Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI9929

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
256259 / HA ZA 08-2102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

betreft herroeping van een vonnis op grond van artikel 382 RV jo het afgeven van een verklaring voor recht dat bedrog is gepleegd in de zin van artikel 382 Rv/onrechtmatig is gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 256259 / HA ZA 08-2102

Vonnis van 24 juni 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CENTRAAL BOEKHUIS B.V.,

gevestigd te Culemborg,

eiseres,

advocaat mr. P.P.M. Wijnands,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PAPYRUS B.V.,

gevestigd te De Meern,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GROENEWOUT B.V.,

gevestigd te Breda,

gedaagde,

advocaat mr. P.C.H. Jansen.

Partijen zullen hierna Centraal Boekhuis, Papyrus en Groenewout genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 december 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 20 april 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 5 januari 2001 heeft Centraal Boekhuis van Papyrus een drietal percelen met daarop gebouwde opstallen gekocht. De betreffende akte van levering is op 18 januari 2001 gepasseerd.

2.2. Centraal Boekhuis en Papyrus zijn overeengekomen dat Papyrus de twee op de percelen staande bedrijfhallen na de levering als huurder in gebruik zou nemen. Eén bedrijfshal heeft Papyrus gehuurd tot 1 mei 2005 waarna Centraal Boekhuis de hal heeft betrokken. Papyrus heeft de tweede bedrijfshal op 1 mei 2006 ontruimd.

2.3. De tweede bedrijfshal is omstreeks 1975 gebouwd door Papyrus, op dat moment genaamd Lutkie & Smit Papiergroothandel B.V. (hierna Lutkie & Smit). De bedrijfshal is vervolgens tijdelijk overgedragen aan de zusteronderneming van Lutkie & Smit genaamd L.S. Beidt Uw Tijd B.V. Lutkie & Smit heeft omstreeks 1992 reparaties aan de vloer van onderhavige bedrijfshal laten uitvoeren en daarna, in 1995, de bedrijfshal weer in eigendom verkregen. In 1999 is de naam Lutkie & Smit gewijzigd in Papyrus.

2.4. Centraal Boekhuis heeft in mei 2006 de zogenoemde Kwaaitaal vloerelementen van de vloer van de tweede bedrijfshal laten onderzoeken. Inspekt B.V. te Culemborg heeft daarvan op 17 mei 2006 een rapport uitgebracht. Aansluitend hebben in opdracht van Centraal Boekhuis nadere onderzoeken plaatsgevonden waarvan de resultaten eveneens in rapporten zijn neergelegd. Uit de rapporten volgt dat bepaalde vloerdelen beschadigd zijn.

2.5. Op 23 juli 2007 heeft Centraal Boekhuis Papyrus en Groenewout gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank te Utrecht. Centraal Boekhuis heeft jegens hen aanspraak gemaakt op vergoeding van EUR 1.330.088,54. Ten aanzien van Papyrus heeft Centraal Boekhuis aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de bedrijfshal niet beantwoordde aan de overeenkomst omdat de vloer ernstige gebreken vertoont. Volgens Centraal Boekhuis heeft Papyrus daarbij haar inlichtingenplicht geschonden door bij de koop niet te melden dat de Kwaaitaal elementen in 1992 onjuist hersteld zijn. Er is sprake van wanprestatie en onrechtmatige daad, aldus Centraal Boekhuis. Groenewout heeft volgens Centraal Boekhuis een onrechtmatige daad gepleegd omdat zij ten tijde van de koop van de bedrijfshal door Centraal Boekhuis in 2001 heeft nagelaten te adviseren om onder de vloer te kijken terwijl zij ervan op de hoogte was dat het herstel van de vloer in 1992 niet deugdelijk was verricht.

2.6. De rechtbank Utrecht heeft de vorderingen van Centraal Boekhuis bij vonnis van 23 juli 2008, met zaaknummer/rolnummer 234614/ HA ZA 07-1430, afgewezen.

2.7. Centraal Boekhuis heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Er is gedagvaard tegen de zitting van 14 oktober 2008.

