Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI9330

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
268047 / FA RK 09-2982; 269129 / FA RK 09-3472; 269130 / KG ZA 09-620
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet Tijdelijk Huisverbod. Verlenging huisverbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Wet Tijdelijk Huisverbod

zaaknummers / rolnummers: 268047 / FA RK 09-2982

269129 / FA RK 09-3472

269130 / KG ZA 09-620

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2009 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats]

verzoeker, tevens eiser, hierna te noemen verzoeker,

advocaat mr. V.P.J. Tuma,

tegen

de burgemeester van de gemeente Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen verweerder,

gemachtigde mr. G.N. Sloote.

1. Procesverloop

1.1. Verweerder heeft aan verzoeker op 23 mei 2009 een huisverbod opgelegd als bedoeld in de Wet Tijdelijk Huisverbod (WTH) voor de periode van 23 mei 2009, 14.00 uur tot 2 juni 2009, 14.00 uur. Verzoeker heeft op 25 mei 2009 een beroepschrift ingediend en een voorlopige voorziening gevraagd. Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen op 29 mei 2009.

1.2. Verweerder heeft op 29 mei 2009 het huisverbod verlengd met ingang van 2 juni 2009, 14.00 uur tot 20 juni 2009, 14.00 uur. Verzoeker heeft op 11 juni 2009 om 23.16 uur per fax nogmaals een beroepschrift ingediend en een verzoek om een voorlopige voorziening.

1.3. Het op 11 juni 2009 ingediende verzoek is op 16 juni 2009 ter zitting behandeld, waar voor verzoeker is verschenen mr. Tuma. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Sloote en mr. A. Postema, beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Het beroep van 11 juni 2009 (zaaknummer 269129 / FA RK 09-3472)

2.3. Verzoeker heeft tegen de beschikking van de burgemeester van 29 mei 2009, inhoudende de verlenging van het tijdelijk huisverbod opnieuw een beroepschrift ingediend.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de WTH, heeft het beroep tegen het huisverbod als bedoeld in artikel 2 WTH, mede betrekking op een beschikking tot verlenging van het huisverbod als bedoeld in het eerste lid, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Vaststaat dat op het beroepschrift, ingekomen op 25 mei 2009, nog niet is beslist en dat verzoeker de verlenging betwist.

2.4. Gelet op het vorenstaande is het eerste beroep tevens gericht tegen de verlenging van het huisverbod. Nu ter zitting niet is gebleken dat het tweede beroep een ander belang heeft, is dit van belang ontbloot en dient dit beroep wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het beroepschrift van 25 mei 2009 (zaaknummer 268047 / FA RK 09-2982)

2.5. Wat betreft de grief dat voldoende feitelijke grondslag voor de beschikking ontbreekt overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Blijkens de stukken heeft de echtgenote al eerder, in 2006 en 2008 melding gemaakt bij de politie van geweld en dreiging daarmee. In 2006 heeft zij zich bij het politiebureau gemeld en medegedeeld dat zij al lange tijd wordt mishandeld door verzoeker. In september 2008 heeft zij zich wederom bij het politiebureau gemeld en onder meer verklaard dat haar man “behoorlijk de weg kwijt is”, hij goederen in de woning kapot gooit en heeft gedreigd om haar en hun kind te doden en dat zij zich niet meer veilig voelde. Zij zou toen bij een vriendin verblijven. Het maatschappelijk werk is blijkens de stukken op zoek geweest naar een opvangplek. Die werd niet gevonden en de vrouw heeft toen volgens de hulpverlening bij een vriendin verbleven.

2.6. Na de 112-melding op 22 mei 2009 heeft de vrouw verklaard dat zij al geruime tijd wordt bedreigd en mishandeld door verzoeker, dat hij haar thans had geslagen en bedreigd in het bijzijn van één kind, dat de frequentie en ernst in de loop der tijd toeneemt en dat zij vreest voor haar veiligheid en die van haar kinderen. Verzoeker heeft blijkens de stukken onder meer verklaard dat hij uit een cultuur komt waar een tik mag en dat hij de vrouw wel eens geslagen heeft.

