Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI5043

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
266375 / HA RK 09-141
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voorlopig getuigenverhoor Artikel 186 Rv. Conflict duur arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0414
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rekestnummer: 266375 / HA RK 09-141

Beschikking van 27 mei 2009

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. W.J.M. van Andel,

hierna te noemen: [verzoeker],

tegen

de naamloze vennootschap

ASM INTERNATIONAL N.V.,

gevestigd te Bilthoven,

verweerster,

advocaat mr. J.M. van Slooten,

hierna te noemen: ASMI

1. Verloop van de procedure

1.1. Verzoeker heeft op 21 april 2009 een verzoekschrift ter griffie van deze rechtbank ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen.

1.2. De griffier van deze rechtbank heeft partijen opgeroepen tegen de terechtzitting van 13 mei 2009, waarbij aan verweerster een afschrift van het verzoekschrift is toegezonden.

1.3. Op 7 mei 2009 heeft verweerster een verweerschrift ingediend. Verweerster heeft per brief d.d. 12 mei 2009 laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

1.4. Op 21 april 2009 heeft mr. I. Wassenaar namens de rechtspersoon naar buitenlands recht Fursa Master Global Event Driven Fund gevestigd op de Cayman Eilanden (hierna te noemen: Fursa) te kennen gegeven zich als belanghebbende te willen voegen in de verzoekschriftprocedure. Op 13 mei 2009 heeft Fursa een verweerschrift (artikel 282 Rv) ingediend.

1.5. Ter zitting zijn verschenen:

- de heer [verzoeker], verzoeker;

- mr. E.L. Pasma, advocaat van verzoeker;

- mr. I. Wassenaar, advocaat van belanghebbende.

1.6. Op 22 mei 2008 heeft verweerster een schriftelijke reactie op de pleitnotitie van mr. Pasma d.d. 13 mei 2009 en op het namens Fursa ingediende verweerschrift ingediend.

1.7. Ten slotte is de uitspraak bepaald op heden.

2. Vaststaande feiten

2.1. [verzoeker] is per 15 mei 2005 in dienst getreden bij ASMI en per 1 juni 2005 voor vier jaar benoemd tot bestuurder van ASMI.

2.2. [verzoeker] is niet opnieuw benoemd als bestuurder. ASMI heeft zich jegens [verzoeker] op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] van rechtswege is geëindigd op 14 mei 2009.

3. Verzoek en verweer

3.1. [verzoeker] verzoekt een voorlopig getuigenverhoor te gelasten opdat in ieder geval zes in het verzoekschrift genoemde getuigen worden gehoord.

[verzoeker] wil door het horen van getuigen in een voorlopig getuigenverhoor bewijs vergaren, omdat hij voornemens is een vordering op grond van onregelmatige opzegging, kennelijk onredelijk ontslag en/of strijd met goed werkgeverschap aanhangig te maken bij de rechtbank Utrecht. Hij gaat er daarbij vanuit dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en dat ASMI op onjuiste en onterechte gronden die arbeidsovereenkomst heeft beëindigd.

3.2. ASMI verzet zich tegen het verzochte getuigenverhoor en voert daartoe het volgende aan.

Primair stelt ASMI dat [verzoeker] geen belang heeft (in de zin van artikel 3:303 BW) bij het voorlopig getuigenverhoor omdat de voorgenomen vorderingen van [verzoeker] geen kans van slagen hebben. Daarbij benadrukt ASMI dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, die inmiddels van rechtswege is geëindigd. Voorts stelt zij dat de te entameren ontbindingsprocedure reeds zal zijn afgerond alvorens het getuigenverhoor kan plaatsvinden en dat de aard van de ontbindingsprocedure zich niet laat combineren met een voorlopig getuigenverhoor (artikel 284 lid 1 Rv).

3.3. Subsidiair stelt ASMI dat sprake is van misbruik van de bevoegdheid (artikel 3:13 BW), omdat [verzoeker] niet zozeer tracht feiten te bewijzen, als wel probeert niet-openbare gegevens te verkrijgen met betrekking tot zijn vertrek en de vertrekregeling. Voorts meent ASMI dat [verzoeker] met (de aankondiging van) een voorlopig getuigenverhoor slechts druk wilde uitoefenen op ASMI, toen onderhandelingen tussen partijen niet naar zijn wens verliepen.

