Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI5081

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
216541 / HA ZA 06-184127
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BY8880, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of de rechtbank op grond van artikel 5 sub 3 EEX Verordening bevoegd is kennis te nemen van een geschil dat zich geheel in Tsjechië heeft afgespeeld, met Tsjechische, Roemeense en Canadese gedaagden, wordt ontkennend geantwoord. Het arrondissement Utrecht, alwaar de ingetreden zuivere initiële vermogensschade in het vermogen van eiser voelbaar is, kan niet aangemerkt worden als plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan izv voorgenoemde bepaling en aldus geen bevoegdheid van de rechtbank met zich brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

216541 / HA ZA 06-184127 mei 2009

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 216541 / HA ZA 06-1841

Vonnis van 27 mei 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNIVERSAL INTERNATIONAL HOLDING B.V.,

gevestigd te Baarn,

eiseres,

advocaat mr. Chr.F. Kroes,

tegen

1. [gedaagde ],

wonende te [woonplaats] in Roemenië,

gedaagde,

advocaat mr. E.H. de Jonge- Wiemans,

2. [gedaagde ],

wonende te [woonplaats] in Canada,

gedaagde,

niet verschenen,

3. de rechtspersoon naar vreemd recht

[gedaagde sub 3],

gevestigd te [woonplaats] in de Republiek Tsjechië,

gedaagde,

niet verschenen,

4. de rechtspersoon naar vreemd recht

[gedaagde sub 4],

gevestigd te [woonplaats] in de Republiek Tsjechië,

gedaagde,

niet verschenen,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats] in de Republiek Tsjechië,

gedaagde,

advocaat mr. G.J. Meijer.

Partijen zullen hierna Universal en indien gezamenlijk bedoeld, [gedaagde sub 1] c.s. en afzonderlijk onderscheidenlijk [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding;

akte tot verzoek veroordeling bij verstek, tevens akte intrekking dagvaarding van [gedaagde sub 3];

incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid aan de zijde van [gedaagde sub 1];

conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident;

incidentele conclusie strekkende tot onbevoegdheid, tevens houdende (voorwaardelijk) een incidentele vordering strekkende tot oproeping in vrijwaring aan de zijde van [gedaagde sub 5];

conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, tevens conclusie van antwoord in het (voorwaardelijk) vrijwaringsincident;

het pleidooi van 11 maart 2008 en de daarbij overgelegde pleitnotities.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1. De vordering van Universal in de hoofdzaak is gebaseerd op de stelling dat [gedaagde sub 1] c.s. onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. Zij legt hieraan de navolgende feiten ten grondslag.

2.2. Universal is een platenmaatschappij en onderdeel van Universal Music Group. Een zustervennootschap van Universal is Universal Music International Ltd (hierna: Universal Ltd). Universal Ltd maakt deel uit van de Universal Music Group.

2.3. In 1998 is Universal Ltd. met de platenmaatschappij B&M spol s.r.o. , een vennootschap naar Tsjechisch recht (hierna: B&M), en de aandeelhouders in B&M (hierna: de aandeelhouders), overeengekomen dat een of meer nader te noemen vennootschappen binnen de Universal Music Group zeventig procent van de aandelen in B&M zou kopen. Daarnaast kwamen partijen overeen dat de koper in de periode tussen 1 januari en 31 december 2003 de resterende aandelen zou overnemen. De prijs voor de aandelen in B&M zou worden vastgesteld op het moment van de aankoop van het resterende aandelenkapitaal. Partijen kwamen voorts overeen dat de aandeelhouders van B&M een voorschot op de verkoopprijs van de koper ontvingen van CZK 50 miljoen. De belangrijkste punten van deze voorgenomen transactie werden door partijen vastgelegd in een concept Letter of Intent (hierna: LoI).

2.4. Uit de LoI blijkt dat de prijs voor alle aandelen (honderd procent) vijfmaal de gemiddelde jaarwinst van B&M bedroeg (de beoogde verkoopprijs). Deze gemiddelde jaarwinst werd berekend over een bepaalde periode tot aan 2003. Conform de LoI onderhandelden partijen vervolgens over een overeenkomst tot verkoop en levering van zeventig procent van de aandelen in B&M en tevens over een aandelenoptieovereenkomst voor de resterende dertig procent van de aandelen.

