Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI2989

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
16/602706-08 en 16/602602-08 (gevoegd) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. De rechtbank acht verdachte schuldig aan diefstal in vereniging, opzetheling, poging tot diefstal en overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 141 dagen, een rijontzegging voor de duur van twee jaar en een gedragsbeïnvloedende maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/602706-08 en 16/602602-08 (gevoegd) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 april 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1992] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], aan het adres [adres]

raadsvrouw mr. M. Hoekzema, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 april 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 29 mei 2008 in Nieuwegein samen met een ander een auto heeft opengebroken en daaruit twee pakjes sigaretten heeft gestolen dan wel heeft geprobeerd goederen uit die auto te stelen;

op 29 mei 2008 in Utrecht en in Nieuwegein samen met een ander in een Suzuki Alto heeft gereden terwijl hij wist dan wel had moeten vermoeden dat die auto gestolen was;

op 16 november 2008 samen met anderen, door in te breken, heeft geprobeerd goederen te stelen uit een horecagelegenheid in Zwijndrecht;

op 2 of 3 november 2008 in Utrecht samen met anderen een Volvo V40 heeft gestolen dan wel op 16 november 2008 in die auto heeft gereden terwijl hij wist dat deze gestolen was;

op 16 november 2008 te Zwijndrecht met de gestolen Volvo V40 gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer heeft gehinderd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander op 29 mei 2008 in Nieuwegein een auto heeft opengebroken en daaruit twee pakjes sigaretten heeft gestolen en dat verdachte op 29 mei 2008 samen met een ander heeft gereden in een Suzuki Alto terwijl hij wist dat die auto gestolen was. Voorts acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen op 16 november 2008 door in te breken heeft geprobeerd goederen te stelen uit een horecagelegenheid in Zwijndrecht, dat verdachte die dag samen met anderen in een Volvo V40 heeft gereden terwijl hij wist dat die auto gestolen was en dat verdachte op 16 november 2008 met die auto medeweggebruikers in gevaar heeft gebracht en heeft gehinderd.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging erkent dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat cliënt samen met een ander op 29 mei 2008 in Nieuwegein een auto heeft opengebroken en daaruit twee pakjes sigaretten heeft gestolen, alsook dat hij die nacht samen met een ander in een Suzuki Alto heeft gereden terwijl hij wist dat de auto gestolen was.

De raadsvrouwe is van mening dat de rechtbank ten aanzien van de poging tot inbraak in de horecagelegenheid in Zwijndrecht op 16 november 2008 niet tot een bewezenverklaring kan komen. Zij legt daaraan ten grondslag dat er voor dit feit geen overtuigend bewijs is. Er kan naar de mening van de raadsvrouwe slechts worden vastgesteld dat cliënt ter plaatse was en aldaar in een auto zat. In het dossier bevindt zich geen duidelijk signalement van verdachte, er zijn geen verklaringen van de medeverdachten en de geuridentificatieproeven op de in beslag genomen goederen hebben niets opgeleverd. Het in de horecagelegenheid aangetroffen schoenspoor komt weliswaar overeen met de afdruk van de schoen van verdachte, maar het spoor kan door verdachte ook op een ander moment zijn veroorzaakt. Evenmin valt uit te sluiten dat er iemand anders met dezelfde schoenen aanwezig was, aldus de raadsvrouwe.

Ten aanzien van de diefstal van de Volvo V40 in Utrecht op 2 of 3 november 2008 stelt de raadsvrouwe dat er geen enkel bewijs is dat cliënt de auto heeft gestolen. Evenmin kan worden bewezen dat hij wist dat de auto was gestolen. De auto is met de sleutel gestart en er waren geen braaksporen, aldus de raadsvrouwe.

Dat cliënt door zijn rijgedrag op 16 november 2008 gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer heeft gehinderd kan naar de mening van de raadsvrouwe wettig en overtuigend worden bewezen.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de feiten op de dagvaarding met parketnummer 16/602602-08.

