Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI4045

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-05-2009
Datum publicatie
15-05-2009
Zaaknummer
266145 HA RK 09-137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek Rechter: afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

zaaknummer: 266145 HA RK 09-137

Beslissing van de rechtbank Utrecht, meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 14 mei 2009

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [verzoekster],

verzoekster,

advocaat: mr. C.J.P. Lieftink,

hierna te noemen: mr. Lieftink,

tegen

mr. [naam],

rechter in de sector handel- en familie van deze rechtbank,

hierna te noemen: [de Rechter]

1. Het verloop van de procedure

1.1 De hoofdprocedure betreft een verzoekschriftprocedure ex artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek tuss[naam] (hierna: [naam]) en [verzoekster].

1.2 Bij brief van 14 april 2009 heeft [verzoekster] [de Rechter] gewraakt naar aanleiding van een zitting van 31 maart 2009.

1.3 [de Rechter], die niet in de wraking heeft berust, heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd. Zij heeft meegedeeld wegens verhindering niet ter zitting te zullen verschijnen.

1.4 De griffier heeft de advocaat van [naam], mr. E.H. de Jonge-Wiemans (hierna te noemen: mr. De Jonge-Wiemans) en de Raad voor de Kinderbescherming van de behandeling in kennis gesteld, onder toezending van de geschriften van het wrakingsverzoek en de onder 1.3 genoemde schriftelijke reactie van [de Rechter].

1.5 De mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van 24 maart 2009, waarbij [verzoekster] is verschenen bij mr. Lieftink. Voorts is ter zitting verschenen mr. De Jonge-Wiemans. Ter zitting heeft mr. Lieftink een nadere toelichting gegeven op het verzoek tot wraking. Mr. De Jonge-Wiemans heeft haar visie naar voren gebracht. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.6 De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoekster] en [naam] zijn ex-echtgenoten. [naam] heeft op 7 november 2008 een verzoekschrift ingediend betreffende hun dochter [naam]. Naar aanleiding van dit verzoek heeft [verzoekster] bij faxbericht van 7 december 2008 gereageerd en bij brief van 8 december 2008 nadere stukken overgelegd. De zaak is behandeld ter zitting van 9 december 2008, waarbij de behandeling van de zaak pro forma is aangehouden tot 10 maart 2009 in afwachting van de resultaten van bemiddeling. De bemiddeling is niet geslaagd. De behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van 31 maart 2009. Ter zitting van 31 maart 2009 was de Raad voor de Kinderbescherming (hierna aangeduid als: de Raad) aanwezig, vertegenwoordigd door mevrouw M. Kimmel.

3. Het verzoek

3.1 Ter zitting heeft [verzoekster] het verzoek ingetrokken voor zover dit de wraking van de gehele rechtbank betreft.

3.2 [verzoekster] heeft aan haar wrakingsverzoek van [de Rechter] ten grondslag gelegd dat [de Rechter] op de zitting van 31 maart 2009 de Raad om advies heeft gevraagd zonder dat deze beschikte over het door [verzoekster] ingediende verweerschrift en haar nadere verzoeken met producties/bijlagen. [verzoekster] veronderstelde dat de rechtbank deze stukken zou hebben doorgestuurd. Het verzoek van de vertegenwoordigster van de Raad om een leespauze zodat zij alsnog kennis zou kunnen nemen van de ontbrekende stukken wees [de Rechter] af, naar [verzoekster] vermoedt vanwege tijdsdruk. De zitting was ten gevolge van de uitloop van de behandeling van voorgaande zaken immers meer dan anderhalf uur later begonnen. Door dit verzoek om een leespauze af te wijzen heeft [de Rechter] toegestaan dat [naam], wiens informatie wel bij de Raad bekend was, bij de advisering door de Raad een beter uitgangspunt heeft dan [verzoekster]. Omdat de Raad niet volledig was geïnformeerd, had de rechtbank de vertegenwoordigster van de Raad niet om advies mogen vragen. Nu dit wel is gebeurd, vindt [verzoekster] de behandeling dermate onjuist en unfair dat er sprake is van vooringenomenheid. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst [verzoekster] naar een beslissing van de wrakingskamer van deze rechtbank van 14 februari 2007 zaaknummer 224908 HA/RK. [verzoekster] verzoekt om behandeling van de zaak door een andere rechter, op een nieuwe zitting, waar de Raad na kennisneming van alle stukken een nieuw advies uitbrengt.

4. Het standpunt van de rechter

4.1 [de Rechter] heeft in haar schriftelijke toelichting naar voren gebracht dat de omstandigheid dat de zitting van [verzoekster] en [naam] veel te laat was begonnen, niet van invloed is geweest op de behandeling daarvan. [de Rechter] stelt dat bij aanvang van de zitting bleek dat de laatste stukken die [verzoekster] naar de rechtbank had gestuurd niet bekend bleken te zijn bij de Raad. Zij wijst erop dat het op grond van het procesreglement aan partijen is om de stukken die na indiening van het verzoekschrift of verweerschrift zijn gestuurd gelijktijdig naar de Raad te sturen. Zij heeft geen leespauze ingelast, maar is begonnen met de behandeling van de zaak. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij gaandeweg de behandeling zou bezien of het ontbreken van de stukken in het dossier van de Raad een belemmering was. Partijen en de Raad hebben daar volgens [de Rechter] toen noch later uitdrukkelijk bezwaar tegen gemaakt. De standpunten van partijen zijn vervolgens uitvoerig aan de orde gekomen waarbij beide partijen de gelegenheid hebben gehad om hun eventuele zorgen naar voren te brengen. Kennelijk achtte de Raad zich volgens [de Rechter] daarna voldoende geïnformeerd om haar van advies te dienen. Gelet op het voorgaande heeft zij geen aanleiding gezien nog nadere actie te ondernemen, bijvoorbeeld een leespauze of aanhouding.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (RV) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 RV bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv/artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een voorningenomenheid koestert althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

5.3 Er zijn onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van [de Rechter] jegens [verzoekster]. Onderzocht zal daarom slechts worden of er objectief bepaalde feiten en omstandigheden zijn die [verzoekster] grond geven te vrezen dat het [de Rechter] aan onpartijdigheid ontbreekt.

