Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI2068

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
SBR 09-987
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanschrijving bestuursdwang op grond van artikel 1a Woningwet (zorgplicht) ten aanzien van rijksmonument. Verhouding Woningwet - Monumentenwet 1988. Om te voldoen aan de aanschrijving is geen sloopvergunning op grond van de bouwverordening vereist, maar wel een monumentenvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/987

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2009

inzake

Stichting ter behoud van Monumenten Lage Vuursche,

gevestigd te Baarn,

verzoekster,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 2 april 2009, waarbij

verweerder heeft besloten om bestuursdwang toe te passen als verzoekster niet binnen één week ten aanzien van het perceel [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel) navolgende voorzieningen heeft getroffen:

1 - de achterzijde (oostzijde) en de rechterzijkant (zuidzijde) van het pand inpandig gedeeltelijk stutten; en

2 - aan de voorzijde (westzijde) van het pand een hekwerk plaatsen. Het hekwerk dient op een afstand van 4 meter ten opzichte van de voorgevel geplaatst te worden en dient (zichtbaar) voorzien te zijn van waarschuwingsborden met de tekst ‘instortingsgevaar’ en ‘verboden toegang’;

3 - het riet verwijderen; en

4 - de totale kapconstructie demonteren, en voordien een fotoreportage van de kapconstructie maken en/of opnamen van de kapconstructie maken;

5 - de kapconstructie opslaan;

6 - de linker binnengevel (die door het verwijderen van de kap een buitengevel wordt) door middel van een zeil afdekken, dit ter bescherming tegen weersinvloeden.

In dit besluit heeft verweerder verzoekster erop gewezen dat de kosten die hij moet maken om zelf de betreffende voorzieningen in/aan/nabij het pand te treffen bij verzoekster in rekening zullen worden gebracht.

1.2 Het verzoek is op 15 april 2009 ter zitting behandeld, waar namens verzoekster is

verschenen [X], bestuurslid van de stichting ter behoud van monumenten Lage Vuursche, bijgestaan door mr. M.E.W.M. Pals-Reiniers, advocaat te Eindhoven.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Witteveen, H.M. van Ravenswaaij en J.J. Duijst, allen werkzaam bij de gemeente Baarn.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 De aanschrijving heeft betrekking op het pand [adres] te [woonplaats]. Het betreft een (vervallen) voormalige smederij, die is aangewezen als rijksmonument en is gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht [woonplaats]. Verzoekster is sedert 1 juli 2008 eigenaresse van het pand.

2.4 Op 9 maart 2009 heeft H.M. van Ravenswaaij, ex-bouwinspecteur, werkzaam als senior medewerker vergunningverlening bij verweerder, de toestand van het pand geïnspecteerd en gefotografeerd. De resultaten van deze inspectie zijn vastgelegd in het opnamerapport van 10 maart 2009 met bijgevoegde foto’s. Verweerder heeft daarin aanleiding gezien verzoekster aan te schrijven. Ter zitting is van de zijde van verweerder bevestigd dat de aanschrijving neergelegd in het besluit van 2 april 2009 is gebaseerd op artikel 1a van de Woningwet.

2.5 Verzoekster heeft betoogd dat de last onzorgvuldig is voorbereid, ondeugdelijk is gemotiveerd en disproportioneel is, aangezien de opgedragen maatregelen verder gaan dan noodzakelijk om de onveilige situatie ongedaan te maken.

2.6 Artikel 5:21 van de Awb bepaalt dat onder bestuursdwang wordt verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet luidt als volgt:

De eigenaar van een bouwwerk, standplaats, open erf of terrein of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen draagt er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, die standplaats, dat open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

Artikel 100d van de Woningwet luidt - voor zover van belang- als volgt:

Een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I, II, III of IV kan inhouden dat voorzieningen gericht op het tegengaan of beëindigen van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid worden getroffen.

2.7 Uit het samenstel van de artikelen 1a en 100d Woningwet volgt dat een aanschrijving tot het treffen van maatregelen op grond van de Woningwet gericht moet zijn op naleving van het bepaalde bij of krachtens genoemde hoofdstukken van de Woningwet.

Uit het besluit van 2 april 2009, en de onderliggende stukken, blijkt dat de maatregelen genoemd in overweging 1.1, onder 4 en 5, niet zijn gericht op het beëindigen van de onveilige situatie ter plaatse, maar beogen het monumentenbelang te dienen.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de Rijksdienst (RACM) telefonisch heeft geadviseerd deze voorschriften op te nemen, teneinde in een later stadium reconstructie van de kapconstructie mogelijk te maken.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de voorschriften 4 en 5 niet kunnen worden verbonden aan een aanschrijving gebaseerd op artikel 1a van de Woningwet. Hierin is reden gelegen het primaire besluit in zoverre te schorsen.

