Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI7120

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-06-2009
Datum publicatie
08-09-2010
Zaaknummer
16/710492-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld wegens het bezitten van en handelen in softdrugs en het plegen van valsheid in geschrift De rechtbank constateert dat het Openbaar Ministerie opgenomen gesprekken met geheimhouders niet direct vernietigd heeft. De rechtbank oordeelt dat het OM ontvankelijk is. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het op grote schaal en professioneel verhandelen van softdrugs. De rechtbank veroordeelt verdachte tot 15 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710492-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 juni 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortedatum] te[woonplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsvrouw E. Kolokatsi te Amersfoort

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 en 23 april 2009, waarbij de officier van justitie,

mr. M.D.J. Teengs-Gerritsen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De behandeling van de zaak tegen verdachte heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de zaken tegen zijn medeverdachten [ medeverdachte 1] en [ medeverdachte 2]. Verdachte en zijn medeverdachten zullen in het navolgende respectievelijk ‘[verdachte]’, [ medeverdachte 1] en ‘[ medeverdachte 2] worden genoemd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]

1. meermalen betrokken is geweest bij hennephandel in de periode van 1 januari 2007 tot en met 7 mei 2007

2. op 8 mei 2007 25 kilo hennep in zijn bezit heeft gehad

3. valsheid in geschrift heeft gepleegd in de periode van 1 maart 2006 tot en met 10 mei 2006.

3 De voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding.

3.1.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de dagvaarding voor wat betreft feit 1 nietig is, omdat gezien de omvang van het dossier onvoldoende duidelijk is op welke zaken de tenlastelegging ziet.

De verdediging is voorts van mening dat de dagvaarding voor wat betreft feit 1 geheel dan wel gedeeltelijk nietig dient te worden verklaard, omdat wat onder feit 1 ten laste is gelegd overlap vertoont met feit 2.

3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie voert aan dat het gegeven dat er geen concrete transacties in de tenlastelegging zijn opgenomen aan de duidelijkheid van de tenlastelegging niet afdoet.

De officier van justitie voert voorts aan dat de wijziging van de dagvaarding overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering duidelijk maakt dat de levering van 8 mei 2007 door de heer [betrokkene] in zaaksdossier 15 niet is ondergebracht in de periode waar feit 1 betrekking op heeft, aangezien feit 1 de periode van 1 januari 2007 tot en met 7 mei 2007 betreft. Van een overlapping van feit 1 met feit 2 is dan ook geen sprake, aldus de officier van justitie.

3.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De officier van justitie heeft in de tenlastelegging de pleegperiode en pleegplaats van de verdenking opgenomen. In samenhang met het proces-verbaal van de politie maakt dit dat het ten laste gelegde feit voldoende bepaalbaar is in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank constateert bovendien, gelet op het verhandelde ter terechtzitting, dat [verdachte] begreep wat hem wordt verweten en dat de verdediging zich daarop goed heeft kunnen voorbereiden.

Met betrekking tot het verweer strekkende tot gehele dan wel gedeeltelijke nietigverklaring van de dagvaarding omdat feit 1 overlap vertoont met andere tenlastegelegde feiten, overweegt de rechtbank als volgt. Bij de opstelling van de tenlastelegging maakt de officier van justitie een keuze hoe hij de feiten waar hij [verdachte] van verdenkt, aan de rechtbank presenteert. De eis die daarbij aan het tenlastegelegde wordt gesteld is slechts dat opgave wordt gedaan van feit, tijd, plaats en – kort gezegd – relevante omstandigheden.. De officier van justitie heeft de bevoegdheid ervoor kiezen om meerdere feiten naast elkaar ten laste te leggen of de op één gebeurtenis toegesneden tenlastelegging op meerdere delictsomschrijvingen te oriënteren. Het enkele gegeven dat er bij een tenlastelegging sprake is van eventuele overlapping in het feitencomplex van de tenlastegelegde feiten rechtvaardigt op geen enkele wijze een conclusie tot gehele dan wel gedeeltelijke nietigverklaring van de dagvaarding. Het is een samenloopprobleem.

De dagvaarding is dan ook geldig.

