Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI6366

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
268048 / KG ZA 09-546
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter weigert de gevraagde voorziening na afweging van de belangen van verzoeker en die van zijn echtgenote en nog heel jonge kinderen. Geen reden om ook reeds in de hoofdzaak te beslissen nu de gronden waarop het huisverbod is gebaseerd, afkomstig lijken uit slechts één bron, de echtgenote van verzoeker, en verweerder deze gronden, ondanks dat deze door verzoeker zijn betwist niet nader heeft onderbouwd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Wet tijdelijk huisverbod
Wet tijdelijk huisverbod 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/521
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector civiel recht, team familie

nummer: 268048 / KG ZA 09-546

proces-verbaal van mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2009 op het verzoek om voorlopige voorziening

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens eiser, hierna te noemen verzoeker,

gemachtigde: mr. V.P.J. Tuma,

tegen

de burgemeester van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het door de burgemeester van Utrecht bij besluit van 23 mei 2009 aan een verzoeker opgelegde tijdelijk huisverbod, dat geldt van 23 mei 2009, 14:00 uur tot 2 juni 2009, 14:00 uur.

1.2 Het op 25 mei 2009 om 22.26 uur ingediende verzoek is op 29 mei 2009 ter zitting behandeld, waar verzoeker is vertegenwoordigd door mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.N. Sloote en mevrouw A.M. Postema, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend in de hoofdzaak.

2.3. Ingevolge artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten en omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van de medebewoners of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

2.4. Verweerder heeft aan zijn besluit kort samengevat ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning een gevaar of een ernstig vermoeden van een gevaar als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wth oplevert en dat verweerder na afweging van de betrokken belangen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opleggen van een huisverbod. Verweerder heeft met betrekking tot het gevaar verwezen naar het risicotaxatie-instrument zoals dat door de desbetreffende hulpofficier van justitie is ingevuld en diens proces-verbaal van bevindingen.

2.5. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan bedreigingen en fysiek geweld jegens zijn vrouw en heeft betwist dat van hem een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat. Hij erkent wel dat de relatie met zijn vrouw al enige tijd moeizaam verloopt omdat zijn vrouw niet meer van hem houdt en de relatie wenst te beëindigen. Verder heeft hij erop gewezen dat de aangevoerde gronden voor het huisverbod slechts uit één bron, zijn echtgenote, afkomstig zijn en niet van elders worden ondersteund.

2.6. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting kunnen de volgende feiten als vaststaand worden aangenomen. Verzoeker en zijn echtgenote vormen een gezin samen met twee nog hele jonge kinderen, een van zestien maanden en een van drie maanden. De echtgenote van verzoeker heeft op vrijdag 22 mei 2009 het telefoonnummer 112 gebeld, waarna politieagenten zich hebben begeven naar de echtelijke woning. Diezelfde avond heeft ook een hulpofficier van justitie zich naar de echtelijke woning begeven. Het door hem daarvan opgemaakte proces verbaal van bevindingen vermeldt dat de echtgenote van verzoeker in de woning aan de hulpofficier heeft gemeld dat zij al geruime tijd wordt bedreigd en mishandeld door verzoeker, dat hij haar thans had geslagen en bedreigd in het bijzijn van één van hun twee kinderen, dat zij vreest voor haar veiligheid en die van haar kinderen en dat het geweld naar haar zal toenemen in de toekomst. Het door de hulpofficier van justitie ingevulde risicotaxatie-instrument vermeldt dat verzoeker erg emotioneel was, dat hij huilde en niets wilde verklaren, dat hij werk heeft als bouwkundig tekenaar en dat er geen schulden zijn. Er is niet aangegeven dat er sprake is van strafrechtelijke antecedenten en verslavingsproblematiek. Verder zijn onder meer hokjes onder het kopje bedreiging, psychisch geweld en lichamelijk geweld aangekruist, met daarbij de score (hoog) risico. Aangegeven is daarnaast dat het geweld in zwaarte en frequentie de laatste jaren is toegenomen en dat de echtgenote van verzoeker financieel en verblijfsrechtelijk geheel afhankelijk is van verzoeker.