In de nacht van 28 op 29 mei 2008 werd een Fiat Tipo aan het [adres] te Nieuwegein opengebroken, waarna uit die auto twee pakjes sigaretten werden gestolen. De eigenaar van de auto, de heer [benadeelde 1], heeft daarvan aangifte gedaan. Verdachte heeft dit feit ter terechtzitting van 17 april 2009 bekend en verklaard dat hij dit samen met een ander heeft gedaan .

Zowel voorafgaand aan als na de auto-inbraak in de hiervoor genoemde Fiat Tipo reed verdachte als bestuurder in een Suzuki Alto, terwijl hij wist dat deze gestolen was. Van de diefstal van de auto is aangifte gedaan door de eigenaar . Verdachte heeft ter terechtzitting van 17 april 2009 bekend dat hij wist dat hij in een gestolen auto reed .

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank de feiten, die op de dagvaarding met parketnummer 16/602602-08 ten laste zijn gelegd als feit 1 primair en feit 2, wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de feiten op de dagvaarding met parketnummer 16/602706-08.

In de nacht van 15 op 16 november 2008 ontvingen surveillerende politieagenten de melding dat er een inbraakalarm afging in een horecagelegenheid, genaamd [naam], gelegen aan de [adres] te Zwijndrecht . Het restaurant is gelegen in een park en is omringd door water. Op het ‘eiland’ bevinden zich voorts een zwembad, een sporthal en een kinderboerderij . Binnen dertig seconden na de melding waren de surveillanten ter plaatse. Toen ze de parkeerplaats van het [naam] opreden zagen zij een personenauto staan met licht beslagen ruiten, met een man achter het stuur. De man schrok zichtbaar toen hij de politieauto zag. Hij startte het voertuig en probeerde weg te rijden. Hij stuurde daarbij zijn auto om de politieauto heen, raakte een vuilcontainer en verloor een kentekenplaat. De politieauto probeerde te voorkomen dat de andere auto weg kon rijden en reed daarbij tegen dat voertuig, maar deze reed met hoge snelheid weg. Het ging om een Volvo V40. De bestuurder reed linksaf tegen het verkeer in richting de rotonde op de Develsingel. Op de rotonde ging de bestuurder tegen de rijrichting in direct linksaf de Develsingel op. Daarna sloeg de auto rechtsaf de H.A. Lorentzstraat in. De bestuurder gebruikte daar de hele rijbaan. Bij de volgende rotonde nam de bestuurder de eerste afslag naar rechts, waardoor hij de oprit van de A16 opreed in de richting van Rotterdam. Op het moment dat hij de rijbaan van de A16 op reed, keerde hij de auto en reed vervolgens tegen het verkeer, al spookrijdend, in de richting van de Drechttunnel. De surveillanten hebben vanwege de grote kans op ongevallen de achtervolging gestaakt op het moment dat de bestuurder van de auto met hoge snelheid de Drechttunnel inreed. Op dat moment reden er net collega’s van de verbalisanten de tunnel uit . De collega-surveillanten zagen op de A16 in de richting Rotterdam ter hoogte van hectometerpaal 35.5 een personenauto stilstaan op de rijbaan. Het ging om de Volvo V40 die bij het [naam] was weggereden. De auto was aan de voorzijde beschadigd. De bestuurder was niet aanspreekbaar en werd naar het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam gebracht . De bestuurder was een jongen van kennelijk Marokkaanse afkomst. Hij droeg handschoenen. Verdachte heeft later bevestigd dat hij de bestuurder was van deze Volvo .

Op grond van vorenstaande gedragingen van verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 16 november 2008 te Zwijndrecht gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer op de weg heeft gehinderd. Dit feit is ten laste gelegd als feit 3 op de dagvaarding met parketnummer 16/602706-08.

