Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI3494

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
11-05-2009
Zaaknummer
245480 / FA RK 08-1450
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling van een (bij huwelijksvoorwaarden overeengekomen) huwelijksgoederengemeenschap. Verdeling anders dan bij helfte afgewezen: mondelinge afspraken over een afwijkende verdeling niet geldig. Huis dat door een van partijen is ingebracht zal verkocht moeten worden: geen strijd met redelijkheid en billijkheid. Lijfrenteverzekering (gekocht met ontslagvergoeding) blijft wel buiten de verdeling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 100
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 137
JIN 2009/432
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rekestnummer: 245480 / FA RK 08-1450

Beslissingen na echtscheiding

Beschikking van 22 april 2009

in de zaak van

[X],

voorheen wonende te [woonplaats], nu te [woonplaats], gemeente [gemeente],

hierna te noemen [X],

advocaat mr. M.A. de Boer,

tegen

[Y],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen [Y],

advocaat mr. C.M.L. de Graaf-Fokkema te Hardinxveld-Giessendam.

1. Verloop van de procedure

Op 28 mei 2008 heeft de rechtbank een eerdere beschikking gegeven tussen partijen. Voor het verloop van de procedure tot die datum wordt verwezen naar die beschikking.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter terechtzitting met gesloten deuren van 31 oktober 2008 en 23 maart 2009.

2. Vaststaande feiten

Hiervoor verwijst de rechtbank naar de beschikking van 28 mei 2008.

Daaraan kan nu worden toegevoegd dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 19 juni 2008.

3. Beoordeling van het verzochte

3.1. In de beschikking van 28 mei 2008 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. Aan de orde is alleen nog de verdeling van de bij huwelijksvoorwaarden overeengekomen gemeenschap van goederen.

3.2. In artikel 1 van de huwelijksvoorwaarden is het volgende bepaald:

“Er zal tussen de echtgenoten een gemeenschap van goederen bestaan overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek voor de algehele gemeenschap van goederen, met uitzondering echter van de goederen, die door de echtgenoten krachtens erfstelling, legaat of schenking zullen worden verkregen. Deze laatstbedoelde goederen zullen ieders persoonlijke eigendom zijn en blijven, terwijl de op die verkrijging drukkende schulden en lasten – de wegens die verkrijgingen geheven belastingen als successie-, schenkings- en overgangsrecht daaronder begrepen – uitsluitend voor rekening van de verkrijger zullen zijn. ”

3.3. Over de peildatum voor de verdeling hebben partijen (voor zover de rechtbank bekend) geen overeenstemming bereikt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat overeenkomstig het systeem van de wet als peildatum voor de omvang van de gemeenschap de datum van ontbinding van het huwelijk zal gelden en (voor zover relevant) als peildatum voor de waardering de datum van de feitelijke verdeling.

de woning

3.4. Het grote knelpunt in deze zaak is het huis ([adres] te [woonplaats]). [Y] vraagt toescheiding van de woning aan haar, zonder verrekening van de overwaarde. [X] maakt aanspraak op de helft van de overwaarde.

Tussen partijen staat het volgende vast. Het huis is aangebracht door [Y]. Het is haar ouderlijk huis; zij woont er al meer dan vijftig jaar en is sinds ongeveer dertig jaar eigenaar. De woning is belast met hypotheek voor drie schulden, de oorspronkelijke hypotheekschuld van (afgerond) € 98.243 en twee krediethypotheken van € 50.000 en € 56.723, totaal

€ 204.966. De woning is getaxeerd; de taxatiewaarde bedraagt € 425.000. Verrekening van de overwaarde zou tot gevolg hebben dat het huis verkocht moet worden, omdat [Y] niet in staat is om uitkoop van [X] te financieren. Toescheiding van de woning aan [Y] zonder verrekening van de overwaarde kan niet gecompenseerd worden met andere vermogensbestanddelen en zou dus leiden tot een ongelijke verdeling van de gemeenschap.

