Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI4718

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
251153 / HA ZA 08-1339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Pensioenrechten. Boon- Van Loon-situatie.

De man heeft ouderdoms- en nabestaandenpensioenrechten opgebouwd de vrouw alleen ouderdomspensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

251153 / HA ZA 08-133920 mei 2009

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 251153 / HA ZA 08-1339

Vonnis van 20 mei 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J. Ran,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. D. van de Lockant- Geschiere.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 15 oktober 2008;

• het proces-verbaal van comparitie van 18 februari 2009;

• de akte aan de zijde van [gedaagde] van 4 maart 2009;

• de akte aan de zijde van [eiseres] van 18 maart 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres], geboren op [1940], en [gedaagde], geboren op [1943], zijn op 24 november 1962 te [woonplaats] (Duitsland) in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt door het Nederlands recht beheerst.

2.2. Op 13 juli 1983 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en de echtscheidingsbeschikking is op

3 februari 1984 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3. [eiseres] heeft in Duitsland ouderdomspensioenrechten opgebouwd. [gedaagde] heeft in Nederland zowel ouderdoms- als nabestaandenpensioenrechten opgebouwd.

2.4. Sedert haar pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar ontvangt [eiseres] maandelijks een Duitse ouderdomspensioenuitkering. Blijkens een brief van de “Deutsche Rentenversicherung Westfalen” is deze ouderdomspensioenuitkering per 1 juli 2008 van een bedrag van EUR 107,50 per maand naar een bedrag van EUR 108,69 per maand verhoogd.

2.5. Sedert zijn pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar ontvangt [gedaagde] een ouderdomspensioenuitkering. Met ingang van juli 2008 betaalt [gedaagde] maandelijks een bedrag van EUR 115,98 aan [eiseres].

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiseres] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

A. veroordeling van [gedaagde] tot het opvragen van de huidige geïndexeerde waarde van het door [gedaagde] bij Delta Lloyd opgebouwde ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen, inclusief de uit te keren waardes, per [datum] 2008 binnen zeven dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, welk verzoek in copie aan [eiseres] dient te worden toegezonden, een en ander op straffe van een dwangsom van EUR 100, per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen;

B. de verdeling van het ouderdomspensioen en bijzonder weduwepensioen met inachtneming van de nog door [gedaagde] op te vragen waardes en overeenkomstig die verdeling [gedaagde] te veroordelen het aldus vastgestelde bedrag waartoe [eiseres] gerechtigd is met (terugwerkende kracht) vanaf [datum] 2008 iedere maand aan de vrouw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf [datum] 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

C. wanneer [gedaagde] niet vrijwillig maandelijks het vorenbedoelde bedrag voldoet, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de daarvoor te maken executiekosten;

D. veroordeling van [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot het opvragen van de huidige geïndexeerde waarde van het door hem opgebouwde pensioen voor de duur dat hij bij het Ministerie van Defensie werkzaam is geweest, welk verzoek in kopie aan de vrouw dient te worden toegezonden, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 100, per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen;

E. veroordeling van [gedaagde] tot het opvragen van de huidige geïndexeerde waarde van het door hem opgebouwde pensioen, opgebouwd tijdens zijn dienstverband met [X], welk verzoek in copie aan [eiseres] dient te worden toegezonden, op straffe van een dwangsom van EUR 100, per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen;

F. veroordeling van [gedaagde] tot het overleggen van het antwoord van Delta Lloyd op het eerder onder A. bedoelde verzoek binnen tien dagen na het verstrijken daarvan, een en ander op straffe van een dwangsom van EUR 100, per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen;

G. veroordeling van [gedaagde] tot het overleggen van alle overige voor en tijdens huwelijk opgebouwde pensioengelden, een en ander op straffe van een dwangsom van EUR 100, per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen;

H. veroordeling van [gedaagde] tot het overleggen van zijn belastingaangifte van 2008 en 2009 binnen tien dagen na het indienen van deze belastingaangiften, een en ander op straffe van een dwangsom van EUR 100, per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen;

I. veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres].

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagde] vordert, na wijziging en vermeerdering van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

• veroordeling van [eiseres] om binnen een termijn van zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis haar pensioengegevens met betrekking tot door haar vóór en gedurende het huwelijk met [gedaagde] opgebouwde pensioenrechten, in het kader van haar dienstverband met een Duitse universiteitskliniek, te overleggen, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 1.000, per dag voor iedere dag dat [eiseres] in gebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen;

• verdeling van de door [eiseres] in Duitsland opgebouwde pensioenrechten; en

• veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

3.5. [eiseres] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde].