Intussen doorzochten meerdere politiesurveillanten het terrein van het [naam], omdat er daar mogelijk nog meer personen zouden zijn. Eén van de verbalisanten zag drie mannen wegrennen over het terrein van de nabij gelegen kinderboerderij. Hij is achter hen aan gerend en heeft zijn collega’s geïnformeerd. Na een zoektocht door leden van de politiehondenbrigade werden er met behulp van de inzet van een politiehond twee jongens aangehouden .

Op grond van het feit dat verdachte in een auto zat te wachten op het parkeerterrein van het [naam], bezien in onderlinge samenhang met de hiervoor omschreven aanhouding van de twee andere jongens, concludeert de rechtbank dat verdachte in de nacht van 16 november 2008 op een tijdstip kort na de inbraakmelding samen met anderen aanwezig was bij het [naam] te Zwijndrecht. De verklaring die verdachte daarvoor heeft gegeven, namelijk dat hij samen met vrienden in hun auto onderweg was naar Rotterdam om te gaan stappen en er een sanitaire stop werd gemaakt, acht de rechtbank onvoldoende toereikend. Hij heeft deze verklaring pas voor het eerst ter terechtzitting van 17 april 2009 naar voren gebracht. Verdachte heeft daarmee echter nog niet verklaard waarom hij en zijn vrienden juist bij het [naam] in Zwijndrecht waren. Gezien de vrij geïsoleerde ligging van het pand is dat, op weg van Utrecht naar Rotterdam, geen voor de hand liggende locatie om ’s nachts te stoppen, en vraagt om een meer specifieke verklaring. Verdachte heeft die niet gegeven. Hij heeft geen afdoende verklaring voor het feit dat hij als bestuurder op de parkeerplaats alleen in de auto werd aangetroffen. Hij zegt niet te weten waarom hij handschoenen droeg. Daar komt bij dat verdachte heeft verklaard dat hij en zijn vrienden via de snelweg vanuit Utrecht naar Rotterdam reden, terwijl die snelweg niet langs Zwijndrecht loopt. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het voorgaande worden geconcludeerd dat verdachte en (in ieder geval) twee anderen in de nacht van 16 november 2008 op het moment van de inbraakmelding op het terrein van het [naam] in Zwijndrecht aanwezig waren.

Bij onderzoek door de politie aan het [naam] bleek dat er een toegangshek was geforceerd waardoor deze open stond. Er waren twee lichtkoepels op het dak vernield. Aan de achterzijde van het pand waren ruiten uit de toegangsdeur gehaald, de glaslatten waren verwijderd. Binnen in het pand stonden diverse kastjes open en de kassalade lag op de grond. De toegangsdeur naar de keuken was vermoedelijk met een grof breek voorwerp vernield. Achter de bar werden schoensporen aangetroffen, die veiliggesteld werden. De eigenaar van de horecagelegenheid heeft aangifte gedaan van de (poging tot) diefstal uit zijn pand en de daardoor aan zijn pand toegebrachte schade. Er was niets weggenomen . Nadien bleek dat er niet twee, maar alle zes lichtkoepels beschadigd waren. Na technisch onderzoek bleek één van de voormelde schoensporen met zekerheid afkomstig van de rechterschoen van verdachte . De suggestie van de raadsvrouwe dat het schoenspoor kan zijn veroorzaakt omdat verdachte op een eerder moment in het pand aanwezig was, is gelet op de verklaring van verdachte zelf dat hij daar nooit is geweest , niet aannemelijk. Dat het schoenspoor kan zijn veroorzaakt door een vergelijkbare schoen van hetzelfde merk is in tegenspraak met de conclusie van de onderzoeker dat het schoenspoor met zekerheid is veroorzaakt door de onderzochte schoen. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de conclusie van de onderzoeker onjuist is.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen na te hebben ingebroken geprobeerd heeft geld of goederen weg te nemen uit het [naam]. Dit feit is ten laste gelegd als feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 16/602706-08.