3. Het geschil

3.1. Centraal Boekhuis vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. een verklaring voor recht dat Papyrus bedrog heeft gepleegd in de zin van artikel 382 Rv in de procedure met zaaknummer/rolnummer 234614/ HA ZA 07-1430, uitmondend in het vonnis van de rechtbank Utrecht van 23 juli 2008 met haar stelling in punt 2 van haar conclusie van antwoord van 24 oktober 2007, herhaald ter comparitie van 21 maart 2008, dat Papyrus in het kader van een aandelentransactie in 1995 het litigieuze magazijn in eigendom heeft verworven,

b. een verklaring voor recht dat Papyrus terzake onrechtmatig jegens Centraal Boekhuis heeft gehandeld,

c. een verklaring voor recht dat Groenewout bedrog heeft gepleegd in de procedure met zaaknummer/rolnummer 234614/ HA ZA 07-1430, uitmondend in het vonnis van 23 juli 2008 van de rechtbank Utrecht, door te verzwijgen dat Groenewout de litigieuze bedrijfshal in 1976 zelf heeft laten bouwen en ter zake beschikt over alle kennis betreffende genoemde bedrijfshal, inclusief de Kwaaitaal-vloerelementen en reparaties van 1992,

d. Papyrus en Groenewout te veroordelen om ten titel van schadevergoeding aan Centraal Boekhuis te betalen de schade die Centraal Boekhuis heeft geleden ten gevolge van het bedrog van Papyrus en Groenewout, nader op te maken bij staat,

e. Papyrus en Groenewout te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure.

3.2. Papyrus en Groenewout voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Artikel 382 Rv luidt als volgt:

“Een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, kan op vordering van een partij worden herroepen indien:

a. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,

b. het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of

c. de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.”

Vervolgens bepaalt artikel 383 Rv:

“1. Het rechtsmiddel moet worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. (…)”

4.2. Centraal Boekhuis stelt dat haar eerst na het vonnis van 23 juli 2008 is gebleken dat Papyrus – toen nog geheten Lutkie & Smit – het onderhavig bedrijfspand op enig moment heeft overgedragen aan haar zustervennootschap L.S. Beidt Uw Tijd B.V. Deze vennootschap had dezelfde aandeelhouder en dezelfde directeur als Papyrus. Papyrus is het bedrijfspand ook na de overdracht blijven gebruiken en heeft het pand in 1995 weer teruggekocht van L.S. Beidt Uw Tijd B.V. Hieruit volgt volgens Centraal Boekhuis dat Papyrus ten tijde van het tot stand komen van de koopovereenkomst in 2001 op de hoogte was van de aan de hal uitgevoerde herstelwerkzaamheden in 1992. Nu Papyrus in voormelde procedure heeft gesteld dat zij de bedrijfshal waar het in de procedure om draait, in het kader van een aandelentransactie pas in 1995 in eigendom heeft verworven, en het pand sindsdien in gebruik heeft gehad, en de rechtbank op basis hiervan geoordeeld heeft dat niet kan worden aangenomen dat Papyrus op de hoogte was van de in 1992 uitgevoerde werkzaamheden, heeft Papyrus bedrog gepleegd in de zin van artikel 382 Rv, aldus Centraal Boekhuis. Centraal Boekhuis stelt zich voorts op het standpunt dat Papyrus zodoende onrechtmatig jegens Centraal Boekhuis heeft gehandeld.

4.3. Volgens Centraal Boekhuis heeft Groenewout eveneens bedrog gepleegd. Groenewout heeft niet alleen actief meegewerkt aan het bedrog van Papyrus door de naamswijziging van Lutkie & Smit in Papyrus te verzwijgen, maar zij heeft bovendien - ondanks het feit dat tussen partijen een jarenlange relatie bestond - ten tijde van het tot stand komen van de koopovereenkomst tussen Centraal Boekhuis en Papyrus niet vermeld dat de vloer van de bedrijfshal gebreken vertoonde, terwijl zij daarvan wel op de hoogte was, aldus Centraal Boekhuis.

4.4. Papyrus en Groenewout voeren tot hun verweer allereerst aan dat herroeping van het vonnis van 23 juli 2008 ex artikel 382 Rv niet aan de orde kan zijn omdat het vonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. Zij stellen dat een beroep op artikel 382 Rv alleen mogelijk is als geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, omdat anders tegenstrijdige vonnissen zouden kunnen worden gewezen. Het afgeven van een verklaring voor recht dat sprake is van bedrog in de zin van deze bepaling is volgens hen evenmin mogelijk. Ook dit zou ertoe kunnen leiden dat twee bodemrechters dezelfde vraag verschillend beantwoorden. Volgens Papyrus is bovendien de vraag of sprake is van een onrechtmatige daad (op dit moment) niet relevant, nu Centraal Boekhuis alle gelegenheid heeft om in hoger beroep haar stellingen terzake kenbaar te maken.