4. Positie Fursa

4.1. Fursa verzoekt de rechtbank om als belanghebbende in de procedure te mogen optreden. Fursa stelt belanghebbende te zijn omdat zij aandeelhouder is van ASMI en in die hoedanigheid de Ondernemingskamer heeft verzocht een enquête te gelasten bij ASMI en voorzieningen te treffen onder meer vanwege het functioneren van de CEO, in welk kader hetgeen van de kant van [verzoeker] in deze procedure is aangevoerd en hetgeen tijdens de verhoren naar voren kan komen van belang is. Fursa wil bij de getuigenverhoren aanwezig zijn en in de gelegenheid gesteld worden om vragen te stellen aan de getuigen.

4.2. [verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat Fursa geen belanghebbende is in deze procedure; het verzoek is gebaseerd op de arbeidsrechtelijke verhouding tussen [verzoeker] en ASMI en Fursa speelt daarin geen rol. [verzoeker] heeft ook nu reeds bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van Fursa bij het voorlopig getuigenverhoor.

4.3. Ook ASMI heeft zich op het standpunt gesteld dat Fursa geen belanghebbende is in deze procedure en geen rol kan hebben bij de verzochte verhoren. Zij verzoekt – voor het geval de verzochte getuigenverhoren zullen plaatsvinden – die te houden met gesloten deuren.

5. Beoordeling van het verzoek

5.1. Bij de beoordeling van het geschil stelt de rechtbank het volgende voorop. De doelstelling van een voorlopig getuigenverhoor is (onder meer) om een partij de mogelijkheid te verschaffen om aan de hand van een voorlopig getuigenverhoor zekerheid te verkrijgen over de voor de beslissing van een geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen of voort te zetten.

5.2. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt slechts afgewezen indien het verzoek in strijd is met een goede procesorde, de bevoegdheid misbruikt wordt of het verzoek afstuit op een ander door de rechtbank zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.

5.3. Het primaire verweer van ASMI dat [verzoeker] geen belang heeft bij zijn verzoek omdat – kort gezegd – zijn in te stellen vorderingen geen kans van slagen hebben gaat niet op. Of er sprake is (geweest) van een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur – en dus van een al dan niet regelmatige of redelijke beëindiging door ASMI en/of onzorgvuldig handelen van ASMI jegens [verzoeker] – is tussen partijen in geschil en in dit stadium kan niet reeds aangenomen worden dat ASMI in dat opzicht het gelijk aan haar zijde heeft. Dat zal in rechte beoordeeld moeten worden en daarop kan niet vooruitgelopen worden.

Ook de stelling van ASMI dat de ontbindingsprocedure reeds zal zijn afgerond alvorens het getuigenverhoor kan plaatsvinden zodat [verzoeker] geen belang heeft bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor volgt de rechtbank niet. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat er in deze zaak nog geen ontbindingsprocedure aanhangig is gemaakt zodat reeds daarom niet de conclusie worden getrokken dat er niet voldoende tijd resteert om een voorlopig getuigenverhoor te houden voordat er een eindoordeel in die procedure wordt gegeven. Bovendien kan op voorhand niet worden uitgesloten dat in een nog aan te spannen procedure de uitkomst van de getuigenverhoren wordt afgewacht en meegewogen, ook al wordt in de regel juist in een ontbindingsprocedure gestreefd naar een afdoening op zeer korte termijn.

5.4. Ook kan niet geoordeeld worden dat [verzoeker] zijn bevoegdheid om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken misbruikt. Uit hetgeen [verzoeker] aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij er met zijn verzoek in feite op uit is om gegevens te achterhalen waarvan hij geen kennis behoort te krijgen. ASMI heeft haar verweer op dit punt niet voldoende onderbouwd.

Dat, zoals ASMI stelt, [verzoeker] het verzoek alleen heeft gedaan om haar onder druk te zetten is evenmin gebleken en kan in ieder geval niet worden afgeleid uit het moment waarop [verzoeker] voor het eerst jegens ASMI zijn voornemen om een dergelijk verzoek te doen, kenbaar heeft gemaakt. Nu ook overigens geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de conclusie rechtvaardigen dat [verzoeker] zijn bevoegdheid misbruikt, doet ook deze afwijzingsgrond niet voor.

5.5. Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van andere zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen toewijzing van het verzoek, zodat het verzoek zal worden toegewezen.