2.7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bieden de feiten en omstandigheden zoals deze uit de stukken en het verhandelde ter zitting zijn gebleken en in onderlinge samenhang bezien voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van de medebewoners, in dit geval zijn echtgenote en hun zeer jonge kinderen van zestien en vier maanden oud. De door verweerder genoemde risicofactoren rechtvaardigen deze conclusie. Daarbij is ook van belang dat sprake is van een duurzaam verstoorde relatie tussen verzoeker en zijn echtgenote, waarbij al langere tijd sprake is van (verbaal) geweld door verzoeker tegen zijn echtgenote en ook geweld tegen goederen.

2.8. De enkele ontkenning van de man, die overigens tijdens de behandeling van het verzoek op 29 mei 2009 noch tijdens de behandeling op 16 juni 2009 ter zitting is verschenen, leidt niet tot een ander oordeel. Evenmin als de grief dat de informatie uit een enkele bron, de vrouw, komt. Onderdelen van de verklaringen van de vrouw worden gestaafd door de politie en de hulpverlening en ook verzoeker zelf heeft verklaard weleens geslagen te hebben. Dit laatste is door verzoeker niet betwist. Er is dus geen sprake van een enkele bron.

2.9. Gelet op de acute bedreiging heeft verweerder voorts aan het belang van veiligheid van de vrouw en de kinderen in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van verzoeker. Zulks mede gelet op het doel van de wet, te weten acute dreiging het hoofd te bieden en hulpverlening op gang te brengen. Daarbij is in de toelichting bijzondere aandacht gegeven aan de negatieve effecten op kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld. In dit oordeel is mede in aanmerking genomen dat de man elders onderdak heeft gevonden en niet aannemelijk is geworden dat hij zijn baan dreigt te verliezen.

Voorts is niet gebleken dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.

2.10. Wat betreft de verlenging van het huisverbod heeft verweerder aan zijn besluit mede ten grondslag gelegd dat verzoeker zichzelf onbereikbaar heeft gehouden, niet daadwerkelijk aan hulpverlening heeft meegewerkt en dat de dreiging van geweld derhalve niet is weggenomen. Namens verzoeker is gesteld dat aanvaarden van hulpverlening geen voorwaarde is om een verlenging van het huisverbod te voorkomen.

2.11. Blijkens de wet is bepalend het antwoord op de vraag of dreiging van het gevaar of het ernstige vermoeden daarvan zich voortzet. De houding van de betrokkene, onder meer in het accepteren van hulpverlening, speelt daarbij zeer zeker een rol. In dit kader mag (een begin van inzicht) in het eigen handelen en een (daarop gebaseerde) medewerking van de betrokkene worden verwacht.

2.12. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat zijdens verweerder, met het oog op het onderzoek naar de verlenging van de maatregel, via de advocaat contact is gezocht met verzoeker. Verzoeker had voordien uit zichzelf geen actie ondernomen. Nadien heeft hij enkele afspraken met hulpverlening gemaakt en hebben enkele gesprekken plaatsgevonden. Blijkens het verslag zorgverlening overheerst bij verzoeker het gevoel dat hem onrecht wordt aangedaan en lijkt hij niet te erkennen dat er aan zijn kant een probleem bestaat.

2.13. Gezien het vorenstaande zijn weliswaar inmiddels enige contacten met hulpverlening tot stand gebracht, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter wijst de houding van verzoeker niet op een daadwerkelijke bereidheid om hulp te accepteren.

De conclusie van verweerder dat de dreiging nog steeds bestaat acht de voorzieningenrechter dan ook gerechtvaardigd. Gelet op de hardnekkigheid van de problematiek mag een duidelijk aanknopingspunt voor inzicht en verbetering worden verwacht. Dit heeft zich in dit geval niet voorgedaan, zodat de verlenging van het huisverbod gelet op de daaraan ten grondslag liggende feiten en de voorafgaande belangenafweging gerechtvaardigd is.

2.14. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om een huisverbod op te leggen en te verlengen en in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen gebruik te maken van de bevoegdheid om het huisverbod in te trekken.

2.15. Hetgeen in beroep is aangevoerd kan, gelet op het voorgaande, niet leiden tot vernietiging van deze beschikkingen. Het beroep tegen deze beschikkingen zal derhalve ongegrond worden verklaard. Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Het verzoek om een voorlopige voorziening (zaaknummer 269130 / KG ZA 09-620)

2.16. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding tot het treffen van enige voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep van 11 juni 2009:

3.1. verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van het beroep van 25 mei 2009

3.2. verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.3. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2009 in aanwezigheid van mr. L. Sinkeler, griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.