Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI3006

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
16/445009-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van één uren, subsidiair vijftig dagen vervangende hechtenis, waarvan vijftig uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/445009-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 januari 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

raadsman mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 januari 2009, waarbij de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006

tot en met 23 maart 2007 te Bilthoven, gemeente De Bilt en/of elders in

Nederland, meermalen, althans eenmaal,

een maandstaat urenbesteding en/of een overzicht met (een) adviseur(s), -

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte toen

daar valselijk en in strijd met de waarheid een maandstaat urenbesteding

opgemaakt van het aantal uren dat [S] voor/bij de [bedrijf 1] had

gewerkt (aan een project genaamd [x]) en/of een overzicht met een of meer

adviseur(s) die had(den) gewerkt bij [bedrijf 2], zulks (telkens) met het oogmerk

om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen

te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006

tot en met 23 maart 2007 te Bilthoven, gemeente De Bilt en/of elders in

Nederland, met het oogmerk om zich en / of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

(telkens) door het aannemen van een valse naam en / of van een valse

hoedanigheid en / of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en / of door

een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 3] heeft bewogen

tot de afgifte van een bedrag aan geld, in elk geval van enig goed, hebbende

verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

opzettelijk valselijk en / of listiglijk en / of bedrieglijk en / of in strijd

met de waarheid voorgedaan als zijnde bevoegd om compensatiebelofte(n) te doen

aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4], waardoor

[bedrijf 3] voornoemd (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2006 tot en met 29 maart 2007

te Amersfoort en/of elders in Nederland,

opzettelijk de eer en / of de goede naam van [benadeelde 5], werkzaam bij

[bedrijf 3] heeft aangerand door telastlegging van een of

meer bepaald(e) feit(en), met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te

geven, immers heeft hij, verdachte toen daar met voormeld doel aan [benadeelde 6],

werkzaam bij de Firma [bedrijf 4] in Amersfoort - zakelijk weergegeven

- medegedeeld dat [benadeelde 6] voornoemd fraude had gepleegd in de boekhouding van

[bedrijf 3] voornoemd en/of onjuiste facturen in rekening had gebracht, onder

andere bij [bedrijf 4] voornoemd;

art 261 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2. De bewijsoverwegingen

De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan aan anderen als zijnde bevoegd te handelen namens [bedrijf 3], nu niet is gebleken dat verdachte tot dat handelen niet bevoegd was.

Verdachte zal derhalve van het onder 2 tenlastegelegde dienen te worden vrijgesproken.

4.3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepleegd hetgeen hem onder 1 en 3 is ten laste gelegd, met dien verstande dat

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 maart 2007 te Bilthoven, gemeente De Bilt en/of elders in Nederland, meermalen een maandstaat urenbesteding en éénmaal een overzicht met adviseurs, - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte toen daar valselijk en in strijd met de waarheid een maandstaat urenbesteding opgemaakt van het aantal uren dat [S] bij [bedrijf 1] had gewerkt aan een project genaamd [x] en een overzicht met adviseurs die hadden gewerkt bij [bedrijf 2], zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

hij in de periode van 31 december 2006 tot en met 29 maart 2007 te Amersfoort opzettelijk de eer en de goede naam van [benadeelde 5], werkzaam bij [bedrijf 3] heeft aangerand door tenlastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte toen daar met voormeld doel aan [benadeelde 6], werkzaam bij de Firma [bedrijf 4] in Amersfoort - zakelijk weergegeven - medegedeeld dat [benadeelde 5] voornoemd fraude had gepleegd in de boekhouding van [bedrijf 3] door onjuiste facturen in rekening te brengen, onder andere bij [bedrijf 4] voornoemd;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] tot een bedrag van Euro 100,-- en niet-ontvankelijkverklaring van deze vordering voor het overige alsmede niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij [S].