5.6. De rechtbank is voorts met [verzoeker] en ASMI van oordeel dat Fursa in deze procedure niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. De verwijten van [verzoeker] richten zich niet tegen Fursa en er is ook geen reden om aan te nemen dat het nu te verzamelen bewijs een rol zal gaan spelen in een procedure jegens Fursa waardoor zij er belang bij zou hebben om in deze fase bij de bewijsgaring betrokken te zijn.

Hoewel begrijpelijk is dat zij belang stelt in hetgeen tijdens de getuigenverhoren naar voren zal komen, kan haar betrokkenheid bij ASMI en (het functioneren van) de CEO van ASMI niet met zich brengen dat haar een rol toekomt in deze procedure of bij de te houden verhoren. Het door Fursa ingediende verweerschrift in deze procedure – waarin zij zich overigens refereerde aan het oordeel van de rechtbank – zal dan ook terzijde worden gesteld.

5.7. Of er van de kant van Fursa mensen aanwezig mogen zijn tijdens de getuigenverhoren, en meer in het algemeen, of de verhoren dienen plaats te vinden achter gesloten deuren, is ter beoordeling aan de rechter ten overstaan van wie de getuigen zullen worden gehoord. Hij of zij zal te zijner tijd op basis van de dan daartoe aan te voeren argumenten daarover beslissen.

5.8. Verzoeker wordt verzocht uiterlijk één week voor de zittingsdatum aan de rechter-commissaris en aan de wederpartij toe te zenden (afschriften van) de bescheiden waarvan de kennisneming voor de rechter-commissaris van belang is.

5.9. Uit een oogpunt van werklastbeheersing is de rechtbank genoodzaakt het aantal te horen getuigen vooralsnog te beperken tot vijf. Verzoekster wordt verzocht aan de rechter-commissaris schriftelijk de namen van de (vijf) getuigen op te geven die zij allereerst wenst te doen horen. De rechtbank merkt daarbij op dat indien verzoekster na het horen van deze getuigen het horen van nog enkele getuigen noodzakelijk acht, de beslissing daaromtrent door de rechter-commissaris zal worden genomen.

5.10. Juist omdat het in deze zaak gaat om een ingewikkeld feitencomplex wijst de rechtbank er met klem op dat het getuigenverhoor efficiënter zal kunnen verlopen als de getuigen worden gehoord aan de hand van door hen van tevoren op schrift gestelde verklaringen over hetgeen hen uit eigen waarneming bekend is over de te bewijzen feiten en/of omstandigheden. Verzoeker wordt verzocht deze verklaringen één week voor de zittingsdatum aan de rechtbank (mevrouw H. Alberts, kamer A2-16) en aan de wederpartij toe te zenden.

5.11. De rechtbank gaat er tevens van uit dat bij het tijdstip van oproeping van de getuigen rekening wordt gehouden met de te verwachten duur van het verhoor per getuige, waarbij als leidraad kan worden aangehouden dat het verhoor voor een getuige die niet tevens partij is, (tenminste) 60 minuten pleegt te duren en dat van een getuige die tevens partij is, (tenminste) 90 minuten.

5.12. Nu de advocaat van verweerster van de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking zal ontvangen, is verzoeker niet gehouden verweerster op de voet van artikel 188 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering een afschrift van deze beschikking te zenden.

6. Beslissing

De rechtbank:

6.1. Wijst het verzoek toe met inachtneming van het voorgaande.

6.2. Benoemt tot rechter-commissaris mr. H.A.M. Pinckaers, die tot het verhoor van de getuigen zal overgaan op 21 september 2009 van 14.00 tot 17.00 uur, in het gebouw van deze rechtbank aan het Vrouwe Justitiaplein 1 te Utrecht.

6.3. Verzoekt de advocaat van verzoeker de te horen getuigen, voor zover deze naar zijn inschatting binnen één dagdeel kunnen worden gehoord, met gepaste tussenpozen, tegen genoemde datum op te roepen en wijst op hetgeen hiervoor onder 5.10 is overwogen.

6.4. Bepaalt dat de partij die op dit tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk en gemotiveerd aan de secretaresse van voornoemde rechter-commissaris (mevrouw H. Alberts, kamer A2-16) om een nadere dagbepaling dient te vragen, zulks onder opgave van verhinderdata van beide partijen, en bepaalt dat uitstelverzoeken wegens verhindering van partijen of hun raadslieden, die niet overeenkomstig het voorgaande zijn gedaan, zullen worden afgewezen.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2009.?

In afwezigheid van mr. P. Dondorp

getekend door mr. J.W. Wagenaar.