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in in reconventie

4.1. Tegen de vermeerdering van eis in reconventie als zodanig is [eiseres] niet opgekomen, zodat de rechtbank zal beslissen op de eis zoals deze na vermeerdering is komen te luiden.

4.2. De vorderingen van partijen strekken tot verdeling van de waarde van de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen behorende pensioenrechten.

4.3. Het gaat in deze zaak om een echtscheiding die heeft plaatsgevonden tussen de datum van het Boon/Van Loon-arrest (HR 27 november 1981, NJ 1982, 503) en 1 mei 1995, de datum waarop de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding (WVP), in werking is getreden. Dat betekent dat de rechtsverhouding wordt beheerst door de in het Boon/Van Loon arrest neergelegde regels en dat daarop de WVP niet van toepassing is. Op grond van vorenbedoelde regels dienen in beginsel de tot de ontbonden goederengemeenschap behorende, door [eiseres] en [gedaagde] opgebouwde pensioenrechten bij helfte te worden verdeeld door middel van waardeverrekening. Nu het huwelijk van partijen op 3 februari 1984 is ontbonden, gaat het in deze zaak om de waarde van de tot 3 februari 1984 opgebouwde pensioenrechten.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de ouderdoms- en nabestaandenpensioenrechten die [gedaagde] tot 3 februari 1984 heeft opgebouwd tussen partijen dient te worden verdeeld. Partijen verschillen wel van mening of de waarde van de door [eiseres] tot 3 februari 1984 opgebouwde ouderdomspensioenrechten tussen partijen moet worden verdeeld.

4.5. Anders dan [eiseres] stelt is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de door haar tot

3 februari 1984 opgebouwde ouderdomspensioenrechten wel voor verdeling in aanmerking komt. De enkele omstandigheid dat [eiseres] niet een AOW uitkering van 100% c.q. een AOW-uitkering van thans EUR 818,07 per maand ontvangt, levert naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onvoldoende grond op om de waarde van de door haar tot

3 februari 1984 opgebouwde ouderdomspensioenrechten buiten de verdeling te houden.

4.6. Gezien de stellingen van partijen is tussen hen niet in geschil dat [eiseres] in de periode tot 3 februari 1984 alleen werkzaamheden voor een Duitse universiteitskliniek heeft verricht, in welk kader zij slechts ouderdomspensioenrechten heeft opgebouwd. Gelet op de in het Boon/Van Loon arrest neergelegde regels heeft [gedaagde] recht op de helft van de waarde van de tot 3 februari 1984 door [eiseres] opgebouwde ouderdomspensioenrechten.

4.7. In deze procedure heeft [eiseres] nog geen gegevens in het geding gebracht, waaruit blijkt wat op 3 februari 1984 de (contante) waarde van de door haar tot 3 februari 1984 opgebouwde ouderdomspensioenrechten was. Voorts volgt uit een brief van de Deutsche Rentenversicherung Westfalen die [eiseres] in het geding heeft gebracht, dat de Duitse ouderdomspensioenuitkering die [eiseres] ontvangt aan verandering c.q. verhoging onderhevig is, hetgeen wijst op het bestaan van een indexeringregeling of iets dergelijks. Ook hieromtrent heeft [eiseres] nog geen gegevens in het geding gebracht. Evenmin hebben partijen zich uitgelaten over de wijze waarop de verdeling door middel van verrekening van de waarde van de door [eiseres] tot 3 februari 1984 opgebouwde ouderdomspensioenrechten dient plaats te vinden. Gelet hierop zal [eiseres] in de gelegenheid worden gesteld om bij akte vorenbedoelde gegevens, op te vragen bij de Duitse pensioenverzekeraar bij wie haar ouderdomspensioenrechten zijn opgebouwd, in het geding te brengen en aan te geven op welke wijze de verrekening van de tot 3 februari 1984 door haar opgebouwde waarde van de ouderdomspensioenrechten tussen partijen moet plaatsvinden, alsmede een onderbouwde berekening over te leggen van hetgeen waarop [gedaagde] recht heeft. De zaak zal daartoe naar de rol van woensdag 17 juni 2009 worden verwezen. [gedaagde] zal in de gelegenheid worden gesteld op deze akte en de daarbij overgelegde stukken te reageren,

én – voor zover hij zich niet in de berekening van [eiseres] kan vinden – een onderbouwde berekening over te leggen van hetgeen waarop hij recht heeft.

