserveringsformulier van [benadeelde] houdt zelfs in dat zij met KLM zou vliegen en dat tickets voor een bepaalde datum reeds waren geboekt (of voorlopig waren geboekt, welke boeking na betaling definitief zou worden).

De rechtbank acht bewezen dat de aangeefster, indien verdachte openheid van zaken had gegeven en had medegedeeld dat er nog geen boeking was, zelfs nog geen vlucht vaststond, hem niet het bewezenverklaarde bedrag zou hebben betaald.

Ook als van de eigen stellingen van de verdachte omtrent zijn “goede” bedoelingen wordt uitgegaan, incasseerde verdachte de genoemde bedragen om een luchtvaartmaatschappij op te zetten waarvan híj de vruchten zou plukken.

Reeds dit voorhanden krijgen van een geldbedrag - wat bij openheid van zaken niet gelukt zou zijn - is een bevoordeling door oplichtingsmiddelen waarop verdachtes opzet en oogmerk was gericht.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals hierboven is bewezenverklaard.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Primair: oplichting.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen gevangenisstraf voor de duur van 2 weken en toewijzing van de vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 1308,-- met de schadevergoedingsmaatregel.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft – nota bene tijdens de uitvoering van een werkstraf bij reuma vakantiecentrum Groot Stokkert te Wapenveld – het slachtoffer tijdens een rit naar huis overtuigd van het “boeken” van een vakantiereis naar Suriname bij zijn “gespecialiseerde reisbureau” [X]reizen. Zij heeft hem meteen € 100,-- aanbetaald en heeft twee dagen later het restantbedrag van € 1.208,-- contant aan verdachte betaald.

Feitelijk heeft de verdachte de bedragen geïnd om zichzelf te bevoordelen.

Nadat het slachtoffer heeft medegedeeld de reis vanwege ziekte te annuleren, heeft verdachte ondanks meerdere toezeggingen nimmer het geldbedrag teruggestort.

Feitelijk heeft de verdachte steeds het oogmerk gehad het geld te incasseren en te houden.

Door zijn handelen heeft verdachte het slachtoffer financieel gedupeerd.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

- het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 6 april 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Laatstelijk is verdachte op 21 september 2007 door de kantonrechter te Leeuwarden veroordeeld tot een geldboete van € 320,-- subsidiair 6 dagen hechtenis;

- het de verdachte betreffend voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland regio Den Haag, opgemaakt d.d. 15 juli 2005 door mevr. W. Elligens.

Ten aanzien van de straf merkt de rechtbank het volgende op.

Tijdens de behandeling door de meervoudige kamer van 9 juni 2009 heeft gelijktijdig, doch niet gevoegd de strafzaak met parketnummer 16/500794-05 gediend. De inhoud van die strafzaak vertoont grote gelijkenis met de inhoud van deze strafzaak en dit feit had – naar het oordeel van de rechtbank – op dezelfde dagvaarding aangebracht kunnen worden, zodat één straf kon worden opgelegd. Dat is niet geschied omdat het dossier kennelijk heen en weer geschoven is tussen het parket Den Haag (omdat de aangifte in dat arrondissement is gedaan omdat aangeefster daar woont) en het parket Utrecht, dat verdachte al in 2005 voor de strafzaak met parketnummer 16/500794-05 heeft gedagvaard. Ter zitting heeft de raadsman van de verdachte vervolgens om een andere reden verzocht de zaken gescheiden te behandelen, hetgeen de rechtbank heeft toegestaan.

Ook in deze strafzaak is sprake van een relatief “oud” feit dat lang is blijven liggen bij het openbaar ministerie.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat naar aanleiding van de strafoplegging in de strafzaak met parketnummer 16/500794-05 en met het oog op artikel 63 Wetboek van Strafrecht, in deze zaak toepassing moet worden gegeven aan artikel 9A Wetboek van Strafrecht, hoewel het hier een delict betreft waarvoor straffen gepast zou zijn.

De rechtbank zal wel de vordering van de benadeelde partij toewijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 1.308,--, te weten het bedrag dat zij aan de verdachte betaald heeft.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 24c, 36f, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Oplichting;

- verklaart verdachte strafbaar;

- bepaalt dat geen straf wordt opgelegd;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 1.308,--

ter zake van de aan verdachte betaalde vliegreis;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten

behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde], € 1.308,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 23 dagen

hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de

betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de

benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. M.J. Veldhuijzen en

mr. J. Schwillens, rechters, in tegenwoordigheid van H.A.M. Blom, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 juni 2009.

Mr. Veldhuijzen is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.