Voorts staat vast dat de echtgenote van verzoeker op of na 22 mei 2009 aangifte heeft gedaan van huiselijk geweld, dat verzoeker daarna op verdenking van mishandeling in verzekering is gesteld maar nog hetzelfde weekend is vrijgelaten en dat hij sindsdien voor zowel zijn advocaat als verweerder onbereikbaar is. Namens verweerder is ter zitting verklaard dat er wel eenmaal vanuit de hulpverlening contact met hem is geweest maar dat hij elke vorm van hulp heeft afgehouden. Verweerder heeft voorts gesteld mede om die reden voornemens te zijn het huisverbod te verlengen.

2.7. De voorzieningenrechter is het met verzoeker eens dat de informatie op basis waarvan het risicoinformatie-instrument is ingevuld uit één bron, de echtgenote van verzoeker, afkomstig lijkt. Het proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie bevat daarnaast uitsluitend de verklaring van die echtgenote en geen relevante eigen waarnemingen. Andere stukken die het huiselijk geweld onderbouwen, bijvoorbeeld eerdere mutaties van de politie of bij proces-verbaal vastgelegde eigen waarnemingen van politieagenten die duiden op huiselijk geweld, zijn door verweerder niet in het geding gebracht. Gelet op de ontkenning in het verzoekschrift van het gestelde huiselijk geweld had het in dit geval echter wel op de weg van verweerder gelegen om de gronden van het huisverbod nader te onderbouwen. Nu verweerder dit heeft nagelaten is de voorzieningenrechter van oordeel dat in deze zaak in een bodemprocedure een nader onderzoek naar de feiten aangewezen kan zijn, zodat niet is voldaan aan het criterium van artikel 8:86 van de Awb.

2.8. De voorzieningenrechter komt niet tot het oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, de gevraagde voorziening vereist en wel om de volgende reden. Vaststaat dat de relatie tussen verzoeker en zijn echtgenote ernstig is verstoord, dat zijn echtgenote tegenover de hulpofficier heeft verklaard zoals hierboven is vermeld, dat zij aangifte van huiselijk geweld heeft gedaan, waarna verzoeker op verdenking van mishandeling in verzekering is gesteld. Voorts staat vast dat verzoeker ter plaatste zeer emotioneel is aangetroffen en, tegenover de hulpofficier van justitie, niet wilde verklaren over de door zijn echtgenote geuite beschuldigingen, zodat deze op dat moment niet of onvoldoende betwist zijn gebleven. Verzoeker is niet ter zitting verschenen om op de feitelijke toedracht van de voorzieningenrechter gerichte vragen te antwoorden. Daarmee heeft de voorzieningenrechter zijn stelling dat zijn echtgenote onwaarheid heeft gesproken niet nader kunnen toetsen. Vaststaat voorts dat de echtgenote van verzoeker zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt nu zij de zorg heeft over twee nog heel jonge kinderen en, naar onbestreden is gebleven, zowel financieel als verblijfsrechtelijk geheel van hem afhankelijk is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt die kwetsbaarheid in de gegeven omstandigheden met zich mee dat de belangen van de echtgenote en die van de twee kinderen op veiligheid en rust zwaarder wegen dan die van verzoeker bij schorsing van het huisverbod, te meer nu van de zijde van verweerder is verklaard dat, mocht verzoeker werkspullen of andere zaken uit de echtelijke woning voor zijn werk nodig hebben, verweerder het er daarheen zal leiden dat deze hem zullen worden verstrekt.

2.9. Uit het vorengaande volgt dat er geen aanleiding is een voorlopige voorziening te treffen.

2.10. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2009 in aanwezigheid van H. Oosterhuis, griffier.

Afschrift verzonden op: