Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI7433

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
11-06-2009
Zaaknummer
16-712172-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Woninginbraak. De rechtbank veroordeelt verdachte tot 5 maanden gevangenisstraf, onvoordewaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712172-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 april 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [woonadres]

raadsvrouw mr. S. Dogan, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 maart 2009, waarbij de officier van justitie, mr. V. van Dam, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

een woninginbraak heeft gepleegd dan wel goederen heeft geheeld die bij die inbraak zijn gestolen.

Verzoek van de raadsvrouw tot heropening van het politieonderzoek

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting primair aangevoerd dat het politieonderzoek heropend dient te worden. In de onderhavige zaak zijn afgeluisterde telefoongesprekken gevoegd afkomstig uit het onderzoek [A]. Ook zijn er in de onderhavige zaak stukken uit het onderzoek [G] gebruikt. Stukken uit de onderzoeken [A] en [G] moeten in het dossier worden gevoegd om de rechtmatigheid van de in de onderhavige zaak gebruikte stukken te kunnen toetsen.

De rechtbank wijst het verzoek van de raadsvrouw af.

De rechtbank overweegt dat verdachte in het onderzoek [A] geen verdachte was. In dat onderzoek is verdachte zelf niet getapt. Verdachte komt in het onderzoek [A] naar voren in afgeluisterde gesprekken van andere verdachten. Dit leidt ertoe dat, als er al sprake is geweest van het onrechtmatig afluisteren van gesprekken van verdachten uit het [A] onderzoek, hetgeen overigens niet door de verdediging is gesteld of anderszins is gebleken, er geen sprake is van een inbreuk op de grondrechten van deze verdachte. Derhalve is er ook geen verdedigingsbelang voor de verdediging om kennis te nemen van de gevraagde stukken, en is er derhalve geen juridische grond voor toewijzing van het verzoek.

De rechtbank overweegt voorts dat uit het onderzoek [G] slechts één ambtsedig proces-verbaal van een verbalisant wordt gebruikt. Deze ambtsedige verklaring kan door de rechtbank gebruikt worden als eigen waarneming van de verbalisant. Afgeluisterde gesprekken uit het onderzoek [G] zijn in de onderhavige zaak niet gebruikt.

Ook ten aanzien van deze stukken is er derhalve geen verdedigingsbelang bij het in het dossier voegen van de gevraagde stukken.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie baseert zich bij haar oordeel op de aangifte, de bemachtigde sleutels, de tapgesprekken en het bij verdachte aangetroffen horloge.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit kan komen. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat er mogelijk wel sprake is van overtuigend bewijs, maar dat in het dossier onvoldoende wettig bewijs aanwezig is.

De verdediging is van mening dat het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander de woninginbraak op 26 november 2008 in Utrecht heeft gepleegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt:

Op 26 november 2008 om 16.00 uur ging aangeefster [aangeefster 1], wonende aan de [adres] te Utrecht, boodschappen doen. Aangeefster kwam erachter dat zij haar sleutel waarschijnlijk in het slot van haar woning had laten zitten. Toen aangeefster bij haar voordeur terugkwam zag ze dat haar sleutel niet meer in het slot zat. Toen aangeefster om 16.50 uur weer bij de woning kwam zag ze dat de ladenkast in de gang open was en dat er diverse goederen op de grond lagen . Bij de diefstal in de woning werden weggenomen een gouden Rolex ring, twee nephorloges van het merk Rolex, een flesje parfum van het merk Chanel, een geldkistje en een geldbedrag van € 50.000,00. Het geld bestond uit bankbiljetten van 50 euro. Het waren 5 pakjes van elk 10.000 euro .

Uit de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt dat hij op 26 november 2008 om omstreeks 16.15 uur met een groep jongeren vanuit de gemeentelijke sporthal over de [adres] weg liep in de richting van [adres]. Tijdens de wandeling hoorde [getuige 1] dat een begeleider een gesprek opving van de jongeren uit de tweede groep over een sleutel die gevonden was en in de brievenbus zou zijn gegooid . De jongens hebben aan [getuige 1] twee namen gegeven die mogelijk meer zouden afweten van de sleutel. De eerste naam was [getuige 2] en de tweede naam was [medeverdachte 1] . De volledige naam van [medeverdachte 1] luidt: [medeverdachte 1].