2.5. In opdracht van de Group Legal Department van Universal Music Group is de aandelen optieovereenkomst opgesteld door het Tsjechische advocatenkantoor van [gedaagde sub 3 en 4] (hierna: [gedaagde sub 3 en 4]). Vanaf eind augustus 1998 zijn acht concepten van de aandelenoptieovereenkomst en het commentaar hierop tussen [gedaagde sub 3 en 4], de Group Legal Department en de aandeelhouders uitgewisseld. Gedurende deze onderhandelingen is Universal binnen Universal Music Group aangewezen als koper krachtens de overeenkomsten, waaronder de aandelenoptieovereenkomst.

2.6. Op 5 november 1998 hebben Universal, B&M en de aandeelhouders een aandelenoptieovereenkomst gesloten. Uit de tekst van deze aandelenoptieovereenkomst blijkt dat een namens Group Legal Department van Universal Music Group voorgestelde tekstwijziging deels door een medewerker van [gedaagde sub 3 en 4] is overgenomen hetgeen ertoe leidde dat de verkoopprijs (voor aftrek van het voorschot) werd vervijfvoudigd ten opzichte van de beoogde verkoopprijs en voorts werd vermenigvuldigd met het aantal aandeelhouders, derhalve met vier.

2.7. In augustus 2003 heeft Universal voldaan aan haar verplichting om de resterende aandelen van de aandeelhouders te kopen. Zij berekende de prijs conform de beoogde verkoopprijs op een bedrag van CZK 10.180.281,= (ongeveer EUR 313.770,41). De aandeelhouders maakten evenwel aanspraak op een koopprijs overeenkomstig de formule in de aandelenoptieovereenkomst, hetgeen resulteerde in een bedrag van CKZ 1.003.605.620 (ongeveer EUR 30.932.520,27).

2.8. Partijen bij de aandelenoptieovereenkomst hebben de kwestie vervolgens voorgelegd aan een arbitragecommissie. Op 31januari 2005 hebben Universal en de aandeelhouders een vaststellingsovereenkomst gesloten op grond waarvan Universal aan de aandeelhouders voor dertig procent van de aandelen een totale prijs van EUR 2.654.280,03 heeft voldaan.

3. De vordering in de hoofdprocedure

3.1. In de hoofdprocedure vordert Universal - samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling van EUR 2.767.861,25 vermeerderd met rente en kosten.

4. De incidentele vorderingen

4.1. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] vorderen in afzonderlijk incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart ter zake van de vordering van Universal, met veroordeling van Universal in de kosten van het geding. [gedaagde sub 5] vordert voorts dat hem - in het geval de rechtbank zich bevoegd verklaart - wordt toegestaan de heer [X] in vrijwaring op te roepen.

4.2. Universal voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Bevoegdheid

5.1. Ten aanzien van de niet verschenen gedaagden zal de rechtbank haar bevoegdheid kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak ambtshalve beoordelen.

5.2. De bevoegdheid van de rechtbank is blijkens de dagvaarding ten aanzien van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gebaseerd op artikel 6 aanhef en sub e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en ten aanzien van de overige gedaagden gebaseerd op artikel 5 sub 3 Verordening betreffende de rechtelijke bevoegdheid, erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken nr 44/201 d.d. 22 december 2000 (hierna: EEX-Vo), aangezien Universal haar vordering baseert op onrechtmatige daad en de door haar geleden schade in Baarn is ontstaan.

5.3. Tussen partijen staat vast dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de vordering van Universal op [gedaagde sub 1] beoordeeld dient te worden aan de hand van artikel 6 Rv. Artikel 6 Rv dient te worden begrepen in het licht van artikel 5 EEX-Vo, zodat de rechtbank bij de beoordeling van haar bevoegdheid zal uitgaan van de uitleg die het Europese Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna HvJ EG) heeft gegeven aan artikel 5 EEX-Vo.