5.4 De rechtbank overweegt dat de in het proces-verbaal van de zitting van 31 maart 2009 weergegeven chronologie, die vermeldt dat bij aanvang van de zitting is geconstateerd dat de Raad niet beschikte over de stukken van [verzoekster] en de schriftelijke toelichting van [de Rechter], niet overeenstemt met de lezing van zowel mr. Lieftink als mr. De Jonge-Wiemans dat pas nadat partijen het woord hadden gevoerd, mr. Lieftink aan de orde heeft gesteld dat de Raad niet over de stukken van [verzoekster] beschikte. De precieze chronologische volgorde kan thans niet worden vastgesteld, maar vaststaat dat op enig moment ter zitting is geconstateerd dat de Raad niet over genoemde stukken beschikte.

5.5 Voorts staat vast dat de zitting van [verzoekster] en [naam] als gevolg van het uitlopen van de voorafgaande zitting veel te laat is begonnen. Het is begrijpelijk dat het lange wachten vóór de zitting belastend is voor partijen, maar dit nadeel treft partijen op gelijke wijze. [verzoekster] heeft niet weersproken dat beide partijen bij de behandeling van hun zaak voldoende in de gelegenheid zijn geweest hun standpunten naar voren te brengen. Voorts had [de Rechter] bij de zitting van 31 maart 2009 van de door [verzoekster] overgelegde stukken kennis genomen. Anders dan in de door [verzoekster] aangehaalde beslissing van deze rechtbank van 14 februari 2007, is [verzoekster] niet beperkt in haar mogelijkheid ter zitting het woord te voeren. Van de in die zaak geconstateerde schending van hoor en wederhoor is in deze zaak dan ook geen sprake.

5.6 Uitgangspunt bij een zitting is dat de rechter de gang van zaken bepaalt. Het al of niet gunnen van een leespauze is een processuele beslissing die aan de rechter is voorbehouden. Het staat de rechter in beginsel vrij, om ook indien niet alle partijen over een compleet dossier beschikken, de behandeling voort te zetten om (bijvoorbeeld) proceseconomische redenen. Hierbij kan gewicht worden toegekend aan de opstelling van de procespartijen ter zitting en aan het standpunt dat zij te dien aanzien hebben ingenomen.

5.7 De stelling van [verzoekster] dat het uitgangspunt van partijen voor de advisering door de Raad niet gelijk is omdat de Raad niet over alle door [verzoekster] ingebrachte stukken beschikte is mogelijk juist. Deze ongelijkheid is echter ontstaan doordat [verzoekster] heeft verzuimd alle stukken naar de Raad te zenden, terwijl dit gelet op het bepaalde in artikel 1.2 van het procesreglement gezag en omgang (laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 oktober 2007) wel op haar weg lag. In het proces-verbaal van de zitting van 9 december 2008 is opgenomen dat de Raad zal worden opgeroepen, zodat [verzoekster] er mee bekend kon zijn dat deze ter zitting van 31 maart 2009 aanwezig zou zijn. [verzoekster] heeft bij constatering dat haar stukken niet bij de Raad bekend waren noch later expliciet om een leespauze verzocht. Uit het proces-verbaal van de zitting van 31 maart 2009 blijkt dat partijen nadat de Raad het woord heeft gevoerd nogmaals de gelegenheid hebben gehad hun standpunten naar voren te brengen. [verzoekster] heeft die gelegenheid niet benut om kenbaar te maken dat volgens haar [de Rechter] de Raad in de gegeven omstandigheden niet om advies had mogen vragen. Gesteld noch gebleken is dat de situatie op dat moment zo gevoelig was dat [verzoekster] bij monde van haar advocaat een dergelijk bezwaar tegen de wijze waarop het advies tot stand is gekomen niet zou hebben kunnen uiten. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat er onvoldoendeobjectieve feiten en omstandigheden zijn voor het oordeel dat de beslissing van [de Rechter] om advies te vragen zonder dat de Raad kennis heeft kunnen nemen van de door [verzoekster] ingebrachte stukken, grond geven voor de vrees dat het [de Rechter] aan onpartijdigheid ontbreekt.

5.8 Het verzoek dient, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, te worden afgewezen.

6. De Beslissing

De rechtbank Utrecht,

6.1 wijst het verzoek tot wraking van [de Rechter] af;

6.2 draagt de griffier op deze beslissing aan mr. Lieftink, mr. De Jonge-Wiemans en de Raad voor de Kinderbescherming toe te zenden, alsmede aan mr. M.J. Smit sectorvoorzitter van de sector handel- en familie van deze rechtbank en de president van de rechtbank;

6.3 bepaalt dat de zaak dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van schorsing in verband met dit wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. J. Sap, voorzitter, en mr. M.C. Oostendorp en mr. D.A.J. Overdijk, leden van de meervoudige kamer, en is in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2009, in het bijzijn van de griffier mr. S. Meurs.

mr. Overdijk is buiten staat deze beslissing te ondertekenen