Ten aanzien van de op de dagvaarding met parketnummer 16/602706-08 als feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het dossier valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van de Volvo V40 op 6 november 2008 te Utrecht, omdat er naast de aangifte geen andere stukken met betrekking tot die diefstal in het dossier zijn aangetroffen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van diefstal van de Volvo V40, ten laste gelegd als feit 2 primair op de dagvaarding met parketnummer 16/602706-08.

Evenmin komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de op die dagvaarding onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde opzetheling, omdat niet is gebleken dat verdachte wist dat de Volvo V40 waarin hij op 16 november 2008 heeft gereden afkomstig was van diefstal. Het vorenstaande leidt tot vrijspraak van verdachte van het als feit 2 subsidiair ten laste gelegde op de dagvaarding met parketnummer 16/602706-08.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

parketnummer 16/602602-08:

1 primair:

op 29 mei 2008 te Nieuwegein tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een auto (Fiat Tipo, met kenteken [kenteken]) heeft weggenomen pakjes sigaretten, toebehorende aan [benadeelde 1], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak op een portier van die auto;

2:

op 29 mei 2008 te Utrecht en Nieuwegein een auto (Suzuki Alto, met kenteken [kenteken]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

parketnummer 16/602706-08:

1:

op 16 november 2008 te Zwijndrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een pand waarin gevestigd een horecagelegenheid weg te nemen geld en/of goed(eren), toebehorende aan het [naam] en/of [benadeelde 2], en zich daarbij de toegang tot geld en/of goed(eren) te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder hun bereik te brengen door middel van braak en verbreking, tezamen en in vereniging met anderen als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) een ruit van voormeld pand geforceerd/verbroken en dat pand binnengegaan en dat pand geheel of gedeeltelijk doorzocht, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3:

op 16 november 2008 in het arrondissement Dordrecht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto Volvo type V40), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande wegen de Develsingel en de Rijksweg A16, op de Develsingel niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, maar met hoge snelheid op de gezien zijn, verdachtes, rijrichting linker weghelft, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer, heeft gereden en vervolgens met hoge snelheid op de rijbaan, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer linksom een rotonde aan die Develsingel op is gereden en vervolgens met hoge snelheid de Rijksweg A16 opreed en vervolgens op de rijbaan van die Rijksweg A16 zijn auto heeft gekeerd en vervolgens met hoge snelheid op de Rijksweg A16 op de rijbaan die bestemd was voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer, heeft gereden, door welke gedragingen gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van de op de dagvaarding met parketnummer 16/602602-08 ten laste gelegde feiten:

feit 1 primair: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 2: opzetheling.

Ten aanzien van de op de dagvaarding met parketnummer 16/602706-08 ten laste gelegde feiten:

feit 1: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;

feit 3: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest, zijnde 141 dagen;

de Gedragsbeïnvloedende Maatregel (GBM) voor de duur van 1 jaar, met daarin vervat MST gevolgd door NPT, subsidiair 1 jaar jeugddetentie, met begeleiding door de jeugdreclassering;

ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar.

De officier heeft de op de dagvaarding ad informandum vermelde strafbare feiten bij zijn vordering buiten beschouwing gelaten, nu verdachte deze feiten niet heeft bekend.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe is van mening dat de duur van een op te leggen jeugddetentie niet langer moet zijn dan de periode dat cliënt in voorarrest heeft doorgebracht. Zij verzoekt oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel aan cliënt. De raadsvrouwe acht oplegging van de maatregel tot ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar niet in verhouding tot het gepleegde strafbare feit.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde strafbare feiten zestien jaar oud. De rechtbank beschouwt de feiten als ernstig.