Getuige [getuige 2] zag dat er een sleutel in de voordeur van een woning stak. [getuige 2] haalde de sleutel uit het slot en wilde deze door de brievenbus gooien van dezelfde deur . [medeverdachte 1] liep naast [getuige 2] en hij zei dat hij de sleutel wel door de brievenbus zou gooien. [getuige 2] heeft de sleutel vervolgens aan [medeverdachte 1] gegeven .

Op 26 november 2008 om 16.14 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door zijn jongere broer [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt: Ik heb huissleutels. [medeverdachte 2] zegt: Snel kom naar onze straat toe . Zeer kort hierna, op 26 november 2008 om 16.21 uur, belt [medeverdachte 2] vervolgens naar het telefoonnummer [x]. [medeverdachte 2] zegt daarbij tegen een NN-man dat hij snel naar hem toe moet komen.

Op 26 november 2008 om 18.38 uur belt [medeverdachte 2] vervolgens met [betrokkene 1] . [medeverdachte 2] zegt in dit gesprek onder meer: “50 duizend. Ik samen met [verdachte]”. [betrokkene 1] zegt: Ik kom wel naar jullie toe, waar zijn jullie. [medeverdachte 2] zegt: Bij [verdachte].

Verbalisant [verbalisant 1] verklaarde verdachte [verdachte] goed te kennen, omdat hij al twee jaar geleden met hem in aanraking kwam toen hij nog een minderjarige veelpleger was. Verbalisant was betrokken geweest bij het onderzoek [G], waarbij uit onderzoek naar voren kwam dat verdachte [verdachte] [bijnaam verdachte] werd genoemd. Daarnaast had [verdachte] veel omgang met de verbalisant bekende [medeverdachte 2]. Verbalisant verklaarde voorts dat [verdachte] een afwijking in zijn ogenstand heeft .

Op 27 november 2008 om 16.28 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [betrokkene 2]. [medeverdachte 2] vraagt of hij het geld heeft gekregen. [betrokkene 2] zegt dat hij dat niet weet en vraagt of hij het heeft gestort. [medeverdachte 2] antwoordt bevestigend. [medeverdachte 2] zegt dan: Ik en [D] gisteren 50. [betrokkene 2] zegt: Met zijn tweeën. [medeverdachte 2] zegt: Ja . Op 27 november 2008 wordt met het telefoonnummer van [medeverdachte 2] gebeld naar het nummer [x]. Tijdens dit gesprek zegt [medeverdachte 2] tegen iemand die kennelijk bij hem staat dat hij belt met [D].

Op 2 december 2008 wordt bij een doorzoeking van de woning van [medeverdachte 2] en zijn ouders in de ouderslaapkamer een mobiele telefoon aangetroffen. In deze telefoon staat vastgelegd bij telefoonnummer [x] de naam [D] . In HKS staat als enige onder de naam [D] geregistreerd de verdachte, [verdachte] . Op 2 december 2008 om 7.38 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [betrokkene 1]. [medeverdachte 2] verblijft op dat moment op het politiebureau en vraagt of [D] ook is opgehaald. [betrokkene 1] zegt dat hij ook is opgehaald . Op 2 december 2008 om 17.32 uur wordt [betrokkene 1] gebeld door [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] zegt dat hij net [D] beneden heeft gehoord . Op dat moment zitten [medeverdachte 2] en verdachte [verdachte] allebei op het hetzelfde politiebureau in Utrecht.

Voorts is bij de fouillering van verdachte [verdachte] op 2 december 2008 een horloge aangetroffen . Verbalisanten hebben dit horloge getoond aan aangeefster, die dit horloge heeft herkend als haar eigendom en als een van de goederen die op 26 november uit haar woning zijn gestolen .