3.2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.2.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de officier van justitie de processen-verbaal van de geheimhoudergesprekken niet onverwijld heeft vernietigd. Uit het procesdossier blijkt dat 6 gesprekken met de notaris uit de periode januari tot maart 2007 en 43 andere geheimhoudergesprekken uit de periode januari tot maart 2007 pas op 8 respectievelijk 4 maart 2008 door de KLPD zijn vernietigd. Uit het dossier blijkt voorts dat op 12 februari 2009 nogmaals vernietiging heeft plaatsgevonden van enkele gesprekken met geheimhouders uit de periode van januari 2007 tot mei 2007. De verdediging voert aan dat niet kan worden gecontroleerd of de inhoud van deze gesprekken gebruikt is als sturingsinformatie voor het opsporingsonderzoek. De raadsvrouw voert aan dat bovendien zekerheid ontbreekt over de afwezigheid van overige niet-vernietigde geheimhoudergesprekken, omdat de officier van justitie geen garantie terzake daarvan kan geven.

Terzake van feit 2 dient het openbaar ministerie eveneens geheel dan wel gedeeltelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat op de vordering inbewaringstelling en de eerste dagvaarding die [verdachte] heeft ontvangen werd vermeld dat hij verdacht werd van het aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep van 11 kilogram. Op grond daarvan is bij [verdachte] de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat hij voor niet meer dan het aanwezig hebben van 11 kilogram hennep zou worden vervolgd. Nu de vervolging terzake feit 2 op dit moment betrekking heeft op een hoeveelheid van 25 kilogram hennep, levert dit schending van het vertrouwensbeginsel op.

3.2.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie erkent dat de vernietiging van de geheimhoudergesprekken niet onverwijld heeft plaatsgevonden. De officier van justitie geeft de garantie dat de inhoud van de vernietigde geheimhoudergesprekken niet is gebruikt als sturingsinformatie. De officier van justitie voert aan dat [verdachte] niet is geschaad in het belang dat het geschonden voorschrift diende en dat daarom met de enkele constatering dat er in strijd met artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering gehandeld is, kan worden volstaan.

Terzake feit 2 voert de officier van justitie aan dat aan de vermelding van een bepaalde hoeveelheid hennep op de vordering inbewaringstelling geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat de vervolging beperkt zou blijven tot die betreffende hoeveelheid.

3.2.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert op grond van het dossier dat diverse tapgesprekken uit de periode januari 2007 tot mei 2007 pas op 4 respectievelijk 8 maart 2008 dan wel pas op 12 februari 2009 zijn vernietigd en dat daarmee geen sprake is van onverwijlde vernietiging in de zin van artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering.

Op grond van art. 359a Sv moet de rechtbank bij het bepalen van de sanctie op een onherstelbaar vormverzuim rekening houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Uit HR 25 juni 2002, NJ 2002, 625 volgt dat er nog een vierde factor is, te weten de ernst van het feit waarvan iemand wordt verdacht. De rechtbank heeft al deze factoren betrokken in het navolgende.

Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan slechts sprake zijn als de politie en/of het openbaar ministerie ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan.

Uit de rechtspaak van de Hoge Raad volgt dat in dit soort zaken, bij de beantwoording van de vraag of het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging is, mede van belang is of de geheimhoudersgesprekken van belang zijnde onderzoeksgegevens hebben opgeleverd. Ook is van belang of er aanwijzingen zijn dat naar aanleiding van de gesprekken met de geheimhouder nadere onderzoekshandelingen zijn verricht.

De rechtbank neemt in dit verband het volgende in aanmerking:

- de officier van justitie heeft ter terechtzitting van 23 april 2009 verklaard dat de vernietigde gesprekken met geheimhouders niet richtinggevend zijn geweest voor het onderzoek;

- het dossier bevat geen enkel aanknopingspunt waaruit naar voren komt dat de door de politie verrichte ambtshandelingen hebben plaatsgevonden naar aanleiding van informatie afkomstig uit tapgesprekken die onverwijld vernietigd had moeten worden;

- de stelling van de verdediging dat informatie uit de in 2007 afgeluisterde gesprekken met de notaris is gebruikt als sturingsinformatie, laat zich niet wel rijmen met het gegeven dat de politie al in 2006 informatie heeft opgevraagd bij de openbare registers;

- op het totaal van het aantal tapgesprekken dat deel uitmaakt van het procesdossier is het aantal van de door de officier van justitie vernietigde gesprekken slechts een fractie.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachten door het handelen van de politie en het openbaar ministerie ten aanzien van de getapte geheimhouderscommunicatie niet doelbewust of met grove veronachtzaming van hun belangen tekort zijn gedaan voor wat betreft hun recht op een eerlijke behandeling van de zaak. Nu voorts niet is gebleken dat [verdachte] op enigerlei wijze in zijn belang is geschaad, kan worden volstaan met de enkele constatering dat er een schending van artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering heeft plaatsgevonden.