4.8. Gezien de stellingen van partijen is tussen hen niet in geschil dat [gedaagde] in de periode tot 3 februari 1984 drie werkgevers heeft gehad, namelijk het Ministerie van Defensie, de [X] en [naam werkgever].

4.9. Tussen partijen is niet meer in geschil dat [gedaagde] in de periode tot 3 februari 1984, in het kader van het vervullen van zijn militaire dienstplicht geen pensioenrechten heeft opgebouwd. Gelet hierop ligt de vordering van [eiseres] als onder nummer 3.1.D. van dit vonnis vermeld voor afwijzing gereed. De rechtbank zal bij het in deze te wijzen eindvonnis dienovereenkomstig beslissen.

4.10. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] in de periode tot 3 februari 1984, in het kader van zijn werkzaamheden voor de [X], pensioenrechten bij het pensioenfonds Metaal en Techniek heeft opgebouwd. Evenmin is tussen partijen in geschil dat [gedaagde] uit dien hoofde recht heeft op een éénmalige uitkering van EUR 266,69 netto, welk bedrag tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld. Dit bedrag heeft [gedaagde] op [datum] 2008 ontvangen. Met inachtneming van het voormelde zal [gedaagde] bij het in deze te wijzen eindvonnis worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van (EUR 266,69 : 2 =) EUR 133,35 aan [eiseres], en zal de vordering van [eiseres] als onder nummer 3.1.E. van dit vonnis vermeld worden afgewezen.

4.11. In het kader van zijn dienstverband met [naam werkgever] heeft [gedaagde] deelgenomen aan een pensioenregeling, die bij Delta Lloyd Levensverzekering N.V. (hierna te noemen: Delta Lloyd) is ondergebracht. In dat kader heeft [gedaagde] pensioenrechten opgebouwd.

4.12. [gedaagde] heeft ter comparitie van partijen verklaard dat de tot 3 februari 1984 door hem opgebouwde pensioenrechten voortvloeien uit een met Delta Lloyd gesloten verzekering met het polisnummer [nummer], en dat naast deze verzekering geen andere verzekeringen met Delta Lloyd zijn afgesloten op grond waarvan hij ouderdomspensioenrechten heeft opgebouwd.

4.13. [eiseres] heeft bij akte betwist dat [gedaagde] als directeur van [naam werkgever] slechts door het afsluiten van de verzekering met het polisnummer [nummer] pensioenrechten bij Delta Lloyd heeft opgebouwd. Ter onderbouwing van deze betwisting heeft [eiseres] bij akte gesteld dat er op dit moment vijf à zes verzekeringen lopen die (mede) ten naam van [gedaagde] zijn gesteld bij Delta Lloyd.

4.14. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, dat de door [gedaagde] tot 3 februari 1984 opgebouwde pensioenrechten slechts voortvloeien uit de verzekering met het polisnummer [nummer]. Zo is niet gesteld of gebleken dat de andere vijf à zes met Delta Lloyd gesloten verzekeringen die (mede) ten naam van [gedaagde] zouden staan, zouden zien op pensioenrechten. Evenmin is gesteld dat deze verzekeringen betrekking hebben op de periode tot 3 februari 1984. Gelet hierop komt als gesteld en onvoldoende betwist vast te staan, dat de tot 3 februari 1984 door [gedaagde] opgebouwde pensioenrechten slechts uit de verzekering met het polisnummer [nummer] voortvloeien.

4.15. [gedaagde] heeft gesteld dat in het kader van de verdeling van de contante waarde van de tot 3 februari 1984 door hem bij Delta Lloyd opgebouwde pensioenrechten (geadministreerd onder het polisnummer [nummer]) [eiseres] recht heeft op een deel van de ouderdomspensioentermijnen die hij vanaf zijn 65e levensjaar maandelijks ontvangt. Onder verwijzing naar de inhoud van een drietal brieven van Delta Lloyd – als hieronder weergegeven – stelt [gedaagde] zich op het standpunt, dat [eiseres] met ingang van juli 2008 recht heeft op een bedrag van ((ƒ 3.067, = EUR 1.391,74) : 12 maanden = ) EUR 115,98 bruto per maand.

