Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI8550

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
258356 / HA ZA 08-2378
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BN0989, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring. Stuitende werking factuur. Artikel 3:317 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 258356 / HA ZA 08-2378

Vonnis van 17 juni 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. R.F. Vonk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 januari 2009;

- het proces-verbaal van comparitie van 28 mei 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is een vennootschap van pianist [gedaagde]. In de periode 1998 tot en met 2002 verzorgde [eiseres] in opdracht van [gedaagde] het vervoer van de concertvleugel (hierna: “de vleugel”) in verband met pianoconcerten van [gedaagde]. Tevens stemde [eiseres] de vleugel in die periode.

2.2. In programmaboekjes voor concerten van [gedaagde] werd reclame gemaakt voor de onderneming van [eiseres].

2.3. De vleugel was aan [gedaagde] geleverd door [eiseres] en was van het merk Bösendorfer. Sinds 2002/2003 speelt Wibi [gedaagde] op een niet door [eiseres] geleverde vleugel van het merk Bechstein.

2.4. In de periode 1998-2003 heeft [eiseres] in totaal bijna EUR 48.000,-- aan [gedaagde] gefactureerd in verband met het vervoer en het stemmen van de vleugel. De desbetreffende facturen zijn door [gedaagde] betaald.

2.5. [eiseres] heeft voorts EUR 100.200,-- inclusief BTW aan [gedaagde] in rekening gebracht door middel van een factuur van 3 oktober 2003 (hierna: “de factuur”). De factuur vermeldt dat zij betrekking heeft op het vervoeren van de vleugel naar 90 concertlocaties en op het 50 maal stemmen van de vleugel. Blijkens de bij de factuur behorende specificatie bestrijkt de factuur de periode van 10 oktober 1998 tot en met 29 december 2002.

2.6. Bij brief van 15 juni 2004 heeft de advocaat van [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiseres] geschreven:

Uit het mij ter hand gestelde dossier blijkt dat u zich op het standpunt stelt dat cliënte betaling achterwege heeft gelaten voor door u verleende diensten in de periode 1998-2002. U deed cliënte sommeren tot betaling van de factuur 23065 ad EUR 100.200,-- (…) d.d. 3 oktober 2003. De diensten die u factureert zijn volgens de factuur: “transporten inclusief stemmingen van de Bösendorfer vleugel door geheel Nederland, in het bijzonder 90 concerten en 50 stemmingen”. (…) De werkelijke reden dat u cliënte een factuur stuurt, is dat (…)

2.7. In een brief van Graydon (afdeling incasso) van 27 juni 2007 is [gedaagde] aangemaand tot betaling binnen vijf dagen van EUR 133.192,08. [gedaagde] heeft aan deze en latere sommaties echter geen gevolg gegeven.

3. De vordering

3.1. [eiseres] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 129.615,90, inclusief EUR 26.573,90 terzake van wettelijke rente tot en met 29 oktober 2008 en inclusief EUR 2.842,-- terzake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 30 oktober 2008, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2. Aan haar vordering legt [eiseres] ten grondslag dat zij in de periode oktober 1998 tot en met december 2002 de vleugel van [gedaagde] naar 90 concertlocaties heeft vervoerd en dat zij de vleugel in dezelfde periode 50 maal heeft gestemd.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Hij betoogt primair dat de vordering van [eiseres] is verjaard. Subsidiair stelt [gedaagde] dat hij de factuur niet hoeft te betalen omdat sprake was van een overeenkomst van wederzijdse dienstverlening met gesloten beurs; volgens [gedaagde] was haar wederprestatie dat zij reclame maakte voor de onderneming van [eiseres]. Meer subsidiair betwist [gedaagde] bij gebrek aan wetenschap dat de gefactureerde diensten zijn verleend.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank zal eerst beoordelen of de vordering van [eiseres] is verjaard, zoals [gedaagde] betoogt. Artikel 3:307 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”) bepaalt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming kan op grond van artikel 3:317 BW worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.

