Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI2752

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
16-600133-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 200 dagen, waarvan 153 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/600133-09; 16/602510-07 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 april 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres], [woonplaats],

thans verblijvende in het Jongeren Opvangcentrum te Amsterdam.

Raadsvrouwe mr. C.A. Dijkstra, advocaat te Amersfoort.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 april 2009, waarbij de officier van justitie mr. W.J. Koreman en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: samen met een ander een auto-inbraak heeft gepleegd;

Feit 1 subsidiair: geprobeerd heeft met een ander een auto-inbraak te plegen;

Feit 2 en 3: woninginbraken heeft gepleegd;

Feit 4: een personenauto heeft gestolen.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. De bewijsmiddelen

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende bewijsoverwegingen voorkomen verwijzen naar het in wettelijke vorm ambtsedig opgemaakte proces-verbaal, genummerd

PL0960/09-002044.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs van de ten laste gelegde feiten.

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit alsmede de feiten 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte tijdens de zitting van 8 april 2009 ;

- de aangifte van [aangever 1] ;

- de aangifte van [aangever 2] ;

- de aangifte van [aangever 3] .

3.2. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 6 februari 2009, te IJsselstein, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit een aan de [adres] geparkeerd staande auto merk Renault, type Clio, kleur rood, enig goed, toebehorende aan [aangever 1];

2.

op 5 februari 2009, te IJsselstein, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een videocamera en twee portemonnees met inhoud en een gsm-telefoon en tas met opdruk “rechtbank Utrecht” en een laptop en een Playstation, toebehorende aan [aangever 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door een valse sleutel;

3.

op 1 februari 2009, te IJsselstein, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, uit een woning gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een handtas (bevattende een sleutelbos en een geldbedrag van ongeveer 140 euro) en een mobiele telefoon en een portemonnee (bevattende ongeveer 85 euro) en een spelcomputer, toebehorende aan [aangever 3] en/of de kinderen van die [aangever 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door een valse, immers eerder uit de bij de woning behorende schuur gestolen, sleutel;

4.

op 1 februari 2009, te IJsselstein, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, heeft weggenomen een personenauto merk Mercedes type A-168, kleur blauw en voorzien van het kenteken [kenteken], toebehorende aan [aangever 3], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht, door een valse, immers een eerder gestolen, sleutel.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen, met aftrek, waarvan 153 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarden de maatregel Hulp en Steun en de maatregel ITB-plus voor de duur van zes maanden. Verder dient verdachte zich te houden aan de aanwijzingen van de gezinsvoogd, ook als dat inhoudt een residentiële plaatsing in de instelling Valkenheide of elders. Tevens dient verdachte mee te werken aan urinecontroles met betrekking tot drugsgebruik.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging onder parketnummer 16/602510-07 van drie weken jeugddetentie en het omzetten daarvan in een werkstraf van 42 uren. Voor het restant van de opgelegde straf verzoekt de officier van justitie een verlenging van de proeftijd met één jaar.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met het feit dat verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek. Tevens verzoekt zij acht te slaan op het voorstel van verdachte ter zitting om een mogelijke werkstraf in de zomervakantie uit te voeren. Met dit voorstel toont verdachte dat hij als mens is gegroeid en dat hij de verantwoordelijkheid neemt voor wat hij heeft gedaan. De raadsvrouwe kan zich vinden in de vordering van de officier van justitie.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Bewezen is verklaard dat verdachte in de buurt waar hij woont ’s nachts een auto-inbraak heeft gepleegd en in twee woningen heeft ingebroken. Aan het plegen van deze inbraken tilt de rechtbank zwaar. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor hen vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Het is een feit van algemene bekendheid dat mensen na een dergelijke inbraak zich nog lange tijd onveilig voelen in hun eigen woning. Daarnaast heeft verdachte bij de laatste woninginbraak autosleutels weggenomen en hiermee de auto gestolen die op de oprit van de woning stond. Verdachte is met de auto weggereden ondanks dat hij op dat moment pas 15 jaar oud was en geen rijbewijs had.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte tijdens het onderzoek bekennende en gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de hem ten laste gelegde feiten.

Daarnaast heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid getoond door voor te stellen om een eventuele werkstraf in de zomervakantie uit te voeren.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het volgende.

