Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI3123

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
16/601363-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601363-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 januari 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] (Marokko)

Gedetineerd in het Huis van Bewaring Wolvenplein, te Utrecht

raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 januari 2009, waarbij de officier van justitie, mr. W.J. Koreman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De vordering van de officier van justitie is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Heeft geprobeerd in te breken in een auto.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het feit dat de agent verdachte niet heeft zien inbreken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Hoofdagent [verbalisant 1] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen verklaard dat hij op 16 november 2008 te Utrecht verdachte zag staan bij de achterzijde van een Saab met kenteken [kenteken]. De personenauto stond geparkeerd aan het [adres]. Op het moment dat [verbalisant 1] de verdachte zag staan hoorde hij een brekend geluid en zag vervolgens de verdachte weglopen. Op dat moment waren er geen andere mensen in de omgeving van de parkeerplaats. Hij zag vervolgens dat verdachte een kruiskopschroevendraaier op de grond gooide. Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat het raam aan de linkerachterzijde van zijn Saab met kenteken [kenteken] was ingeslagen en dat hij niets uit zijn auto mist.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 16 november 2008 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een aan het

[adres] geparkeerd staande personenauto merk Saab, gekentekend [kenteken]

weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn gading, toebehorende aan [aangever 1], en die / dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, immers heeft hij verdachte, een ruit van die auto ingeslagen/ingegooid, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte de maatregel tot opname in een inrichting voor stelselmatige daders op te leggen. Voorts heeft de officier van justitie toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, nu haar cliënt het feit heeft ontkend. Subsidiair heeft zij bepleit dat de maatschappij niet tegen haar cliënt beschermd hoeft te worden, nu hij al een jaar geen strafbare feiten heeft gepleegd en geen draaideurcrimineel is. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarde zoals gesteld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft wederom blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de eigendommen van anderen door zich schuldig te maken aan een poging tot diefstal uit een auto. Een dergelijk ergerlijk feit brengt, naast financiële schade, overlast voor de benadeelde met zich mee en draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank heeft kennis genomen van de voorlichtingsrapportage van het Centrum Maliebaan, d.d. 12 januari 2009, opgemaakt door M. Ziadi, reclasseringswerker, inhoudende als conclusie en advies:

Gezien het verleden van betrokkene en de hulpverleningstrajecten die betrokkene aangeboden heeft gekregen, zijn er op dit moment geen concrete plannen om te komen tot een hulpverleningstraject. Rapporteur verzoekt een maatregel ISD op te leggen, zodat vanuit een situatie met ultieme drang toegewerkt kan worden naar een passend traject.

Naar het oordeel van de rechtbank is aan de formele vereisten van artikel 38m, eerste lid Wetboek van Strafrecht voldaan. Immers, verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal, een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

Uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 18 november 2008, dat 23 pagina’s telt, blijkt voorst dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor misdrijven en dat hij in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het thans bewezen verklaarde feit diverse keren onherroepelijk is veroordeeld wegens soortgelijke misdrijven tot een vrijheidsbenemende straf, laatstelijk op 4 februari 2008 (86 dagen gevangenisstraf waarvan 70 dagen voorwaardelijk), 27 juni 2007 (2 maanden gevangenisstraf), 17 april 2007 (4 maanden gevangenisstraf waarvan 1 maand voorwaardelijk), 28 februari 2006 (4 maanden gevangenisstraf), welke straffen zoals blijkt uit voormeld uittreksel ten uitvoer zijn gelegd. Het hiervoor bewezen verklaarde feit is nadien begaan.

Naar het oordeel van de rechtbank dient er, gelet op de omvang van het strafblad en de visie van de reclassering, ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte zich wederom schuldig zal maken aan een misdrijf. Naar aanleiding van het verweer van de raadsvrouw,

dat hij al een jaar geen strafbare feiten heeft gepleegd, merkt de rechtbank nog op dat verdachte van oktober 2007 tot juni 2008 opgenomen is geweest in een motivatiecentrum.

De rechtbank zal de gevorderde ISD-maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen om de beëindiging van recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan het oplossen van zijn problematiek alle kansen te geven én ter optimale bescherming van de maatschappij, nu de veiligheid van goederen het opleggen van de maatregel eist.

De tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht zal daarom niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

Met het oog op een tussentijdse beoordeling van de noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de op te leggen maatregel dient de officier van justitie binnen negen maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis de rechtbank hieromtrent te berichten.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 197,10 voor het tenlastegelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering zal tevens de schademaatregel worden opgelegd.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38n, 38s, 45, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;

- bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 9 maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis bericht over de noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel;

- beveelt met het oog op de tussentijdse beoordeling van die noodzakelijkheid de oproeping van de veroordeelde, diens raadsvrouw en een deskundige verbonden aan de inrichting voor een zitting van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank tegen een nog nader te bepalen tijdstip;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 197,10;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 1], € 197,10 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.G. van Osta, voorzitter, mr. J.E. Kruijff-Bronsing en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.L.D. Marx, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 januari 2009.