Verdachte is ’s nachts, als bestuurder van een gestolen auto, op dievenpad gegaan, heeft een auto opengebroken en daaruit sigaretten gestolen. Daarbij heeft hij de nodige materiële schade veroorzaakt, hetgeen forse overlast voor de eigenaar van de auto heeft opgeleverd. Nadien is verdachte na een wilde autorit en een achtervolging te voet aangehouden, waarbij hij ternauwernood is ontsnapt aan het oplopen van (zware) verwondingen als gevolg van een aanrijding met een politieauto. Nauwelijks zes maanden later werd verdachte wederom ’s nachts achter het stuur aangetroffen, weer op een plaats waar hij heeft ingebroken. Hij sloeg wederom op de vlucht voor de politie, waarbij hij uiteindelijk al spookrijdend op de snelweg tot stilstand kwam en gewond raakte. De gevolgen van die dollemansrit hadden vele keren ernstiger kunnen zijn. Niet alleen voor hemzelf maar zeker ook voor zijn medeweggebruikers. De rechtbank tilt daar zwaar aan. Ook aan de gevolgen van de gepleegde inbraak tilt de rechtbank zwaar. Bij de inbraak is veel materiële schade veroorzaakt en daarmee is ook gezorgd voor veel overlast voor de eigenaar van de horecagelegenheid. Daarnaast brengt een inbraak in een bedrijf gevoelens van onveiligheid en angst teweeg bij de eigenaar en de werknemers van dat bedrijf. Verdachte heeft zich om de gevolgen van zijn handelingen niet bekommerd.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Voornoemde omstandigheden rechtvaardigen de oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur. De rechtbank acht het, gelet op de omstandigheid dat verdachte tot twee keer toe binnen een jaar tijd achter het stuur van een auto is aangetroffen door de politie terwijl hij mede gelet op zijn leeftijd nog niet beschikt over een rijbewijs en zijn rijgedrag gevaar oplevert voor zichzelf en voor andere weggebruikers, passend om hem een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaar op te leggen. De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid onvoldoende recht doen aan de ernst en aard van het feit en het gevaarzettende karakter.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daartoe heeft de rechtbank kennisgenomen van:

een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) van 23 februari 2009, waarin is vervat een advies tot het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel;

een plan van aanpak van Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering (hierna te noemen BJZ) d.d. 14 april 2009, betreffende onderzoek naar het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel;

een rapport van psycholoog mr.drs. R.A. Sterk van 26 januari 2009, waarin staat dat de psycholoog wegens gebrek aan medewerking aan het onderzoek door verdachte geen beschrijving van de persoonlijkheid van verdachte kan geven;

een rapport van psychiater C.J.F. Kemperman van 20 januari 2009, waarin is vervat een advies tot het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel.

De Raad adviseert oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van twaalf maanden. De Raad acht hulpverlening noodzakelijk. Deze hulpverlening is nodig om verder afglijden van verdachte te voorkomen. Bij verdachte is sprake van antisociaal gedrag binnen een al langer bestaande gedragsstoornis. Hij lijkt vanuit de thuissituatie minder structuur, controle en correctie te krijgen dan wenselijk is voor zijn ontwikkeling. De gezagspositie van de ouders zal moeten worden verstevigd. Zo heeft verdachte niet meegewerkt aan een psychologisch onderzoek en zijn de ouders geen enkele keer verschenen voor een gesprek met de psycholoog of de psychiater. De Raad acht dat, gelet op de gedragsproblematiek van verdachte, bijzonder zorgelijk. Verdachte heeft al op jonge leeftijd meerdere strafbare feiten gepleegd en er lijkt een toename te zijn in de ernst van deze feiten. Gelet op de houding van verdachte bij de politie en zijn ontkenning van de door hem gepleegde strafbare feiten is sprake van een verharding die de kans op recidive doet toenemen, aldus de Raad. Naar de mening van de Raad moet verdachte worden geholpen om weer naar school te gaan en die schoolgang te continueren. Hij heeft begeleiding nodig op het gebied van vrijetijdsbesteding en vriendenkeuze. Hij heeft hulp nodig om gedragsalternatieven aan te leren en zo zijn antisociaal gedrag te verminderen. Voorts moet aandacht worden besteed aan de gevolgen van middelengebruik, aldus de Raad.