3.5. In de huwelijksvoorwaarden die partijen gemaakt hebben is een zogenaamde beperkte gemeenschap overeengekomen die bijna zo omvangrijk is als de wettelijke algemene gemeenschap van goederen, en waarvoor dezelfde bepalingen gelden. Van die gemeenschap is het huis niet uitgezonderd. [Y] heeft op de zitting van 31 oktober 2008 verklaard dat de notaris haar daarnaar uitdrukkelijk gevraagd heeft, maar dat zij ervan heeft afgezien om het huis uit te zonderen van de gemeenschap, uit liefde en bescherming voor [X]. [Y] heeft dus bewust ingestemd met huwelijksvoorwaarden waardoor de woning in de gemeenschap gevallen is.

3.6. Op de zitting van 31 oktober 2008 is ook gebleken dat partijen in een later stadium het er een tijd lang over eens geweest zijn dat [X] bij een scheiding geen aanspraken zou maken op het huis, maar dat [X] daarop inmiddels is teruggekomen. De vraag is, of [Y] haar aan haar eerdere intentie kan houden.

3.7. In artikel 1:100 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat echtgenoten een gelijk aandeel hebben in een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijksvoorwaarden of bij een overeenkomst die tussen hen bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande echtscheiding (kort gezegd: bij echtscheidingsconvenant). De wet stelt dus vormvereisten aan een dergelijke overeenkomst. Een mondelinge afspraak (mogelijk ondoordacht of gemaakt zonder volledig overzicht van de consequenties) voldoet niet aan die vormvereisten.

3.8. Bij huwelijksvoorwaarden is een dergelijke afwijking niet overeengekomen. [Y] heeft ook niet gesteld dat partijen een echtscheidingsconvenant gemaakt hebben waarin een afwijkende verdeling is afgesproken. De consequentie daarvan is dat de woning nu in de verdeling betrokken moet worden. Dat is voor [Y] zeer ingrijpend, maar naar het oordeel van de rechtbank niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het is immers het rechtstreeks gevolg van een keus die zij indertijd weloverwogen gemaakt heeft. Daar komt overigens nog bij dat zij, zoals op de zitting gebleken is, de woning over drie jaar waarschijnlijk toch zal moeten verkopen, omdat zij wanneer zij met pensioen gaat de hypotheeklasten niet meer kan opbrengen.

3.9. Aangezien [Y] uitkoop van [X] niet kan financieren, zal de woning verkocht moeten worden. De waarde moet daarom gesteld worden niet op de taxatiewaarde, maar op de verkoopopbrengst. Partijen hebben elk recht op de helft van de opbrengst, na aflossing van de hypotheekschulden en na aftrek van de verkoopkosten. Overeenkomstig het verzoek van [X] zal de rechtbank een redelijke termijn bepalen waarbinnen [Y] de woning te koop dient te zetten. [X] heeft ook gevraagd om te bepalen dat deze beschikking dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte. Dit verzoek is echter onvoldoende bepaald, omdat nog te onduidelijk is aan welke verkooptransactie [Y] haar medewerking zou moeten verlenen. Het verzoek zal op die grond worden afgewezen.

3.10. [X] heeft een aanvullend verzoek gedaan om een vergoeding voor het gebruik van de woning vanaf april 2005. [Y] van haar kant heeft zich erop beroepen dat zij vanaf april 2005 (dan wel vanaf mei 2007) alleen de lasten van de woning gedragen heeft. Op de zitting zijn partijen het erover eens geworden om deze twee vorderingen tegen elkaar weg te strepen.

3.11. Met betrekking tot de twee krediethypotheken heeft [Y] nog aangevoerd dat deze schulden gemaakt zijn om een auto te kopen voor [X] en om haar speelschulden af te lossen, en dat [X] haar beloofd had deze schulden terug te betalen. [X] betwist dit echter. Bovendien zijn schulden niet uitgezonderd van de bij huwelijksvoorwaarden overeengekomen gemeenschap van goederen. De rechtbank ziet daarom geen reden voor een andere verdeling van de schulden dan bij helfte (door aflossing uit de verkoopopbrengst van de woning).

de lijfrenteverzekering

3.12. Een tweede belangrijk geschilpunt is de lijfrenteverzekering van [Y]. Zij heeft enige jaren geleden een ontslagvergoeding gekregen van € 93.708. Deze verzekering keert nu (tot 1 maart 2012) € 2.238,58 per maand uit. [X] heeft verklaard te willen afzien van haar rechten op deze levensverzekering, onder voorwaarde van volledige overeenstemming. Die volledige overeenstemming is niet bereikt.