5.4. [gedaagde sub 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter beoordeeld dient te worden op grond van artikel 6 aanhef en sub a Rv omdat er sprake is van een verbintenis uit overeenkomst in de zin van deze bepaling. Blijkens vaste rechtspraak van het HvJ EG dient het begrip 'verbintenis uit onrechtmatige daad' in de zin van artikel 5 sub 3 EEX-Vo te worden beschouwd als een autonoom begrip, waaronder elke rechtsvordering valt die boogt de aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een 'verbintenis uit overeenkomst' (HvJ EG 29-09-1988, 189/87, NJ 1990, 425 Kalfelis/Schroder cs). Ook het begrip 'verbintenis uit overeenkomst' in artikel 5 sub 1 sub a EEX-Vo dient verdragsautonoom te worden uitgelegd. Blijkens jurisprudentie van het HvJ EG is er sprake van een verbintenis uit overeenkomst indien een partij jegens een andere partij vrijwillig een verbintenis is aangegaan. Dat is het geval indien er tussen partijen een contractuele band bestaat. Universal heeft gesteld dat er geen contractuele of anderszins vrijwillig aangegane verbintenis heeft bestaan tussen haar en [gedaagde sub 1], en dat hij op grond van de Tsjechische wet hoofdelijk aansprakelijk wordt gehouden voor de schulden van de ontbonden vennootschap [gedaagde sub 3 en 4], hetgeen niet (gemotiveerd) door [gedaagde sub 1] is betwist. Dit betekent dat de door Universal tegen [gedaagde sub 1] aangebrachte vordering niet voortvloeit uit een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 6 aanhef en sub a Rv.

5.5. Uit het vorenstaande volgt dat thans ten aanzien van [gedaagde sub 1] c.s. - jegens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in het kader van de beoordeling van de bevoegdheid op grond van artikel 6 aanhef en sub e Rv - beoordeeld dient te worden of de rechtbank op grond van artikel 5 sub 3 EEX-Vo bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen.

5.6. Voor wat betreft de toepasselijkheid van artikel 5 sub 3 EEX-Vo heeft Universal zich op het standpunt gesteld dat deze rechtbank bevoegd is, nu in Baarn (en derhalve binnen de competentie van de rechtbank) de door haar geleden schade is ingetreden. Universal heeft daarbij aangevoerd dat de door haar geleden schade als gevolg van toerekenbaar onrechtmatig handelen door [gedaagde sub 3 en 4] en [gedaagde sub 5] bestaat uit het verschil tussen de beoogde verkoopprijs en het door haar betaalde schikkingsbedrag en de kosten die zij heeft moeten maken in verband met de arbitrage en de schikking, voor welker schade de voormalig partners van [gedaagde sub 3 en 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk aansprakelijk zijn. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] hebben de bevoegdheid van de rechtbank op grond van artikel 5 sub 3 EEX-Vo gemotiveerd betwist.

5.7. Bij de beantwoording van de vraag of de rechtbank bevoegd is op grond van artikel 5 sub 3 EEX-Vo, is uitgangpunt dat in het stelsel van de EEX-Vo het algemene beginsel (van artikel 2 EEX-Vo) geldt dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die staat. De bevoegdheidsregels die van dit algemene beginsel afwijken, zoals artikel 5 lid 3 EEX-Vo dat bepaalt dat een verweerder ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, is een uitzondering op voornoemd beginsel.

5.8. Wanneer de plaats waar zich een feit heeft voorgedaan dat tot aansprakelijkheid kan leiden (“handlungsort) en de plaats waar door dit feit schade is ontstaan (“erfolgsort”) niet samenvallen, biedt artikel 5 sub 3 EEX-Vo volgens vaste rechtspraak aan eiser de keuze verweerder voor het gerecht van de ene dan wel de andere plaats op te roepen. De 'plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan' dient evenwel niet extensief te worden uitgelegd, in die zin dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt. De uitdrukking omvat niet ook de plaats waar eiser woont of waar zich het centrum van zijn vermogen bevindt op de enkele grond dat hij aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere verdragsluitende staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen (HvJ EC 10 juni 2004, zaaknr. C-168/02 NJ 2006, 335 Kronhofer/Maier c.s.).

5.9. Hantering van deze uitgangspunten leidt in de onderhavige zaak tot het navolgende resultaat.

5.10. De door Universal gestelde schade betreft, anders dan in het geval Kronhofer/ Maier c.s., zuivere vermogensschade die het directe (initiële) gevolg is van het schadebrengende feit. Het is thans de vraag of de plaats waar zuivere initiële vermogensschade is ingetreden kan worden aangemerkt als 'plaats waar het schadeveroorzakende feit zich heeft voorgedaan' als hiervoor bedoeld. De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in haar arrest Zuid Chemie/Philippo's Mineralenfabriek (HR 4 april 2008, NJ 2008, 2002) prejudiciële vragen aan het HvJ EG heeft gesteld die - in de tweede plaats - zien op de vraag of de plaats waar de schade is ingetreden alleen dan in aanmerking kan worden genomen als 'plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan' in de zin van artikel 5 sub 3 EEX-Vo, indien deze schade bestaat in fysieke schade aan personen of zaken (en dus niet vermogensschade). Door het voorwaardelijke karakter van deze tweede vraag is de kans aanwezig dat het HvJ EG niet aan beantwoording daarvan toekomt. Gelet op dit laatste, de termijn waarop een uitspraak van het HvJ EG te verwachten is, en gehoord het verzoek van partijen om deze niet af te wachten maar thans vonnis te wijzen, zal de rechtbank - mede met het oog op de eisen van een goede procesorde - thans beoordelen of de door Universal gestelde in Baarn geleden zuivere initiële vermogensschade bevoegdheid van deze rechtbank met zich kan brengen.