4.16. Bij brief van 4 juli 1984 heeft Delta Lloyd ter zake van de door [gedaagde] opgebouwde pensioenrechten onder meer het volgende aan hem bericht:

“De door ons opgegeven totale waarde van uw pensioenpolis (nummer [nummer]) welke op 3 februari 1984 ƒ 33899,-- bedraagt, (…) Voor uw ex-vrouw echter zal van de oorspronkelijke polis het premievrije weduwenpensioen worden afgesplitst op een aparte polis. Dit premievrije weduwenpensioen bedraagt ƒ 6.265,-- per jaar en komt tot uitkering bij uw overlijden.”

4.17. Bij brief van 25 februari 1993 heeft Delta Lloyd ter zake van de door [gedaagde] opgebouwde pensioenrechten onder meer het volgende aan hem bericht:

“Ingevolge uw verzoek om inlichtingen betreffende verrekening van pensioenrechten in verband met echtscheiding delen wij u het volgende mede.

In het Boon/Van Loon arrest van de Hoge Raad (27 november 1981, NJ 1982, 503) is vastgesteld dat, (…)

De Hoge Raad noemt een drietal mogelijkheden waarop pensioenrechten verrekend kunnen worden:

- (…)

- verrekening door middel van een aan de pensioengerechtigde echtgenoot op te leggen voorwaardelijke uitkering, gebonden aan het leven van beide echtgenoten, die opeisbaar wordt naarmate de pensioentermijnen opeisbaar worden en kan worden uitgedrukt in een percentage daarvan.

Laatstgenoemde mogelijkheid wordt naar onze ervaring verreweg het meest gekozen. In het onderstaande wordt deze methode daarom nader uitgewerkt. (…)

De pensioenrechten waarom het gaat zijn het ouderdomspensioen van de deelnemer in de pensioenregeling voor zover dat is opgebouwd op het tijdstip van de boedelscheiding (zgn. premievrije ouderdomspensioen) en voorts het premievrije weduwen- en weduwnaarspensioen, eveneens voor zover opgebouwd op het tijdstip van de boedelscheiding.

Dit laatste pensioen is datgene waarop de (gewezen) echtgenoot meestal recht zal hebben op grond van artikel 8a van de Pensioen- en spaarfondsenwet.

Onze opgave is gebaseerd op de volgende veronderstellingen:

• tussen de echtgenoten gold algehele gemeenschap van goederen;

• zij wensen de totale waarde van de opgebouwde pensioenen bij helfte te verdelen.

Wij komen dan tot de volgende opstelling.

Berekeningsdatum: 03.02.1984

Polisnummer(s): [nummer]

Bij premievrijmaking op de berekeningsdatum is verzekerd:

• ouderdomspensioen per jaar ƒ10.801,00

• weduwen- of weduwnaarspensioen per jaar ƒ 6.268,00

_De contante waarde van deze pensioenen, berekend met als grondslag de sterftetafels 61-65 en een rentevoet van 4%, rekening houdend met rentestandskorting, bedraagt:

- ouderdomspensioen ƒ 29647,00

- bijzonder weduwen- of weduwnaarspensioen ƒ 12811,00

Totaal ƒ 42458,00

Verdeling bij helfte levert als bedrag ƒ 21229,00

Contante waarde weduwen- of weduwnaarspensioen ƒ 12811,00

Verschil ƒ 8418,00

Dit verschil levert een bedrag aan ouderdomspensioen op ter grootte van ƒ 3067,00.

Uitgedrukt in een percentage van het totale premievrije ouderdomspensioen is dit 28,40%.

Ter voorkoming van misverstanden vermelden wij dat genoemde percentage niet betrekking heeft op het ouderdomspensioen dat t.z.t. op de pensioendatum zal worden bereikt, maar op het per de berekeningsdatum premievrije ouderdomspensioen. (…)

Het aldus berekende percentage van het ouderdomspensioen waarop de (gewezen) echtgenoot recht krijgt dient, zoals de Hoge Raad zegt, aan deze ten goede te komen “door oplegging aan de pensioengerechtigde (gewezen) echtgenoot van een verplichting tot een voorwaardelijke uitkering, gebonden aan het leven van beide (gewezen) echtgenoten en opeisbaar naarmate de pensioenuitkeringen opeisbaar worden”. (…)

4.18. Bij brief van 24 juni 2008 heeft Delta Lloyd ter zake van de door [gedaagde] bij haar opgebouwde pensioenrechten onder meer het volgende aan hem bericht:

“Naar aanleiding van uw vraag aangaande verdeling van de pensioenaanspraken tussen u en uw ex partner, mw [eiseres], berichten wij u het volgende;.