4.2. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat partijen in ieder geval geen termijn zijn overeengekomen voor betaling door [gedaagde] ter zake van de door [eiseres] geleverde diensten. Er vanuit gaande dat [gedaagde] voor die diensten moet betalen (hetgeen door [gedaagde] wordt betwist), zijn de vorderingen van [eiseres], samengevoegd in de factuur, derhalve op grond van artikel 6:38 BW telkens opeisbaar geworden direct na elk vervoer van de vleugel respectievelijk steeds nadat deze gestemd was. De eerste door [eiseres] geleverde dienst die in de factuur is opgenomen vond plaats op 10 oktober 1998 en de laatste op 29 december 2002. [gedaagde] betoogt dat [eiseres] op grond van artikel 3:307 BW een rechtsvordering had moeten instellen uiterlijk op 11 oktober 2003 voor de eerste geleverde dienst, en uiterlijk op 30 december 2007 voor de laatste geleverde dienst. Zij voert aan dat, nu [eiseres] geen rechtvordering heeft ingesteld voor de door [gedaagde] genoemde data, de vordering is verjaard. De factuur heeft volgens [gedaagde] immers geen stuitende werking. In verband daarmee betwist [gedaagde] de factuur te hebben ontvangen.

4.3. Gelet op de inhoud van de brief van de advocaat van [gedaagde] van 15 juni 2004 (zie 2.6) moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagde] de factuur heeft ontvangen. Aangezien [gedaagde] bovendien ter onderbouwing van haar verweer niet meer aanvoert dan dat [gedaagde] zich de ontvangst van de factuur niet meer herinnert, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de factuur [gedaagde] uiterlijk enkele dagen na de factuurdatum (3 oktober 2003) heeft bereikt. De rechtbank is voorts van oordeel dat [gedaagde] de factuur heeft kunnen en moeten beschouwen als een schriftelijke mededeling waarbij [eiseres] zich als schuldeiser ondubbelzinnig haar recht op nakoming heeft voorbehouden. Een factuur als de onderhavige, waarop is vermeld dat uiterlijk op 18 oktober 2003 EUR 100.200,-- moet worden betaald, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden uitgelegd.

4.4. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verjaring van de rechtsvordering van [eiseres] voor 11 oktober 2003 is gestuit als gevolg van de factuur. Op dat moment is een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. Deze is opnieuw gestuit door middel van de brief van Graydon van 27 juni 2007, waarin [gedaagde] namens [eiseres] is aangemaand (zie 2.7). [gedaagde] is vervolgens gedagvaard bij exploot van 14 november 2008. Het verjaringsverweer wordt derhalve verworpen.

4.5. Met betrekking tot het standpunt van [eiseres] dat [gedaagde] de factuur moet betalen overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stellingen van [eiseres] leidt de rechtbank af dat partijen volgens [eiseres] geen specifieke afspraken hebben gemaakt ten aanzien van de facturering en de tarieven. Ter zitting is namens [eiseres] verklaard dat zij wel eens een factuur stuurde die ook door [gedaagde] werd betaald, maar dat zij te laks is geweest met factureren. Wel zou [eiseres] op enig moment hebben gevraagd aan mevrouw [A.] destijds de echtgenote van [gedaagde] die volgens [eiseres] de belangen van [gedaagde] behartigde, “of het toch wel goed kwam met de kosten”. [A.] zou toen hebben geantwoord dat het wel goed kwam.

4.6. [gedaagde] betoogt dat zij de factuur niet hoeft te betalen omdat sprake was van een overeenkomst van wederzijdse dienstverlening met gesloten beurs. Volgens [gedaagde] maakte zij in verband met het vervoer en het stemmen van de vleugel op haar beurt reclame voor de onderneming van [eiseres]. Ter onderbouwing hiervan voert [gedaagde] aan dat zij dit heeft gedaan in programmaboekjes, in advertenties die werden geplaatst voor de pianorecitals en in de foyers behorend bij de zalen waar [gedaagde] optrad. Tevens voert [gedaagde] aan dat aan de samenwerking tussen partijen een einde kwam doordat [gedaagde] in 2002 overstapte van een door [eiseres] geleverde vleugel van het merk Bösendorfer op een vleugel van het merk Bechstein, die niet door [eiseres] werd geleverd. De diensten waarvoor [eiseres] op 3 oktober 2003 heeft gefactureerd beslaan de periode van 10 oktober 1998 tot en met 29 december 2002. Volgens [gedaagde] is er geen onderneming die gedurende vier jaar geen factuur stuurt voor geleverde diensten en is de factuur een uiting van ongenoegen over de beëindigde samenwerking.