De rechtbank overweegt voorts dat het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie vanwege schending van het vertrouwensbeginsel eveneens wordt verworpen. Het enkele feit dat op een vordering inbewaringstelling een bepaalde hoeveelheid, in dit geval hennep, wordt vermeld is niet een duidelijke en ondubbelzinnige toezegging van de officier van justitie dat de vervolging slechts tot die bepaalde hoeveelheid beperkt zal blijven.

De rechtbank concludeert dat het openbaar ministerie ontvankelijk is.

4 De beoordeling van het bewijs

De rechtbank merkt voorafgaand op dat bij het navolgende in de voetnoten wordt verwezen naar paginanummers. Deze pagina 's maken deel uit van in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde ambtenaren opgemaakte, ambtsedige processen-verbaal en daarbij gevoegde bescheiden. Die processen verbaal zijn gebundeld en doorlopend genummerd

1 tot en met 6410. In die processen-verbaal zijn onderzoeksbevindingen gerelateerd en verklaringen van personen die zijn ver- of gehoord.

4.1 Ten aanzien van feit 1

4.1.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich, onder verwijzing naar de inhoud van het dossier, op het standpunt dat feit 1 wettig en overtuigend kan worden bewezen. Voor wat betreft het voorhanden hebben van hennep in [bedrijf X] “[naam bedrijf]” (hierna: de [bedrijf X]) en het leveren van hennep vanuit deze [bedrijf X], dicht de officier van justitie daarbij een gelijkwaardige rol toe aan [verdachte] en [ medeverdachte 1].

4.1.2 Het standpunt van de verdediging

[verdachte] heeft zich zowel in zijn verhoren bij de politie als ter zitting op zijn zwijgrecht beroepen. Zijn raadsvrouwe heeft ter zitting betoogd dat ten aanzien van een deel van de zaaksdossiers geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van een deel van de zaaksdossiers refereert zij zich aan het standpunt van de rechtbank. Tot slot heeft de raadsvrouwe zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] ten opzichte van [ medeverdachte 1] een ondergeschikte rol heeft vervuld.

4.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [ medeverdachte 1] en [verdachte] in de tenlastegelegde periode meermalen willens en wetens hebben samengewerkt bij de verkoop en aflevering van hennep. Omwille van de overzichtelijkheid geeft de rechtbank bij de bewijsmiddelen aan uit welke zaaksdossiers deze afkomstig zijn. Elk van de opgenomen bewijsmiddelen draagt echter bij aan de bewezenverklaring voor de tenlastegelegde verkoop en aflevering van hennep gedurende de gehele periode. Alle bewijsmiddelen moeten daartoe in onderling verband en samenhang worden beschouwd.

Samenwerking van [ medeverdachte 1] en [verdachte]

[verdachte] dreef sinds 1 januari 2007 de eenmanszaak “[naam bedrijf]” gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , hierna steeds aangeduid als “de [bedrijf X]”. Sinds de overname van de [bedrijf X] door [verdachte] kwam [ medeverdachte 1] daar dagelijks, 5 dagen per week en soms op zaterdag. Hij verbleef daar dan ongeveer 6 uur per dag. Uit de navolgende bewijsmiddelen volgt dat zowel [verdachte] als [ medeverdachte 1] in de tenlastegelegde periode betrokken zijn geweest bij de verkoop en levering van hennep vanuit de [bedrijf X]. Weliswaar is hun betrokkenheid niet bij alle hieronder concreet genoemde leveringen even groot, de éne keer vervult [verdachte] een grotere rol en de andere keer [ medeverdachte 1], maar duidelijk is dat vanuit de [bedrijf X] gehandeld wordt in hennep en dat beiden daarin een actieve rol spelen. De inhoud van het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat één van hen hierbij een leidinggevende of ondergeschikte rol zou vervullen. De rechtbank houdt het er daarom op dat de rol die beiden speelden in de hennephandel gelijkwaardig was.