5.11. Volgens vaste rechtspraak berust de in artikel 5 sub 3 EEX-Vo neergelegde bevoegdheidsregel op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen het geschil en het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, zodat de bevoegdheid van dit gerecht wordt gerechtvaardigd door de eisen van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting (zie HvJ EC 10 juni 2004, zaaknr. C-168/02 NJ 2006, 335 Kronhofer/Maier c.s. r.o. 15). Tussen partijen staat vast dat de onderhandelingen van zowel de aandelenoptieovereenkomst als de schikkingsovereenkomst in Tsjechië hebben plaatsgevonden, beide overeenkomsten worden beheerst door Tsjechisch recht en de betaling van de koopprijs van de aandelen en van het schikkingsbedrag in Tsjechië heeft plaatsgehad. Er zijn geen feiten gesteld die zich in Nederland hebben afgespeeld. De rechtbank is van oordeel dat er gezien voornoemde feiten en omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten aanwezig zijn om tot het oordeel te komen dat er een zodanig bijzonder nauw verband is tussen het geschil en deze rechtbank dat de eisen van goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting met zich brengen dat zij bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen. Niet gesteld kan immers worden dat de rechtbank het gerecht is dat, mede gelet op de eisen van een goede proceseconomie en de bewijsvoering, bij uitstek in staat zal zijn de vordering van Universal te beoordelen waardoor toepassing van de uitzondering van artikel 5 sub 3 EEX-Vo (op de hoofdregel van artikel 2 EEX-Vo) gerechtvaardigd wordt.

Conclusie

5.12. Resumerend is de rechtbank van oordeel dat haar op grond van artikel 6 aanhef en sub e Rv (jegens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]) noch artikel 5 sub 3 EEX[gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5]) bevoegdheid toekomt om kennis te nemen van de vordering van Universal in de hoofdzaak, zodat de hoofdregel van artikel 2 Rv respectievelijk artikel 2 EEX-Vo geldt. De incidentele vorderingen zullen derhalve worden toegewezen en de rechtbank zal zich jegens [gedaagde sub 4] ambtshalve onbevoegd verklaren kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak.

Vrijwaring

5.13. Gelet op het voorwaardelijke karakter van de vordering tot oproeping in vrijwaring van de heer [X] door [gedaagde sub 5] en het hiervoor overwogene behoeft deze geen beoordeling meer.

Proceskosten in het incident

5.14. Universal zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5.15. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] worden begroot op:

- explootkosten EUR  0,00

- vast recht 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR  904,00

5.16. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 5] worden begroot op:

- explootkosten EUR  0,00

- vast recht 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR  904,00

Proceskosten in de hoofdzaak

5.17. Universal zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5.18. De kosten aan de zijde [gedaagde sub 1] worden begroot op:

- explootkosten EUR  0,00

- vast recht 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 0,00

- vast recht 1.136,00

Totaal EUR  1.136,00

5.19. De kosten aan de zijde [gedaagde sub 5] worden begroot op:

- explootkosten EUR  0,00

- vast recht 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 0,00

- vast recht 1.136,00

Totaal EUR  1.136,00

5.20. De kosten aan de zijde van de niet verschenen gedaagden worden begroot op

nihil.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1. verstaat dat de dagvaarding jegens [gedaagde sub 3] is ingetrokken,

6.2. verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

6.3. veroordeelt Universal in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op EUR 904,00 en aan de zijde van [gedaagde sub 5] tot op heden begroot op EUR 904,00,

6.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in de hoofdzaak

6.5. verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

6.6. veroordeelt Universal in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op EUR 1.136,00 en aan de zijde van [gedaagde sub 5] tot op heden begroot op EUR 1.136,00,

6.7. veroordeelt Universal in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] tot op heden begroot op nihil,

6.8. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen, mr. Ch.E. Bethlem en mr. G.V.M. Veldhoen en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2009. GV

w.g. griffier w.g. rechter