3.13. De rechtbank stelt voorop dat de lijfrenteverzekering gefinancierd is uit een ontslagvergoeding. Een ontslagvergoeding dient ter vervanging van gederfd salaris. Door omzetting in een lijfrente (in de polis gekwalificeerd als ‘loon uit vroegere dienstbetrekking’) is de vergoeding ook inderdaad zo gebruikt. In het algemeen geldt dat loon over de periode voor de peildatum in de gemeenschap valt, maar over de periode daarna niet. De rechten die de werknemer jegens de werkgever heeft opgebouwd, zijn als verknocht te beschouwen. Gelet op de herkomst van de lijfrente én op het gebruik als vervangende inkomensvoorziening acht de rechtbank het juist om de lijfrente voor de verdeling op dezelfde voet te behandelen. Dat wil zeggen dat de termijnen die voor de peildatum vervallen zijn, in de gemeenschap gevallen zijn, maar de toekomstige termijnen niet. De nog aanwezige waarde van de lijfrenteverzekering blijft daarom buiten de verdeling.

roerende zaken

3.14. Over de inboedel zijn partijen overeengekomen dat [Y] nog de volgende zaken aan [X] zal afgeven:

- het kristallen glasservies, bestaande uit:

6 grote wijnglazen

6 kleine wijnglazen

6 port en sherry glazen

6 champagne glazen

- het servies aquarel van Royal Boch, bestaande uit:

soepterrine met lepel (naturel)

2 dekschalen met deksel (naturel)

2 sauskommen (naturel)

4 dinerborden (naturel)

4 soepborden (naturel)

4 ontbijtborden (naturel)

3 kommetjes (naturel)

1 extra groot dinerbord (naturel)

10 gebaksbordjes (naturel)

4 koffiebekers (naturel)

4 eierdopjes (naturel).

Partijen hebben afgesproken dat [X] deze spullen op 18 april 2009 om 11.00 uur bij [Y] zou komen ophalen.

3.15. Ook over de auto’s en de caravan is op de zitting een afspraak gemaakt. Elk behoudt de eigen auto, zonder verrekening. De caravan wordt toegescheiden aan [X]; de waarde wordt gesteld op € 4.750.

overige

3.16. Afgezien van de hypotheken hebben partijen elk een creditcardschuld bij de Postbank. Aangezien [X] er niet mee heeft ingestemd om deze tegen elkaar weg te strepen, zullen de saldi op de peildatum (19 juni 2008) verrekend moeten worden.

3.17. Partijen zijn het wel erover eens dat zij over en weer afzien van pensioenverevening. [Y] heeft de rechtbank gevraagd om een verklaring voor recht hierover. Dit verzoek kan worden toegewezen.

3.18. De rechtbank kan daarom nu de wijze van verdeling vaststellen. Gelet op het principiële karakter van het verweer van [Y], de ingrijpende gevolgen van deze beslissing en de onomkeerbaarheid daarvan ziet de rechtbank aanleiding om de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Beslissing

4.1. De rechtbank bepaalt het volgende over de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap.

4.1.1. De woning dient te worden verkocht. Partijen hebben elk recht op de helft van de netto opbrengst (na aflossing van de hypotheekschulden en na aftrek van verkoopkosten). [Y] dient de woning binnen twee maanden na de datum van deze beschikking te koop te zetten.

4.1.2. [Y] dient aan [X] af te geven het glasservies en het servies, zoals hierboven omschreven onder 3.14. Voor het overige wordt aan ieder toegescheiden dat deel van de inboedel dat zij nu onder zich heeft.

4.1.3. Aan [X] worden toegescheiden de auto die zij in gebruik heeft, zonder verrekening, en de caravan tegen een waarde van € 4.750,--. Aan [Y] wordt toegescheiden de auto die zij in gebruik heeft, zonder verrekening.

4.1.4. Elk van partijen dient de creditcardschuld op haar naam voor haar rekening te nemen, onder verrekening van de saldi op de peildatum.

4.2. De rechtbank verklaart voor recht dat partijen over en weer hebben afgezien van verevening van hun pensioenrechten op grond van de Wet Verevening pensioenrechten bij scheiding.

4.3. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

4.4. Partijen moeten elk de eigen proceskosten betalen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.I. Ganzevoort, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2009.?