Leveringen vanuit de [bedrijf X]

Zaaksdossier 2 en zaaksdossier 5

De getuige [getuige 1] (hierna: van [getuige 1]) heeft verklaard dat hij op 17 april 2007 7 kilo gedroogde hennep van [verdachte] heeft gekocht. Deze verklaring wordt ondersteund door politieobservaties, waarbij werd geconstateerd dat [getuige 1] op 17 april 2007 met een grote wit/blauw geruite tas de [bedrijf X] verlaat en deze in zijn auto legt en wegrijdt. De politie neemt waar dat [getuige 1] de wit/blauw geruite tas op een later tijdstip uit zijn auto haalt. De tas wordt vervolgens geplaatst in een andere auto. De bestuurder van de andere auto wordt kort daarna aangehouden en in de auto wordt de blauw/wit geruite tas aangetroffen met daarin 7 kilo hennep.

Voorts heeft [getuige 1] tegenover de politie verklaard dat hij op 6 april 2007 hennepstekjes heeft opgehaald bij de [bedrijf X]. In dit verband is van belang dat [getuige 1] op 5 april 2007 om 13.11 uur heeft gebeld met [verdachte]. Hij zegt in dat gesprek dat hij [verdachte] belt over die kleintjes, vraagt of hij die morgen heeft en zegt dat het er precies 12 moeten zijn. [verdachte] zegt dat hij dat gaat regelen. Vervolgens belt [verdachte] om 13.12 uur met [getuige 5] (hierna: [getuige 5]) en zegt dat “hij” er 1200 wil morgenochtend. [getuige 5] heeft tegenover de politie verklaard dat dit gesprek over hennepstekken ging. De politie neemt vervolgens op 6 april 2007 waar dat [getuige 5] kartonnen dozen aflevert bij de [bedrijf X] en dat [getuige 1] even later 15 soortgelijke dozen ophaalt bij de [bedrijf X]. Gelet op de verklaring van [getuige 5] en het aantal dozen dat [getuige 1] bij de [bedrijf X] heeft opgehaald, houdt de rechtbank het ervoor dat [getuige 1] 1200 stekjes heeft afgenomen.

[getuige 1] verklaart tot slot dat [ medeverdachte 1] vaak in de [bedrijf X] aanwezig was en er ook bij was in de [bedrijf X] als er nat en droog werden verhandeld. Met nat bedoelt [getuige 1] hennep die net geknipt is en met droog hennep die gedroogd is en als wiet wordt verkocht.

Zaaksdossier 3

De getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij in totaal 20 tot 35 stuks hennep heeft opgehaald bij de [bedrijf X], waarbij hij met stuks een kilo of een halve kilo bedoelt. Hij weet dat [verdachte] en [ medeverdachte 1] zich bezig hielden met de bevoorrading van coffeeshops. [getuige 2] kreeg van derden opdracht om hennep op te halen waar dat mogelijk was en ging dan bellen om te horen wie wat en hoeveel had liggen. Bij één van de nummers kreeg hij dan [verdachte] aan de lijn en soms nam [ medeverdachte 1] de telefoon op. Een aantal keer heeft hij met [verdachte] en [ medeverdachte 1] het zaakje rondgebreid. [getuige 2] bracht de wiet bij zijn opdrachtgevers, die het dan weer verder brachten naar coffeeshops. [getuige 2] verklaart tot slot dat hij ongeveer 20 keer in de [bedrijf X] is geweest en dat hij ongeveer de helft van deze keren wiet mee naar huis heeft genomen.

In zijn verhoor bij de politie is aan [getuige 2] een aantal tapgesprekken voorgelegd, waaronder een gesprek van 14 februari 2007, , 15 februari 2007 , 16 februari 2007 , 17 februari 2007 , 5 maart 2007 , 12 maart 2007 , 14 maart 2007 , alle met [verdachte]. [getuige 2] heeft daarover verklaard dat alle gesprekken die hij met [verdachte] heeft gevoerd gingen om wiet. Alle getallen die genoemd zijn in die gesprekken betreffen hoeveelheden of de kiloprijs voor een kilo hennep. Hij verklaart dat hij alleen zaken deed met [verdachte]. Maar dat [ medeverdachte 1] er wel vaak bij was. In totaal heeft hij ongeveer 10 keer inderdaad henneptoppen gehaald bij [verdachte], waarbij de hoeveelheden varieerden van 2 tot 10 kilo hennep.