De Raad acht oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel wenselijk omdat binnen die maatregel de voor verdachte noodzakelijke maatgerichte aanpak kan worden gerealiseerd en meerdere hulpverleningstrajecten kunnen worden opgestart. De Raad denkt aan een ambulante intensieve gezinsbehandeling Multi-SysteemTherapie (hierna te noemen: MST) en daarna een intensieve begeleiding voor verdachte met een strenge controle op zijn functioneren thuis en op school, genaamd [naam] bij Terugkeer (hierna te noemen: NPT). Vooralsnog meent de Raad dat kan worden volstaan met ambulante hulpverlening, mits de ouders van verdachte voldoende gemotiveerd zijn om daaraan mee te werken.

De Raad heeft over dit advies overleg gevoerd met de psychiater. De psychiater constateert dat bij verdachte sprake is van ernstige gedragsproblematiek en van opvoedings- of gezinsgerelateerde problematiek. Mede gelet op de strafrechtelijke antecedenten van verdachten schat de psychiater het recidiverisico in als hoog. Hij is van mening dat door middel van een gedragsbeïnvloedende maatregel kan worden bezien of een ontwikkeling in de richting van een antisociale persoonlijkheidsstoornis nog kan worden bijgestuurd. Gelet op de verharding die blijkt uit de geschiedenis van de door verdachte gepleegde strafbare feiten en uit het feit dat het opleggen van andere straffen en begeleiding in het verleden geen baat hebben gehad, merkt de psychiater op dat de verwachtingen niet te hoog moeten zijn.

BJZ heeft voor de uitvoering van de gedragsbeïnvloedende maatregel een plan opgesteld dat is afgestemd op de problematiek van verdachte. Het plan behelst de gezinstherapie MST, te starten in mei 2009 en af te sluiten in september 2009, met direct aansluitend de intensieve begeleiding van verdachte middels NPT, dat kan starten in augustus 2009 en loopt tot mei 2010. Een medewerker van de instantie die de in te zetten MST gaat begeleiden heeft een intakegesprek gevoerd met verdachte en zijn ouders. Deze intake is positief verlopen en er bestaat geen wachtlijst. Mevrouw M. Bruggeman, gedragswetenschapper van NPT heeft op basis van de psychiatrische rapportage en het rapport van de Raad positief geoordeeld over de mogelijkheid van plaatsing van verdachte. Er bestaat momenteel geen wachtlijst. In de door mevrouw Bruggeman opgestelde rapportage van 7 april 2009 stelt zij dat verdachte zonder meer voldoet aan de criteria voor NPT en dat de intensiteit en breedte van het programma inhoudelijk goed aansluit op de behoeften van verdachte. BJZ heeft in een begeleidende brief zijn zorgen geuit over de houding van verdachte. Ter terechtzitting van 17 april 2009 heeft mevrouw Bruggeman nog benadrukt dat de omstandigheid dat verdachte twijfelt aan de zin van MST en NPT juist als een indicatie moet worden gezien voor NPT. Ambivalentie betekent immers dat verdachte zijn situatie overdenkt. Juist deze ambivalentie biedt de begeleider van NPT de mogelijkheid om de motivatie van verdachte voor verandering te vergroten, aldus mevrouw Bruggeman.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de psychiater de verwachting tempert dat de ontwikkeling in de richting van een antisociale persoonlijkheidsstoornis nog kan worden bijgestuurd, meent de psychiater dat een gedragsbeïnvloedende maatregel met intensieve begeleiding een mogelijkheid daartoe vormt. Ook de overige ten aanzien van verdachte adviserende deskundigen zijn van mening dat een dergelijke maatregel de juiste en maatgerichte intensieve aanpak biedt om het tij positief te keren. De rechtbank neemt deze visie over en maakt die tot de hare. De moeder van verdachte heeft ter terechtzitting van 17 april 2009 haar medewerking aan de voorgestelde trajecten toegezegd, mits er bij het maken van de begeleidings-afspraken rekening kan worden gehouden met haar (scholings-)programma.