4.5. De rechtbank overweegt als volgt. Vast is komen te staan dat Centraal Boekhuis hoger beroep heeft ingesteld tegen voormeld vonnis van de rechtbank. Centraal Boekhuis heeft ook in deze procedure aan de orde gesteld dat Papyrus en Groenewout in de procedure bij de rechtbank bedrog hebben gepleegd. Gebleken is voorts dat de procedure in hoger beroep bij het gerechtshof te Amsterdam tot op heden aanhangig is. Uitgangspunt is derhalve dat het vonnis van 23 juli 2008 niet in kracht van gewijsde is gegaan. Ingevolge artikel 382 Rv is herroeping van dit vonnis dan ook niet mogelijk. Zolang een gewoon rechtsmiddel nog openstaat, staat het buitengewone rechtsmiddel van herroeping niet open. Centraal Boekhuis vordert evenwel geen herroeping, maar een verklaring voor recht dat Papyrus en Groenewout bedrog hebben gepleegd in de zin van voormelde bepaling. De vraag die voorligt, is derhalve of een declaratoir vonnis als door Centraal Boekhuis gevorderd, wel tot de mogelijkheden behoort.

4.6. Volgens Centraal Boekhuis bestaat er geen wettelijk beletsel tegen het instellen van een dergelijke vordering. De rechtbank volgt Centraal Boekhuis hierin evenwel niet. Het vorderen van een verklaring voor recht dat bedrog is gepleegd door de wederpartij in het geding is weliswaar een andere procedure dan de procedure in de zin van artikel 382 Rv, maar de inhoudelijke stellingen, alsmede de gevolgen van de procedures zijn gelijk. In beide gevallen zal een oordeel worden geveld over de vraag of tijdens de procedure bij de rechtbank Utrecht bedrog is gepleegd. Nu deze vraag in de procedure bij het gerechtshof eveneens aan de orde is, zou het afgeven van de gevorderde verklaring voor recht leiden tot samenloop, net als het geval zou zijn als een procedure ex artikel 382 Rv zou kunnen worden ingesteld zonder dat het vonnis waartegen die procedure is gericht in kracht van gewijsde is gegaan. Het is niet mogelijk om dezelfde rechtsvraag bij twee verschillende juridische instanties aanhangig te maken, nu dit er toe zou kunnen leiden dat twee feitenrechters tegenstrijdige vonnissen wijzen. In de wet is voor een situatie als onderhavige immers geen regeling opgenomen vergelijkbaar met artikel 257 Rv inhoudende dat de beslissing bij voorraad geen nadeel toebrengt aan de zaak ten principale. De rechtbank zal onderhavige vorderingen van Centraal Boekhuis dan ook afwijzen.

4.7. Dat een hoger beroep procedure bij het gerechtshof mogelijk meer tijd in beslag zal nemen dan onderhavige procedure, doet aan het voorgaande niet af. Dit geldt evenzeer voor de voorkeur van Centraal Boekhuis voor het voeren van een herroepingprocedure bij de rechtbank in plaats van bij het gerechtshof omdat in het laatste geval slechts één instantie feitelijk over de herroeping kan oordelen en getuigen volgens haar beter bij de rechtbank gehoord kunnen worden.

4.8. Er bestaat een nauwe samenhang tussen de vordering tot verklaring voor recht dat onrechtmatig is gehandeld en de vordering tot verklaring voor recht dat bedrog is gepleegd. Het gestelde onrechtmatig handelen ziet immers op het bedrog dat tijdens de procedure bij de rechtbank Utrecht is gepleegd. Ook wat dit betreft is dus van belang dat de vraag of bedrog is gepleegd al in hoger beroep aan de orde is gesteld zodat partijen in die procedure de mogelijkheid hebben om er voor te zorgen dat de juiste feiten tot uitgangspunt van de beslissing worden genomen. Uit hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.6. is overwogen volgt dat deze vraag wegens het risico van tegenstrijdige uitspraken niet nogmaals bij een andere juridische instantie aanhangig kan worden gemaakt. Onderhavige vordering tot verklaring van recht dat onrechtmatig is gehandeld ligt aldus voor dadelijke afwijzing gereed.

4.9. Omdat de vorderingen van Centraal Boekhuis reeds op grond van het voorgaande worden afgewezen, kan de beoordeling van de overige verweren ter zake achterwege blijven.

4.10. Centraal Boekhuis zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding hierbij uit te gaan van de werkelijk gemaakte kosten. De kosten aan de zijde van Papyrus worden begroot op:

- vast recht EUR 254,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.158,00

De kosten aan de zijde van Groenewout worden begroot op:

- vast recht EUR 254,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.158,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Centraal Boekhuis in de proceskosten, aan de zijde van Papyrus tot op heden begroot op EUR 1.158,00, en aan de zijde van Groenewout tot op heden begroot op EUR 1.158,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2009.?