Blijkens een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 februari 2009 heeft verdachte zich reeds eerder schuldig gemaakt aan het plegen van soortgelijke feiten en liep hij tijdens het bewezenverklaarde in een proeftijd.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft diverse rapporten opgemaakt over verdachte, laatstelijk op 2 april 2009. Uit deze rapporten blijkt van diverse problemen, onder andere in de thuissituatie van verdachte. Door de kinderrechter is de ondertoezichtstelling van verdachte uitgesproken. Voorts is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Verwacht wordt dat verdachte in juni 2009 op Valkenheide kan worden geplaatst.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert om aan verdachte een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, gelijk aan het voorarrest. Daarnaast adviseert de Raad om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met een proeftijd van twee jaar. Dit met als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun, waarvan zes maanden in het kader van ITB-plus.

Verder heeft Bureau Jeugdzorg van de Jeugdreclassering een rapportage uitgebracht

d.d. 6 april 2009. Uit deze rapportage volgt dat in het verleden verdachte de nodige ambulante hulpverlening heeft gehad, echter zonder het gewenste resultaat. De maatregelen Hulp en Steun en ITB-Criem zijn niet voldoende gebleken om recidive te voorkomen. Het is duidelijk dat verdachte strakke begeleiding en ondersteuning nodig heeft. Het is wenselijk dat verdachte intensief wordt begeleid ten aanzien van scholing, werk en vrijetijdsbesteding met als doel tot aan de uithuisplaatsing van verdachte voldoende structuur te bieden om afglijding te voorkomen. Het advies is gelijk aan het bovengenoemde advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank neemt de conclusies uit bovengenoemde rapportages over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat in het kader van de bij verdachte geconstateerde problematiek het civiele traject voorrang verdient boven het straftraject en dat het straftraject in ieder geval het civiele traject niet doorkruist. Tot zijn plaatsing op Valkenheide heeft verdachte strakke begeleiding en structuur nodig in de vorm van de maatregel Hulp en Steun en de maatregel ITB-plus.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van

200 dagen, met aftrek, waarvan 153 dagen voorwaardelijk, passend en geboden is. Als bijzondere voorwaarden worden opgelegd de maatregel Hulp en Steun en de maatregel ITB-plus voor de duur van zes maanden. Verder dient verdachte zich te houden aan de aanwijzingen van de gezinsvoogd De rechtbank zal de residentiële plaatsing van verdachte niet in de voorwaarden opnemen nu het civiele kader waarin dat plaatsvindt voldoende garantie op nakoming daarvan biedt. Tevens dient verdachte mee te werken aan urinecontroles met betrekking tot drugsgebruik.

Het voorwaardelijke gedeelte van de op te leggen jeugddetentie maakt de bijzondere voorwaarden mogelijk en kan tevens dienen als “stok achter de deur” teneinde verdachte in te scherpen zich ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

5.4. Het ad informandum gevoegde

De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met het volgende door verdachte bekende en ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feit:

Parketnummer 600133-09, 26 januari 2009 tot en met 27 januari 2009, IJsselstein,

Gem. IJsselstein, diefstal van een snorfiets (Gilera).

6. De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De vordering tenuitvoerlegging onder parketnummer 16/602510-07 van 3 weken jeugddetentie, zal conform de vordering van de officier van justitie, worden toegewezen en ten uitvoer worden gelegd. Deze ten uitvoer te leggen jeugddetentie zal worden vervangen door een werkstraf van 42 uren. Ten aanzien van de overige 3 weken jeugddetentie zal de proeftijd worden verlengd met één jaar.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77cc, 77dd, 77ee, 77gg, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

Feit 2 en 3:

telkens, diefstal waarbij de schuldige zich de plaats des misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel;

Feit 4:

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 200 dagen, waarvan 153 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

- de maatregel Hulp en Steun alsmede de maatregel ITB-plus voor de duur van zes maanden onder toezicht van de Jeugdreclassering;

- dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de gezinsvoogd;

- dat verdachte dient mee te werken aan urinecontroles met betrekking tot drugsgebruik;

- draagt aan de Jeugdreclassering op om verdachte hulp en steun te verlenen bij het naleven van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat van de voorwaardelijke straf van 6 weken jeugddetentie, die bij vonnis d.d.

19 februari 2008 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/602510-07, een gedeelte ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 3 weken jeugddetentie;

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen jeugddetentie zal worden vervangen door een werkstraf van 42 uren;

- bepaalt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 21 dagen;

- bepaalt dat ten aanzien van de overige 3 weken jeugddetentie de proeftijd wordt verlengd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. J.R. Krol en mr. J. Ozinga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 april 2009.

Mr. Ozinga is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.