Zaaksdossier 4

Op 18 januari 2007 belt [verdachte] om 19.39 met [ medeverdachte 1]. [verdachte] zegt tegen [ medeverdachte 1] “het is 9.1 geworden”. Vervolgens legt [verdachte] uit dat hij van verschillende personen verschillende hoeveelheden heeft gekregen, dat dat in totaal op 8648 uit kwam en dat hij er “op een hele 50 bijgedaan heeft.” [ medeverdachte 1] vertelt vervolgens dat “hij” wel genoeg heeft gegeven maar dat “hij” dacht dat “hij” te weinig had gegeven., “hij” dacht dat “hij” 19 had gegeven maar “hij” had 29 gegeven. Dan kom je volgens [ medeverdachte 1] nog steeds iets tekort. [verdachte] bevestigt dit en zegt dat als je het uitrekent, 9.1 maal 3200 is 29.120. [ medeverdachte 1] zegt tot slot tegen [verdachte] “Bel hem eens, laat hem mij eens bellen”. Vervolgens wordt [ medeverdachte 1] om 19.44 gebeld door [bijnaam] die tegen [ medeverdachte 1] zegt dat hij veel te veel heeft gegeven. [ medeverdachte 1] antwoordt en zegt dat hij het heeft uitgerekend en dat het dus 2920 was. Ze besluiten om het “morgen” wel uit te rekenen. Op 20 januari wordt [ medeverdachte 1] (H) gebeld door [bijnaam] (N). Dit gesprek houdt, voor zover hier van belang het volgende in:

N: wat jullie nu doen, dat kan toch niet!

H: wat dan?

N: ik betaal jullie drieënzestighalf voor handel en dan gaan jullie er nog gruis in lopen gooien!

H: Nee nee nee nee nee

N: dat kan toch niet!

H: Nee nee nee nee

N: [verdachte] [[verdachte]; rechtbank] heeft het gisteren zelf gezegd, er zit gewoon gruis in!

De rechtbank overweegt in dit verband dat onder andere de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat met gruis in de hennephandel de restjes van afgeknipte henneptoppen en bladeren worden bedoeld. Deze restanten worden dan in een molentje gemalen en op een later tijdstip aan de wiet toegevoegd. Dit wordt gedaan om wiet te vermeerderen met een goedkoper product. Gelet hierop concludeert de rechtbank uit bovengenoemde telefoontaps dat [verdachte] en

[ medeverdachte 1] betrokken zijn geweest bij de verkoop van 9.1 kilo hennep.

Zaaksdossier 6

De getuige [getuige 3] (hierna: [getuige 3]), heeft tegenover de rechtercommissaris verklaard dat hij bij een coffeeshop werkt en dat hij in opdracht van zijn baas [getuige 4] twee keer wiet heeft gekocht bij de [bedrijf X], één keer 1 kilo en één keer 1,2 kilo. De getuige [getuige 4] (hierna: [getuige 4]) heeft tegenover de politie verklaard dat hij de bedrijfsleider van zijn coffeeshop [getuige 3] twee keer opdracht heeft gegeven om naar [woonplaats] te gaan om te kijken of hij wiet kon kopen bij de [bedrijf X]. [getuige 4] verklaart voorts dat hij voornamelijk contact had met [ medeverdachte 1]. [getuige 4] besprak met

[ medeverdachte 1] of hij nog aan wiet kon komen. Als [getuige 4] in de [bedrijf X] kwam liet [ medeverdachte 1] hem ook de wiet zien. Als hij wat kocht betaalde hij aan [ medeverdachte 1] of aan [verdachte]. Verder belde [verdachte] als hij

[ medeverdachte 1] niet te pakken kreeg. [verdachte] kon hem dan vertellen waar [ medeverdachte 1] was of [getuige 4] kon [verdachte] vragen of [ medeverdachte 1] hem terugbelde.