Naar het oordeel van de rechtbank geeft de ernst van de door verdachte al op deze leeftijd begane strafbare feiten aanleiding tot het opleggen van de gedragsbeïnvloedende maatregel. Daarnaast acht de rechtbank de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

Op grond van het vorenstaande neemt de rechtbank het advies van de Raad voor de Kinderbescherming om een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige op te leggen voor de duur van 1 jaar over. De rechtbank zal deze maatregel opleggen als hierna te melden.

6 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 449,88 ter vergoeding van de schade voortvloeiend uit de poging tot diefstal in zijn horecagelegenheid. De rechtbank acht deze vordering geheel voor toewijzing vatbaar, nu de benadeelde partij zich heeft beperkt tot het bedrag aan eigen risico dat hij niet door de verzekering vergoed heeft gekregen, de vordering voldoende aannemelijk is gemaakt, de schade een rechtstreeks gevolg is van de poging tot diefstal en de rechtbank verdachte aansprakelijk acht voor die schade.

De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert een schadevergoeding van € 3.786,38 ter vergoeding van de schade voortvloeiend uit de diefstal van en het ongeval met de Volvo V40.

De schade die als rechtstreeks gevolg van de diefstal van de Volvo V40 kan worden gezien kan niet in deze strafzaak worden beoordeeld, omdat verdachte wordt vrijgesproken van deze diefstal. De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 797,-- een rechtstreeks gevolg is van de door verdachte aan de Volvo V40 als gevolg van zijn rijgedrag veroorzaakte schade en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de rechtbank de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij [benadeelde 3] zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen van de benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

6.1 Het ad informandum gevoegde

De officier van justitie heeft de op de dagvaarding ad informandum vermelde strafbare feiten bij de strafbepaling buiten beschouwing gelaten, nu verdachte deze feiten niet heeft bekend. Ook de rechtbank laat deze feiten buiten beschouwing.

6.2 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, op de beslaglijst vermeld onder nummers 1 tot en met 3, 13, 23 tot en met 25 en 29 tot en met 32 zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu dit voorwerpen betreffen waarmee de strafbare feiten zijn begaan of voorbereid.

6.3 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, op de beslaglijst vermeld onder nummers 4, 5, 12, 14 en 26 tot en met 28 aangezien die voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

6.4 De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, op de beslaglijst vermeld onder nummers 6 tot en met 11, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 77a, 77g, 77i, 77r, 77w, 77wc, 77gg, 310, 311, 316 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177, 178, 179 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de op de dagvaarding met parketnummer 16/602706-08 onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van de op de dagvaarding met parketnummer 16/602602-08 ten laste gelegde feiten:

feit 1 primair: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 2: opzetheling;

Ten aanzien van de op de dagvaarding met parketnummer 16/602706-08 ten laste gelegde feiten:

feit 1: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;

feit 3: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 141 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

Maatregel

- legt op aan verdachte de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 1 jaar, bestaande uit:

de ambulante intensieve gezinstherapie MST met aansluitend

de ambulante intensieve begeleidingsvorm NPT,

begeleiding van Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering;

- beveelt dat, als verdachte niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 1 jaar;

- Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van € 797,-- ter zake van materiële schade;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3], € 797,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 15 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 449,88 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2], € 449,88 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 3, 13, 23 tot en met 25 en 29 tot en met 32;

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 4, 5, 12, 14 en 26 tot en met 28;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 6 tot en met 11;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op met ingang van de datum dat dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mr. J.F. Dekking en mr. J.P. Killian, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Bossink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 april 2009.

Mr. J.M. Bruins en mr. J.P. Killian zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.