4.7. [eiseres] heeft in de periode 1998-2003 bijna EUR 48.000,-- aan [gedaagde] gefactureerd. Deze facturen zijn door [gedaagde] betaald. Ter zitting is namens [eiseres] verklaard dat ook deze facturen betrekking hadden op het vervoeren en stemmen van de vleugel, hetgeen niet door [gedaagde] is weersproken. Volgens [eiseres] zou [gedaagde] deze facturen nooit hebben betaald als sprake was van een overeenkomst met gesloten beurs. [gedaagde] betoogt in verband daarmee dat partijen hebben afgesproken dat [eiseres] zou factureren voor concerten waarbij geen publiciteit voor [eiseres] werd gegeven.

4.8. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door [gedaagde] zal [eiseres], in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, in de gelegenheid worden gesteld om te bewijzen dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] zal betalen voor het vervoeren en stemmen van de vleugel.

4.9. Voor het geval [eiseres] erin slaagt te bewijzen hetgeen in 4.8 is overwogen, overweegt de rechtbank reeds nu het volgende. [gedaagde] betwist bij gebrek aan wetenschap dat de diensten die zijn vermeld op de specificatie behorend bij de factuur zijn geleverd. In verband daarmee betoogt zij dat niet vastgesteld kan worden dat de diensten daadwerkelijk zijn verricht en evenmin dat [gedaagde] deze niet heeft betaald, aangezien [eiseres] ook diensten heeft verricht waarvoor [gedaagde] wel heeft betaald. De rechtbank verwerpt dit verweer wegens gebrek aan onderbouwing. Op de bij de factuur behorende specificatie is vermeld op welke data de concerten hebben plaatsgevonden, in welke plaatsen en (in de meeste gevallen) in welke concertzalen. [gedaagde] heeft daar niets tegenover gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [gedaagde] één of meer van die concerten niet heeft gegeven. Voorts heeft [gedaagde] niets aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat zij voor één of meer van de op de specificatie vermelde diensten al heeft betaald. Gelet op de gedetailleerdheid van de factuurspecificatie had dit wel op de weg van [gedaagde] gelegen. De rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan dat de diensten die zijn vermeld op de bij de factuur behorende specificatie zijn geleverd en dat [gedaagde] daarvoor nog niet heeft betaald.

4.10. Op de specificatie bij de factuur staat bij drie concerten de opmerking “sponsoring” vermeld. Voorts is het concert van 30 maart 2000 (stadsschouwburg Heerlen) doorgestreept. Ter zitting is namens [eiseres] verklaard dat het weleens voorkwam dat zij [gedaagde] sponsorde, dat dit ook op de specificatie bij de factuur is vermeld maar dat de daarmee verband houdende kosten niet in rekening zijn gebracht. Naar aanleiding daarvan is bij de rechtbank enige onduidelijkheid ontstaan. Op de factuur is immers vermeld dat in totaal 90 concerten in rekening zijn gebracht, terwijl op de specificatie in totaal 91 concerten vermeld staan, inclusief de 3 concerten waarbij “sponsoring” is aangetekend (en exclusief het doorgestreepte concert). Gelet op de ter zitting afgelegde verklaring zouden op de factuur derhalve 88 concerten in rekening dienen te zijn gebracht. Zonodig zal [eiseres] later in de procedure nog in de gelegenheid worden gesteld om hierover opheldering te geven, waarna [gedaagde] daarop zal kunnen reageren.

4.11. Voor zover [eiseres] het bewijs door middel van getuigen wil leveren moet er bij het oproepen van de getuigen rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt [eiseres] op te bewijzen dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] zal betalen voor het vervoeren en stemmen van de vleugel;

5.2. bepaalt dat, indien [eiseres] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.K.J. van den Boom in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op woensdag 26 augustus 2009 van 13.30 uur tot 17.00 uur,

5.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

5.4. bepaalt dat [eiseres], indien zij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - en aan de wederpartij moet opgeven,

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op

17 juni 2009.?

w.g. griffier w.g. rechter