Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI5888

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-05-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
SBR 08/1588
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen 38a en 38b van de ZW. Te late ziekmelding. Redelijkerwijs duidelijk eerst na arbeidskundige beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/1588

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2009

in de zaak van

Stichting Reinaerde,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 april 2008 waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 15 februari 2008 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder [werknemer], oud werknemer van eiseres (hierna: de werknemer), bericht dat door te late ziekteaangifte van zijn werkgever aan hem over de periode van 18 mei 2007 tot en met 16 december 2007 geen uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) wordt uitbetaald.

1.2 De werknemer heeft niet aangegeven als partij aan het geding te willen deelnemen.

1.3 Het beroep is behandeld ter zitting van 13 mei 2009, waar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door W. van den Berg, personeelsconsulent bij eiseres, en door

drs. H.E. Wonnink, bedrijfsarts. Namens verweerder is verschenen F. Snatager, werkzaam

bij het Uwv.

Overwegingen

2.1 De werknemer is op 26 juni 2006 in dienst getreden van eiseres als begeleider B. Na een eerder ziektegeval van 20 december 2006 heeft de werknemer zijn werk op 18 mei 2007 wegens ziekte gestaakt. Dit heeft hij op dezelfde dag aan zijn werkgever gemeld. Bij brief van 10 december 2007, ontvangen op 17 december 2007, heeft eiseres, onder bijsluiting van een arbeidskundige rapportage van 26 november 2007, bij verweerder aangifte gedaan van ziekte van haar werknemer met ingang van 18 mei 2007.

2.2 Bij besluit van 15 februari 2008 heeft verweerder de werknemer meegedeeld dat de Ziektewetuitkering over het tijdvak van 18 mei 2007 tot en met 16 december 2007 niet wordt uitbetaald, omdat de aangifte van ziekte zonder goede reden pas op 17 december 2007 was gedaan en niet binnen vier dagen na de datum waarop hij zich had ziek gemeld.

2.3 Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard onder verwijzing naar het bepaalde in de artikelen 38a en 38b van de ZW. Verweerder heeft eiseres daarbij meegedeeld dat hij het niet aannemelijk acht dat eiseres pas op 7 december 2007 op de hoogte was van het gegeven dat de werknemer aanspraak op ziekengeld kon maken en dat hij van mening is dat eiseres omstreeks medio juli 2007 aangifte had moeten doen, omdat het eiseres, gelet op de rapportage van de bedrijfsarts van 13 juli 2007, medio juli 2007 redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de werknemer aanspraak op ziekengeld kon maken.

2.4 Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de ZW zoals dat artikel luidde ten tijde hier in geding, is de verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden aan zijn werkgever, of, indien de verzekerde geen werkgever heeft als bedoeld in paragraaf 3 van deze wet, aan het Uwv.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel meldt de werkgever, na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde melding, aan het Uwv zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de vierde dag van die ongeschiktheid tot werken, de eerste werkdag waarop die verzekerde wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt indien de werkgever jegens wie de verzekerde recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het BW, de melding, bedoeld in het tweede lid, later doet dan in dat lid is voorgeschreven, het ziekengeld niet uitbetaald tot de datum van die melding.

Ingevolge artikel 38b, tweede lid van de ZW meldt de werkgever, in afwijking van artikel 38a, tweede lid, zo spoedig mogelijk doch in elk geval niet later dan de vierde dag na het tijdstip waarop het hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de werknemer aanspraak op ziekengeld kan maken op grond van artikel 29a of 29b, aan het Uwv de eerste werkdag waarop die werknemer wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Het Uwv kent alsdan het ziekengeld met terugwerkende kracht over de verstreken periode, doch ten hoogste over een jaar, toe.

2.5 De rechtbank ontleent aan de gedingstukken dat de werknemer, hoewel gevraagd, eiseres er niet van op de hoogte heeft gesteld dat hij mogelijk aanspraak kon maken op ziekengeld. Op grond van de hiervoor genoemde bepalingen dient een werkgever in een dergelijk geval zo snel mogelijk nadat hij te weten is gekomen, of redelijkerwijs kan weten dat zijn werknemer aanspraak kan maken op ziekengeld, de ziekmelding bij verweerder te doen.

2.6 Verweerder betoogt dat het eiseres vanaf 13 juli 2007 redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat haar werknemer aanspraak kon maken op ziekengeld, nu de bedrijfsarts de werkgever op die datum had gerapporteerd dat er bij de werknemer sprake was van een structurele vermindering van benutbare mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van arbeid.

2.7 Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij eerst na de ontvangst van de arbeidskundige rapportage van 26 november 2007 ervan op de hoogte kon zijn dat de werknemer was aan te merken als arbeidsgehandicapte. Op 17 juli 2007 was slechts duidelijk dat de werknemer een aandoening had die bij de aanvang van het dienstverband ook al tot belemmeringen leidde

2.8 De rechtbank heeft in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende steun gevonden voor het standpunt van verweerder dat het eiseres in het onderhavige geval op grond van de rapportage van de bedrijfsarts redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat haar werknemer aanspraak kon maken op ziekengeld op grond van artikel 29b van de ZW.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de bevindingen van de bedrijfsarts onvoldoende houvast om die gevolgtrekking te kunnen maken. Weliswaar heeft de bedrijfsarts op 13 juli 2007 gerapporteerd dat sinds 1 januari 2006 sprake is van toegenomen fysieke beperkingen bij de werknemer en heeft hij die beperkingen in een functionele mogelijkhedenlijst omschreven, maar uit die rapportage valt niet af te leiden dat de werknemer ter zake van zijn ziektegeval van 18 mei 2008 op grond van artikel 29b van de ZW aanspraak kon maken op ziekengeld. Eerst nadat de arbeidskundige beoordeling had plaatsgevonden en was vastgesteld dat de functie van begeleider B, gelet op de belasting in die functie op de aspecten lopen tijdens het werk en staan tijdens het werk, niet passend was voor de werknemer alsmede dat de werknemer al bij de aanvang van het dienstverband als arbeidsgehandicapt was aan te merken, kon het eiseres redelijkerwijs duidelijk zijn dat de werknemer aanspraak kon maken op ziekengeld op grond van artikel 29b van de ZW.

2.9 Het vorenstaande heeft de rechtbank tot de conclusie gebracht dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en dat dit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt.

2.9 Het beroep is gegrond. De rechtbank is niet gebleken van kosten waarin verweerder met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht dient te worden veroordeeld.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 18 april 2008;

3.3 draagt verweerder op om binnen zes weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van

15 februari 2008,

3.4 wijst het Uwv aan als rechtspersoon die het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,- aan haar dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2009.

De griffier: De rechter:

mr. J.J.A.G. van der Bruggen mr. G.C. van Gelein Vitringa- Boudewijnse

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Let wel:

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.