4.2 Ten aanzien van feit 2

4.2.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich, onder verwijzing naar de inhoud van het dossier, op het standpunt dat feit 2 wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2.2 Het standpunt van de verdediging

[verdachte] heeft zich ten aanzien van feit 2 op zijn zwijgrecht beroepen. Zijn raadsvrouwe heeft zich ter zitting op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.2.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [ medeverdachte 1] en [verdachte] op 8 mei 2007 te [woonplaats] tezamen 25 kilo opzettelijk aanwezig hebben gehad. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit een ambtsedig proces-verbaal van politie blijkt dat in het magazijn van het pand [adres] (de [bedrijf X]) in totaal 16 zakken henneptoppen zijn aangetroffen en 5 zakken hennepgruis. In het kantoor van dit pand werd 1 plak hasj aangetroffen en 1 zak droge henneptoppen. Het totaalgewicht van deze hennepproducten bedroeg 25.652 gram. Van alle hennepproducten werd een monster genomen. Uit een op de voorgeschreven wijze uitgevoerde test, bleek dat het hierbij steeds ging om hennepplanten van het soort cannabis. Anders dan de verdediging heeft betoogd, behoort ook gruis tot hennep zoals omschreven op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

4.3 Ten aanzien van feit 3

4.3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit bewezen.

4.3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van [verdachte] heeft betoogd dat er geen bewijs is dat [verdachte] zelf de werkgeversverklaringen en salarisspecificaties (al dan niet tezamen met anderen) valselijk heeft opgemaakt of vervalst en dus niet als pleger van valsheid in geschrift is aan te merken, maar hoogstens als gebruiker van valselijk opgemaakte stukken.

4.3.3 Het oordeel van de rechtbank

Algemeen

De rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] valsheid in geschrift heeft gepleegd zoals hierna aangegeven.

De heer [getuige 6], werkzaam bij [bedrijf Y], heeft namens [bedrijf 1] (onderdeel van [bedrijf Y]) aangifte gedaan van valsheid in geschrift. Hij heeft verklaard dat op 3 mei 2006 door de [bedrijf 1] een hypothecaire geldlening werd verstrekt aan [verdachte] en [naam] ten behoeve van de onroerende zaak aan [adres] te [vestigingsplaats]

Beide aanvragers hebben een werkgeversverklaring overlegd met een daarop aansluitende salarisspecificatie:

- een werkgeversverklaring van [bedrijf 4] te [vestigingsplaats] gedateerd 27 maart 2006 inhoudende dat [verdachte] sinds 1 maart 2005 voor onbepaalde tijd in dienst is als sales manager met een bruto jaarsalaris van € 33.000, ondertekend door [getuige 7].

- een salarisspecificatie van [bedrijf 4] betreffende loon van [verdachte] over maart 2006. Volgens die specificatie is er die maand netto € 1.836,19 uitbetaald.

- een werkgeversverklaring van [naam] Services te [vestigingsplaats] gedateerd 11 april 2006 inhoudende dat [naam] sinds 1 oktober 2004 voor onbepaalde tijd in dienst is als administratief medewerker met een bruto jaarsalaris van € 18.000, ondertekend door [getuige 8]

- een salarisspecificatie van [naam] Services betreffende loon van [naam] over maart 2006. Volgens die specificatie is er die maand netto € 1.436,17 uitbetaald.

De [bedrijf 1] mocht er vanuit gaan dat deze werkgeversverklaringen en salarisspecificaties juist waren en op basis hiervan werd de gevraagde financiering dan ook verstrekt.

De heer [naam], waarnemer van curator mr. [naam] van [bedrijf 4][bedrijf 2], heeft telefonisch verklaard de heer [getuige 7] geen bestuurder was en ook niet gevolmachtigd was ten tijde van het opstellen van de werkgeversverklaring.

De heer [getuige 8] heeft verklaard dat hij directeur en enig aandeelhouder is van [naam] Services sinds 2005. Hij heeft de getoonde werkgeversverklaring nooit getekend en deze mevrouw heeft ook nooit bij hem gewerkt. Het is zijn handschrift ook helemaal niet. Hij ziet dat er een salarisstrook bij zit, maar hij heeft geen salarisadministratie.

[naam], echtgenote van [verdachte], heeft verklaard dat zij ten tijde van de oversluiting van de hypotheek naar de [bedrijf 1] werkte bij Sportschool [naam], health en recort club in [vestigingsplaats] [verdachte] werkte toen bij [bedrijf 3], hij had geen andere inkomsten. Zij heeft zelf geprobeerd de hypotheek te regelen via Stad Rotterdam, dat is afgeketst, toen heeft [verdachte] [[verdachte], rechtbank] het overgenomen en werd het geregeld bij de [bedrijf 1].

Bewijsoverweging

De rechtbank verwerpt het verweer dat [verdachte] niet als pleger van valsheid in geschrift is aan te merken. De betreffende documenten zijn aan de [bedrijf 1] verstrekt door [verdachte] en [naam]. [naam] heeft expliciet verklaard dat [verdachte] de hypothecaire lening heeft geregeld bij de [bedrijf 1]. Onmiskenbaar is dat alle vier documenten valselijk zijn opgemaakt, omdat zij niet overeenkomen met de werkelijkheid. Dit vraagt naar het oordeel van de rechtbank om uitleg van de zijde van [verdachte]. Uitleg die hij niet heeft gegeven nu hij zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de hierboven vermelde feiten. Daaruit volgt dat [verdachte] als pleger van valsheid in geschrift is aan te merken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

Feit 1.

in de periode van 1 januari 2007 tot en met 7 mei 2007 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en verkocht hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep van meer dan 30 gram, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst II;

Feit 2.

op 8 mei 2007 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer

25 kilo, van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst II;

Feit 3.

in de periode van 1 maart 2006 tot en met 10 mei 2006 te [woonplaats] geschriften, te weten

een werkgeversverklaring (gedateerd 27 maart 2006), waarin [bedrijf 4] te [vestigingsplaats] als werkgever staat vermeld en hij, verdachte, als werknemer en

een salarisspecificatie met betrekking tot maart 2006 op naam van hem, verdachte, en

een werkgeversverklaring (gedateerd 11 april 2006), waarin [naam] Services te [vestigingsplaats] als werkgever staat vermeld en [naam] als werknemer en

een salarisspecificatie met betrekking tot maart 2006 op naam van [naam],

telkens zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt door – zakelijk weergegeven - op dit geschrift onware gegevens te vermelden over het bestaan van een werkgevers-/werknemersverhouding tussen de op voormelde werkgeversverklaringen genoemde personen en over de duur van de overeenkomsten en de daaruit voortvloeiende financiële opbrengsten en over uitbetalingen op grond van voornoemde werkgeversverklaringen,

zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken ten behoeve van een hypothecaire financiering met betrekking tot het onroerend goed [adres] te [vestigingsplaats]

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 tweede lid van deze wet, meermalen gepleegd.

2. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 eerste lid onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 tweede lid van deze wet, meermalen gepleegd.

3. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

[verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht aan [verdachte] op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat het gerechtshof te Arnhem bij de beslissing tot opheffing van de voorlopige hechtenis van [verdachte] op 11 juli 2007 geen recidivegevaar bij hem aanwezig achtte. [verdachte] is sindsdien niet in aanraking geweest met politie en justitie en had ook voordien een blanco strafblad op het gebied van de Opiumwet. Vanaf februari 2008 voert [verdachte] als zelfstandig ondernemer kluswerkzaamheden, verhuizingen en ontruimingen uit en voorziet daarmee in het in het levensonderhoud van zijn gezin. Sinds zijn arrestatie op 8 mei 2007 gaat [verdachte] gebukt onder de onzekerheid die zijn strafvervolging met zich meebrengt. Ondanks het feit dat geen zelfstandige verzoeken tot het horen van getuigen zijn gedaan om een snelle berechting mogelijk te maken, wordt de zaak van [verdachte] nu pas behandeld. Dit onredelijk lange tijdsverloop dient tot strafvermindering te leiden en de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf die langer duurt dan het reeds ondergane voorarrest in de weg te staan. De verdediging verzoekt voorts in de strafmaat rekening te houden met het gegeven dat [verdachte] ten gevolge van zijn arrestatie financiële schade heeft geleden en het gegeven dat [verdachte] een kleinere rol in het geheel heeft gespeeld dan zijn medeverdachten. Wanneer de rechtbank van oordeel is dat [verdachte] aanvullend gestraft moet worden, kan worden volstaan met een taakstraf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de [verdachte].

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden noodzakelijk is. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende.

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het verhandelen en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid softdrugs. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat deze handel zich (tenminste) heeft uitgestrekt over een periode van vijf maanden en op grote schaal en professionele wijze heeft plaatsgehad. [verdachte] heeft uit deze verboden handel een groot financieel voordeel genoten. Daarnaast heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Voor een werkbare samenleving is het van essentieel belang dat burgers in het maatschappelijk verkeer vertrouwen kunnen stellen in de juistheid van bepaalde geschriften. Deze geschriften worden bovendien als controlemechanismen gebruikt door financiële instellingen om tot een verantwoorde kredietverlening over te gaan en zij dienen om een gezonde en stabiele economie te bevorderen. Door gebruik te maken van valse werkgeversverklaringen en een salarisstrook met het oogmerk een hypotheek te verkrijgen voor zijn pand, heeft [verdachte] zowel het vertrouwen van de burgers als dat van de financiële instellingen beschadigd. De rechtbank overweegt dat dit een ontwrichtende werking kan hebben op het economisch verkeer en zij neemt dit de [verdachte] kwalijk.

De rechtbank constateert dat, nu [verdachte] op 8 mei 2007 is aangehouden en het vonnis in deze strafzaak dateert van 8 juni 2009 er sprake is van een lichte overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ingewikkeldheid van de zaak en het feit dat de overschrijding van de redelijke termijn zeer gering is, met de enkele constatering van deze overschrijding kan worden volstaan.

7 Het beslag

Op de beslaglijst staat als inbeslaggenomen voorwerp waarover de rechtbank een beslissing dient te nemen vermeld:

2. Euro geld

Euro 465,25 aangetroffen in woning verd. [verdachte]

Op de terechtzitting van 23 april 2009 is door de officier van justitie een aanvullende beslaglijst overgelegd waar de inbeslaggenomen inventaris van de [bedrijf X] op staat vermeld. Deze aanvullende beslaglijst is als bijlage 2 bij dit vonnis gevoegd.

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de op de (aanvullende) beslaglijst vermelde geldbedragen worden verbeurdverklaard. Ten aanzien van de complete inventaris van de [bedrijf X] die op de aanvullende beslaglijst vermeld staat vordert de officier van justitie integrale verbeurdverklaring om reden dat de [bedrijf X] als dekmantel gefungeerd heeft voor het kunnen plegen van de feiten 1 en 2. In tweede instantie vordert de officier van justitie dat het in de woning van [verdachte] aangetroffen geldbedrag op de beslaglijst vermeld onder 2. wordt teruggegeven aan [verdachte].

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat het in de woning van [verdachte] aangetroffen geldbedrag huishoudgeld betreft dat niets met de [bedrijf X] te maken had en verzoekt daarom tot teruggave van dit bedrag aan [verdachte]. De verdediging voert voorts aan dat de in de in de [bedrijf X] aangetroffen geldbedragen kasgelden uit reguliere [bedrijf X]-activiteiten betreffen. Omdat er onvoldoende verband tussen de inbeslaggenomen goederen en de tenlastegelegde feiten bestaat, dienen ook deze gelden aan [verdachte] te worden teruggegeven. De inventaris van de [bedrijf X] die op de aanvullende beslaglijst vermeld staat betreft legale goederen die in [bedrijf X]s te koop zijn en daarom dienen ook deze goederen aan [verdachte] te worden geretourneerd, aldus de verdediging.

7.2.1 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de op de aanvullende beslaglijst vermelde in de [bedrijf X] aangetroffen geldbedragen en het onder punt 2. op de beslaglijst vermelde geldbedrag aangetroffen in de woning van [verdachte] overweegt de rechtbank dat nu het beslag dat op deze geldbedragen is gelegd geen strafvorderlijk beslag betreft maar conservatoir beslag, zij daarover geen beslissing kan nemen.

Ten aanzien van de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de overige voorwerpen die vermeld staan op de aanvullende beslaglijst, verwijst de rechtbank naar de als bijlage 2 bij dit vonnis opgenomen bijlage.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 36, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt [verdachte] vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 tweede lid van deze wet, meermalen gepleegd.

2. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 eerste lid onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 tweede lid van deze wet, meermalen gepleegd.

3. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf van 15 maanden;

- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de verbeurdverklaring, de onttrekking aan het verkeer respectievelijk de teruggave aan [verdachte] dan wel de rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte aanvullende beslaglijst zijn vermeld overeenkomstig de op deze beslaglijst in de kolom ‘Ruimte’ vermelde beslissing.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. E.F. Bueno en mr. H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 juni 2009.