De pensioenregeling van uw oud werkgever [naam werkgever] kent geen indexatie regeling wat wil zeggen dat uw opgebouwde pensioenaanspraken niet worden gecorrigeerd of aangepast aan een hoger prijspeil. Door het ontbreken van een indexatieregeling is de “boon van loon” berekening, zoals wij deze hebben in 1993 hebben gemaakt, nog steeds van kracht.

Op polisnummer [nummer] worden uw ouderdomspensioenaanspraken bij Delta Lloyd geadministreerd, van deze aanspraken is een bedrag van € 1.391,74 bruto per jaar bestemd voor mw. [eiseres], ingaande per 01 07-2008. De jaarlijkse uitkering wordt in kwartaal termijnen uitgekeerd.

In het geval u zou komen te overlijden hebben wij op polisnummer 56006003 een bijzonder levenslang nabestaandenpensioen geadministreerd voor mw [eiseres] ad € 2.842,03 bruto per jaar. (…)”

4.19. Gezien de stellingen van [gedaagde] en de inhoud van de brieven waarnaar hij verwijst begrijpt de rechtbank, dat [gedaagde] voor wat betreft de wijze van verrekening van de waarde van de door hem tot 3 februari 1984 opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioenrechten, de voorkeur geeft aan het opleggen van een voorwaardelijke uitkering aan hem, die aan het leven van hem en [eiseres] is gebonden, en die opeisbaar wordt naarmate de ouderdomspensioentermijnen opeisbaar worden. Tegen deze door [gedaagde] voorgestane wijze van verrekening van de waarde van de door hem tot 3 februari 1984 opgebouwde pensioenrechten heeft [eiseres] geen verweer gevoerd.

4.20. Wel heeft [eiseres] gesteld dat [gedaagde] niet kan volstaan met het overleggen van voormelde drie brieven van Delta Lloyd maar tevens de met Delta Lloyd gesloten polissen in het geding dient te brengen, omdat volgens [eiseres] de door [gedaagde] in het geding gebrachte brieven onvoldoende inzicht bieden in hetgeen tot de ontbinding van het huwelijk van partijen is opgebouwd. De rechtbank verwerpt deze stelling van [eiseres], nu Delta Lloyd bij brief van 4 juli 1984 heeft aangegeven wat op 3 februari 1984 de totale waarde van de tot 3 februari 1984 opgebouwde pensioenrechten (geadministreerd onder het polisnummer [nummer]) was, en bij brief van 25 februari 1993 heeft aangegeven wat op

3 februari 1984 de contante waarde van de tot 3 februari 1984 opgebouwde pensioenrechten, uitgesplitst in het ouderdomspensioen en het bijzonder weduwen- of weduwnaarspensioen, (geadministreerd onder het polisnummer [nummer]) was.

4.21. Voorts heeft [eiseres] gesteld dat [gedaagde] niet kan volstaan met betaling van een bedrag van EUR 115,98 bruto per maand, maar dat dit bedrag moet worden geïndexeerd. [eiseres] wordt niet in deze stelling gevolgd. Immers, bij voormelde brief van 24 juni 2008 heeft Delta Lloyd aangegeven dat de door [gedaagde] opgebouwde pensioenaanspraken (geadministreerd onder het polisnummer [nummer]) niet worden geïndexeerd, nu de pensioenregeling van [naam werkgever] geen indexatieregeling kent. De rechtbank ziet zonder nadere onderbouwing van de zijde van [eiseres], die ontbreekt, geen reden om aan de juistheid van deze door Delta Lloyd als pensioenverzekeraar verstrekte informatie te twijfelen. Nu van indexatie geen sprake is, heeft [eiseres] geen belang bij de vorderingen als onder nummer 3.1.A. en nummer 3.1.F. van dit vonnis vermeld, zodat om die reden deze vorderingen zullen worden afgewezen. Bij eindvonnis zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.

