Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI8508

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
17-06-2009
Zaaknummer
601463 UC EXPL 08-16397 LH
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Facilitair medewerkster loopt in het restaurant van het Militair Revalidatie Centrum van het Minsiterie van Defensie een peesontsteking op en raakt arbeidsongeschikt. Zij vordert dat wordt verklaard voor recht dat de Staat jegens haar aansprakelijk en tot schadevergoeding verplicht is. De kantonrechter verklaart haar niet-ontvankelijk in de vordering, omdat zij als ambtenaar is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn en artikel 7:658 BW tussen partijen niet van toepassing is. De bestuursrechtelijke rechtsgang, die eiseres niet heeft gevolgd, bood voldoende rechtsbescherming. Het besluit om de schade niet te vergoeden heeft formele rechtskracht gekregen. Van een zuiver schadebesluit was geen sprake, omdat daarbij tevens de aansprakelijkheid werd betwist. Exclusieve rechtsmacht van de bestuursrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0474
NJF 2009, 366
TAR 2009/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 601463 UC EXPL 08-16397 LH

vonnis d.d. 10 juni 2009

inzake

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiseres],

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.L.A. de Waard,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie),

zetelende te 's-Gravenhage,

verder ook te noemen de Staat,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.C.J van den Brekel.

Verloop van de procedure

[eiseres] heeft een vordering ingesteld.

De Staat heeft geantwoord op de vordering.

[eiseres] heeft voor repliek en de Staat heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 [eiseres] is sinds 1 april 1996 althans 1 april 1997 als facilitair medewerkster werkzaam geweest in het restaurant van het Militair Revalidatie Centrum van het Ministerie van Defensie te Doorn, laatstelijk voor 30 uren per week. Nadat per 1 april 2004 de leiding over het restaurant was overgenomen door Paresto zijn tot de arbeid van [eiseres] mede gaan behoren de werkzaamheden in de afwaskeuken. Aldaar is in december 2004 een andere afwasmachine in gebruik genomen.

1.2. Op 22 augustus 2005 is bij [eiseres], nadat zij in de afwaskeuken een storing aan de afwasmachine had verholpen, een peesontsteking ontstaan, ten gevolge waarvan zij vanaf 29 augustus 2005 niet in staat was haar werkzaamheden te verrichten. [eiseres] heeft tijdens haar arbeidsongeschiktheid psychische klachten ontwikkeld.

1.3. Bij brief van haar gemachtigde van 1 maart 2006 heeft [eiseres] het Ministerie van Defensie aansprakelijk gesteld voor de schade die zij door het bedrijfsongeval van 22 augustus 2005 heeft geleden en nog zal lijden. Bij brief van 12 januari 2007 heeft de staatssecretaris van defensie, voor deze kolonel R.H.C.M. Luijten, directeur personeel en organisatiebij het commando dienstencentra, aansprakelijkheid betwist. Onderaan deze brief is erop gewezen dat tegen het besluit binnen zes weken na verzending ervan bezwaar kan worden aangetekend bij de staatssecretaris van defensie. [eiseres] heeft geen bezwaar aangetekend.

1.4. Op verzoek van [eiseres], waartegen het Ministerie van Defensie zich niet heeft verzet, heeft de rechtbank te Utrecht, sector kanton bij beschikking van 1 maart 2007 een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Op 2 mei 2007 zijn door de kantonrechter vijf getuigen verhoord. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

De vordering en de standpunten van partijen

2.1. [eiseres] vordert dat wordt verklaard voor recht dat het Ministerie van Defensie aansprakelijk is voor de gevolgen van het aan [eiseres] op 22 augustus 2005 in de uitoefening van haar werkzaamheden overkomen bedrijfsongeval en dat het Ministerie van Defensie wordt veroordeeld tot vergoeding van de ten gevolge daarvan door [eiseres] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat, met veroordeling van het Ministerie van Defensie in de proceskosten.

2.2. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat het Ministerie van Defensie is tekort geschoten in de zorgverplichting die het ingevolge artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek (BW) jegens haar heeft. Hiertoe voert [eiseres] aan dat voorafgaand aan en ten tijde van het bedrijfsongeval sprake was van personele onderbezetting en een hoge werkdruk. Voorts verwijt [eiseres] het Ministerie van Defensie dat zij onvoldoende is geïnstrueerd omtrent de wijze waarop de afwasmachine moest worden bediend en storingen moesten worden verholpen. [eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van materiële en immateriële schade.

3. De Staat betwist de vordering en beroept zich er primair op dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vordering. [eiseres] is aangesteld als ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet. Het besluit van 12 januari 2007, waarbij de staatssecretaris van defensie aansprakelijkheid heeft betwist, heeft formele rechtskracht gekregen. Het is niet aan de burgerlijke rechter de (on)rechtmatigheid van dit besluit van een bestuursorgaan te beoordelen. Subsidiair roept de Staat de onbevoegdheid van de kantonrechter in. Van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is geen sprake. Ten slotte bestrijdt de Staat dat hij aansprakelijk is voor (de gevolgen van) het aan [eiseres] overkomen ongeval.