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde en heeft verzocht verdachte voor het onder 1 en 3 tenlastegelegde te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu verdachte voor dit tenlastegelegde niet toerekeningsvatbaar is.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat verdachte van het hem onder 2 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Voor wat betreft het met betrekking tot het onder 1 en 3 tenlastegelegde door de raadsman betoogde overweegt de rechtbank dat de raadsman zich in het kader van zijn beroep op ontslag van alle rechtsvervolging baseert op een door hem overgelegd rapport dd. 14 november 2008 van het Universitair Medisch Centrum te Utrecht, opgemaakt door J. Wijkstra, psychiater, verbonden aan voormeld Centrum. Hij heeft uit dat rapport met name de volgende passage aangehaald:

“Anamnese:

De hoofdklacht van patient is dat hij, sinds zijn vroege adolescentie zeer vaak liegt, waardoor er veel problemen ontstaan. Het liegen komt voort uit een onzeker gevoel: hij wil zich altijd goed voordoen en een sterke, zelfverzekerde indruk maken. Hij heeft er geen invloed meer op, omdat het bijna een autonoom proces is. Soms weet hij het verschil tussen de werkelijkheid en leugens niet meer. “

De rechtbank is van oordeel dat een anamnese, uitsluitend gebaseerd op mededelingen van de betrokkene, zijnde verdachte, onvoldoende basis vormt om te concluderen dat verdachte geheel of gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar zou zijn. Het beroep van de raadsman wordt derhalve verworpen.

De rechtbank zal echter met hetgeen, onder meer uit voornoemd rapport, omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte is gebleken in het kader van haar beslissing omtrent de strafmaat rekening houden.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder her volgende in aanmerking genomen:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Verdachte heeft door zijn handelen het vertrouwen dat [bedrijf 3] in hem had ernstig beschaamd. Verdachtes handelen heeft voor [bedrijf 3] tot reputatieschade geleid en ook tot financieel nadeel. Aan de andere kant is de rechtbank gebleken dat verdachte in zijn functie als “verkoper”, het werven van opdrachten ten behoeve van [bedrijf 3], een grote mate van vrijheid genoot en slechts in beperkte mate verantwoording hoefde af te leggen over zijn dagelijkse werkzaamheden. Dit stelde verdachte in staat gedurende langere tijd deze feiten te plegen, waarbij niet het eigen financieel gewin, maar het instandhouden van een beeld van een succesvolle zakenman centraal stond.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Het slachtoffer [benadeelde 5] heeft door het optreden van verdachte ernstige reputatieschade geleden.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 1 augustus 2008, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor feiten als ten laste gelegd en bewezenverklaard is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de houding van verdachte ter terechtzitting. Hij geeft aan oprecht spijt te hebben van het gebeurde en inzicht te hebben in zijn ziektebeeld. Hij heeft zich onder behandeling gesteld van een deskundige om tot een gedragsverandering te komen, en doet zijn best zijn huwelijk, dat zwaar heeft geleden onder de gevolgen van zijn strafbaar handelen, te redden. Ook is niet gebleken dat verdachte van het gebeurde financieel voordeel heeft gehad. Zijn ex-werkgever heeft tegen hem in rechte een claim van € 400.000,-- aanhangig gemaakt.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [S] vordert in verband met het onder 1 tenlastegelegde een schadevergoeding van € 3200,-- wegens gemis van een door verdachte toegezegde bonus.

Het onder 1 bewezenverklaarde houdt in dat verdachte valselijk en in strijd met de waarheid een maandstaat urenbesteding heeft opgemaakt van het aantal uren dat [S] bij de [bedrijf 1] heeft gewerkt. Van een toegezegde bonus is in het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde geen sprake. Gelet hierop is niet direct duidelijk wat het verband is tussen de gevorderde schade en het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering is daarom niet eenvoudig zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering. Hij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [benadeelde 5] vordert in verband met het onder 3 tenlastegelegde een schadevergoeding van € 1000,-- wegens geleden immateriële schade.

De rechtbank acht aannemelijk dat de schade tot een bedrag van € 400,-- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Zij zal de vordering tot dit bedrag toewijzen.

Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 225 en 261 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 3 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

feit 3: Smaad

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van ÉÉN HONDERD uren, subsidiair VIJFTIG dagen vervangende hechtenis, waarvan VIJFTIG uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partijen

Verklaart de benadeelde partij [S] niet-ontvankelijk in diens vordering.

Bepaalt dat deze vordering bij de civiele rechter kan worden aangebracht.

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 5] van € 400,-- (zegge vier honderd euro).

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [benadeelde 5] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 5], € 400,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, mr. C.W. Bianchi en mr. H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van F.P.L. van der Lee, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 januari 2009.