4.22. Als onder nummer 3.1.H. van dit vonnis vermeld vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde] tot het overleggen van zijn belastingaangifte van 2008 en 2009. Ter onderbouwing van haar belang bij deze vordering heeft [eiseres] gesteld dat [gedaagde] vele jaren weigerachtig is geweest om zijn medewerking te verlenen aan het verstrekken van de benodigde pensioengegevens, terwijl aan de hand van de belastingaangiftes van [gedaagde] objectief en onomstotelijk kan worden vastgesteld wat de feitelijke hoogte van zijn pensioen is, en welk deel daarvan voor verdeling in aanmerking komt.

4.23. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] rechtens geen te respecteren belang heeft bij de vraag wat de feitelijke hoogte is van de pensioenuitkering die [gedaagde] sedert zijn pensioengerechtigde leeftijd ontvangt. Immers, die hoogte is niet alleen afhankelijk van de pensioenrechten die [gedaagde] tot 3 februari 1984 heeft opgebouwd, maar tevens van de pensioenrechten die [gedaagde] nadien heeft opgebouwd. [eiseres] heeft wel een rechtens te respecteren belang bij de vraag wat op 3 februari 1984 de waarde was van de door [gedaagde] tot 3 februari 1984 opgebouwde pensioenrechten, uitgesplitst in het ouderdomspensioen en het bijzonder weduwen- of weduwnaarspensioen. Nu Delta Lloyd bij haar brieven die [gedaagde] in het geding heeft gebracht, kenbaar heeft gemaakt wat die waarde was, heeft [eiseres] in het kader van de verdeling van de waarde van de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behorende pensioenrechten geen gerechtvaardigd belang bij verkrijging van een afschrift van de door [gedaagde] opgestelde belastingaangiftes van 2008 en 2009. De vordering van [eiseres] als vermeld onder nummer 3.1.H. van dit vonnis zal dan ook vanwege het ontbreken van voldoende belang worden afgewezen.

4.24. De vordering tot veroordeling van [gedaagde] tot het overleggen van alle overige voor en tijdens huwelijk opgebouwde pensioengelden (als onder nummer 3.1.G. van dit vonnis vermeld) zal worden afgewezen, nu deze vordering in het geheel niet is onderbouwd. Voor zover [eiseres] heeft willen vorderen dat [gedaagde] wordt veroordeeld om alle overige stukken inzake de waarde van de door [gedaagde] vóór en tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde pensioenrechten over te leggen, dan komt deze vordering evenmin voor toewijzing in aanmerking.

4.25. Hetgeen hiervoor ten aanzien van de waarde van de door [gedaagde] tot 3 februari 1984 opgebouwde pensioenrechten is overwogen alsmede de inhoud van voormelde brieven van Delta Lloyd, in het bijzonder de berekening die zij bij brief van 25 februari 1993 heeft gemaakt, brengt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde] zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiseres] ter zake van de door hem tot 3 februari 1984 opgebouwde pensioenrechten, recht heeft op een bedrag van EUR 115,98 bruto per maand. Gelet hierop zal [gedaagde] bij eindvonnis worden veroordeeld om maandelijks een bedrag van EUR 115,98 aan [eiseres] te voldoen. De vordering als onder nummer 3.1.B. van dit vonnis vermeld ligt in voormelde zin voor toewijzing gereed. De vordering tot betaling van de wettelijke rente over de sedert juli 2008 door [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigde bedragen zal worden afgewezen, aangezien een vordering gebaseerd op een tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende bate niet beschouwd kan worden als een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de debiteur in verzuim is (vergelijk HR 20 september 2000, NJ 2002, 436). Overigens is gezien de stellingen van partijen geen sprake van vertraging in de betaling van het maandelijks aan [eiseres] verschuldigde bedrag.

4.26. [eiseres] vordert vergoeding van mogelijk te maken executiekosten. Nu executiekosten slechts toewijsbaar zijn als zij in redelijkheid zijn gemaakt, hetgeen op voorhand niet te beoordelen is, zal deze vordering van [eiseres] (als vermeld onder nummer 3.1.C. van dit vonnis) bij het in deze te wijzen eindvonnis worden afgewezen.

4.27. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 17 juni 2009 voor het nemen van een akte door [eiseres] over uitsluitend hetgeen is vermeld onder nummer 4.7. van dit vonnis,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2009.

w.g. griffier w.g. rechter