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat het nummer [x] in gebruik is bij [D], en voorts dat met [bijnaam verdachte] c.q. [D] onmiskenbaar verdachte [verdachte] wordt aangeduid . Voorts blijkt daaruit dat [medeverdachte 2] zeer kort voor het moment van de diefstal telefonisch contact heeft gehad met verdachte [verdachte] en hem daarbij heeft gevraagd naar hem toe te komen. [medeverdachte 2] was zeer kort voor dit telefoongesprek via zijn jongere broer [medeverdachte 1] op de hoogte gesteld van de beschikbaarheid van de sleutels van de woning [adres] te Utrecht. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken van 26 en 27 november 2008 waarin door [medeverdachte 2] wordt gesproken over vijftig en vijftigduizend kan worden afgeleid dat hij ook daadwerkelijk in deze woning is geweest. Deze aanduidingen corresponderen namelijk exact met het door aangeefster genoemde weggenomen bedrag van vijftigduizend euro. Bovendien ligt het telefoongesprek van 26 november 2008 kort na het moment van de diefstal. In genoemde telefoongesprekken zegt [medeverdachte 2] bovendien dat hij het samen met de [bijnaam verdachte] c.q. met [D], zijnde dus verdachte [verdachte], heeft gedaan. Het verband tussen de diefstal in de woning en verdachte [verdachte] wordt ook bevestigd door het aantreffen bij verdachte [verdachte] van een bij de betreffende diefstal weggenomen horloge.

Gelet op voornoemde acht de rechtbank het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 26 november 2008 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning (gelegen

aan de [adres]) heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden

(waaronder een gouden ring van het merk Rolex) en twee horloges (imitatie-rolex) en een flesje parfum (merk Chanel) en een geldkistje en een grote hoeveelheid geld (50.000 euro), geheel toebehorende aan [aangever 1], waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van een valse sleutel.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie vordert voorts de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 50.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat als de rechtbank tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit komt de rechtbank kan volstaan met een werkstraf of een voorwaardelijke straf. Als de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit komt is een onvoorwaardelijke straf gelijk aan het voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke straf of een werkstraf passend. De vordering van de benadeelde partij moet in beide gevallen worden afgewezen.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft met zijn mededader ingebroken in een woning en zij hebben daarbij onder meer een aanzienlijk geldbedrag weggenomen. Hoewel niet gebleken is dat verdachte en zijn mededader tevoren wisten dat er zoveel geld in de woning lag, zijn zij er niet voor teruggedeinsd om deze hoeveelheid geld daadwerkelijk mee te nemen.

Woninginbraken veroorzaken de nodige materiële schade en maken een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor hen vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht.

Blijkens het uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 4 december 2008 is verdachte eerder meerdere keren veroordeeld voor onder meer woninginbraken en diefstallen tot onvoorwaardelijke jeugddetenties.

In het dossier is geen voorlichtingsrapport omtrent verdachte aanwezig, omdat verdachte aan een dergelijke rapportage niet wilde meewerken. Over de persoonlijke omstandigheden van verdachte is bij de rechtbank dus niet veel bekend.

Het is de rechtbank wel duidelijk dat verdachte opnieuw is gerecidiveerd. Verdachte gaat maar door met het plegen van ernstige strafbare feiten. De proceshouding van verdachte toont naar het oordeel van de rechtbank een bepaalde mate van berekening. Verdachte houdt zich in en zegt weinig tot niets op vragen die hem worden gesteld. Niet gebleken is dat hij enige verantwoordelijkheid aanvaardt, of wil aanvaarden voor zijn handelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kans op herhaling groot is.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de navolgende onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank heeft daarbij mede betrokken de voor soortgelijke zaken gebruikelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting, alsook de nog relatief jeugdige leeftijd van verdachte.

6. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 50.000,00 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, is verdachte niet gehouden dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [aangever 1] vordert tevens een schadevergoeding van

€ 60.000,00 voor een tweede woninginbraak.

Deze tweede woninginbraak is niet aan de verdachte ten laste gelegd.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij voor dit deel van de vordering

niet-ontvankelijk verklaren.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van

€ 50.000,00 (vijftigduizend euro), ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 50.000,00 (vijftigduizend euro) te betalen, bij niet betaling te vervangen door 280 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. A. Kuijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 april 2009.