De beoordeling van het geschil

4.1. Het meest vergaande verweer dat de Staat tegen de vordering van [eiseres] heeft gevoerd, zijn beroep op de niet-ontvankelijkheid, roept de vraag op naar de taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter in een geschil als het onderhavige. De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende.

4.2. Bij dagvaarding heeft [eiseres] gesteld dat zij in loondienst van het Ministerie van Defensie is getreden. Zij heeft in dat verband een afschrift van de brief van 5 oktober 2001 van het Militair Revalidatie Centrum in het geding gebracht, waaruit echter enkel de omvang van haar wekelijkse arbeidstijd en de toenmalige beloning blijken. Bij antwoord heeft de Staat gemotiveerd betwist dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW is tot stand gekomen. Hij heeft daartoe een uitdraai van de contractgegevens overgelegd, waaruit blijkt dat sprake is van een aanstelling in de zin van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD). Bij repliek heeft [eiseres] hierop slechts in zoverre gereageerd dat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een gewone arbeidsovereenkomst, omdat het beheer van het restaurant en de afwaskeuken in april 2004 is overgedragen aan een particuliere onderneming. Of inderdaad Paresto als een private rechtspersoon moet worden aangemerkt, hetgeen de Staat bij dupliek heeft betwist, kan in het midden blijven, omdat [eiseres] niet heeft aangevoerd dat haar rechtsverhouding tot het Ministerie van Defensie daardoor wijziging heeft ondergaan. Dat zij is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn, staat dan ook - als door de Staat gesteld en door [eiseres] onvoldoende weersproken - vast. Hieruit vloeit voort dat ingevolge artikel 7:615 BW het bepaalde in artikel 7:658 BW tussen partijen toepassing mist, nu niet is gesteld of gebleken dat deze bepaling van toepassing is verklaard.

4.3. Op het bepaalde in artikel 7:658 BW kan [eiseres] zich derhalve ter adstructie van haar vordering niet beroepen. Dat betekent evenwel niet dat zij rechtsbescherming tegen onveilige arbeidsomstandigheden heeft moeten ontberen. In vergelijkbare geschillen over dienstongevallen heeft de bestuursrechter namelijk bij de beoordeling van de schadeplichtigheid van een bestuursorgaan aansluiting gezocht bij de normen die in privaatrechtelijke verhoudingen uit de genoemde wetsbepaling voortvloeien. Dit brengt mee dat de bestuursrechtelijke rechtsgang die tegen het besluit van 12 januari 2007 heeft open gestaan aan [eiseres] - (gezien de regeling in de Algemene wet bestuursrecht) niet alleen procedureel maar (gezien de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep) ook materieel - voldoende rechtsbescherming heeft geboden. Voor een andersluidende conclusie heeft [eiseres] overigens (ook) geen argumenten aangedragen. Uitgangspunt is daarom dat het genoemde besluit, waartegen geen bezwaar is ingesteld, formele rechtskracht heeft gekregen en [eiseres] door de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk moet worden verklaard, waar zij in een civiel geding eenzelfde schadevergoeding vordert. Voor een in de rechtspraak van de Hoge Raad aanvaarde uitzondering op dit uitgangspunt bestaat in dit geval geen grond, omdat van een zogenoemd zuiver schadebesluit geen sprake is. Bij het besluit van 12 januari 2007 is immers niet alleen besloten haar geen schadevergoeding toe te kennen, maar is tevens de aansprakelijkheid voor het bedrijfsongeval betwist. De beoordeling van die aansprakelijkheid is voorbehouden aan de bestuursrechter. Die rechtsmacht is exclusief, in die zin dat daarnaast, blijkens hetgeen hiervoor is overwogen, voor de burgerlijke rechter geen taak is weggelegd.

4.4. Hieraan kan niet afdoen dat het Ministerie van Defensie zich eerder niet heeft verweerd tegen de toewijzing van het verzoek van [eiseres] tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor. Het voorlopig getuigenverhoor strekt er mede toe de belanghebbenden in staat te stellen hun positie in een eventueel geding beter te beoordelen. Ook het Ministerie van Defensie had er belang bij dat spoedig duidelijkheid over de relevante feiten werd verkregen. Uit het feit dat tegen toewijzing van het betreffende verzoek van [eiseres] geen verweer is gevoerd, kan daarom niet volgen dat het Ministerie van Defensie het recht om zich tegen de vordering van [eiseres] te verweren op enigerlei wijze heeft beperkt. Het beroep op niet-ontvankelijkheid en onbevoegdheid is dan ook niet tardief gedaan.

4.5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiseres] in haar vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard. Als de in het ongelijk gestelde partij, wordt [eiseres] veroordeeld in de proceskosten. De door de Staat gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad van de proceskostenveroordeling en de wettelijke rente daarover worden, als niet afzonderlijk betwist, toegewezen, zoals hierna omschreven.

Beslissing

De kantonrechter:

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de Staat, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 500,-- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van 14 dagen na de uitspraak van dit vonnis tot de voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2009.