Aangezien de maatregelen 4 en 5 samenhangen met de maatregelen 1, 3 en 6 wordt daarin aanleiding gezien het primaire besluit ook in zoverre te schorsen.

2.8 Voor de te treffen voorlopige voorziening bestaat nog een reden. Anders dan bij de sloopvergunning op grond van de bouwverordening, die niet is vereist indien wordt gesloopt om uitvoering te geven aan een aanschrijving op grond van de Woningwet (artikel 8.1.1, tweede lid, van de bouwverordening van de gemeente Baarn), geldt voor de sloop van (een gedeelte van) een (rijks)monument dat moet worden beschikt over een monumentensloopvergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988. Aan de bij het besluit van 2 april 2009 gegeven aanschrijving kan dan ook alleen worden voldaan indien kan worden beschikt over een monumentensloopvergunning. Verzoekster beschikt niet over een dergelijke vergunning en heeft daartoe ook geen aanvraag gedaan. Dat betekent dat het voldoen aan de aanschrijving door verzoekster zal leiden tot een situatie strijdig met de Monumentenwet 1988. Dit kan niet van verzoekster worden gevergd.

2.9 Hetgeen hiervoor is overwogen geldt niet voor de maatregel genoemd onder 2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich, onder verwijzing naar het opnamerapport van 10 maart 2009, terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een onveilige situatie met een acuut gevaar voor de veiligheid als bedoeld in artikel 1a van de Woningwet. De overlegde foto’s bevestigen het beeld dat, als gevolg van de verregaande staat van verrotting van de kapconstructie, sprake is van instortingsgevaar.

Verweerder heeft met zijn toelichting ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat niet valt uit te sluiten dat, indien de kap gaat instorten, een deel van de kap buiten de buitengevel van het pand terecht kan komen, hetgeen gevaar oplevert voor omwonenden en passanten.

De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om de maatregel die ziet op het plaatsen van hekwerken en bebording, maatregel 2, niet te schorsen.

2.10 Ter voorlichting aan partijen merkt de voorzieningenrechter nog op dat verweerder het besluit van 2 april 2009 kan wijzigen, al dan niet in het kader van de bestuurlijke heroverweging. In dat kader is van belang dat verweerder afdoende aannemelijk heeft gemaakt dat het verwijderen van de (verrotte) kapconstructie noodzakelijk is ter voorkoming van voorkoming dan wel ter beperking van het gevaar voor de veiligheid. Om de rechterlijke toets te kunnen doorstaan zal verweerder wel de maatregelen moeten herformuleren, zodanig dat voorschriften die louter strekken tot bescherming van monumentale belangen daarvan geen deel meer uitmaken. Indien dat is geschied kan een verzoek ex artikel 8:87 Awb worden gedaan.

Als verweerder bestuursdwang wil toepassen, door zelf de vereiste maatregelen te treffen, dan zal moeten worden beschikt over een monumentensloopvergunning. Deze vergunning kan en dient door verweerder (te) worden verleend, na overleg met en advisering door de Rijksdienst (RACM) en met inachtneming van het bepaalde in de Monumentenwet 1988. Indien uit een schriftelijk advies van de Rijksdienst blijkt dat het ook in dit specifieke geval is aangewezen de kapconstructie te demonteren, te fotograferen en op te slaan, dan kunnen daartoe strekkende voorschriften aan de monumentenvergunning worden verbonden. Na wijziging van het aangevochten besluit en na het verlenen van de monumentensloopvergunning kan verweerder, indien de feitelijke situatie daartoe nog noopt en verzoekster daartoe niet overgaat, de gewenste maatregelen op legale wijze zelf ter hand nemen. De daarmee gemoeide kosten kunnen op de eigenaar van het pand worden verhaald, behoudens voor zover deze louter strekken tot behoud van de monumentale waarden en niet dienen ter bestrijding van de onveilige situatie ter plaatse.

2.11 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het verzoek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

3.1 schorst het besluit van verweerder van 2 april 2009, kenmerk 09.2482, tot de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar, met uitzondering van het voorschrift dat verzoekster aan de voorzijde (westzijde) van het pand [adres] te [woonplaats] op een afstand van 4 meter ten opzichte van de voorgevel een hekwerk dient te plaatsen, voorzien van waarschuwingsborden met de tekst ‘instortingsgevaar’ en ‘verboden toegang’;

3.2 bepaalt dat de gemeente Baarn het door verzoekster betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 297,- aan haar vergoedt;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- te betalen door de gemeente Baarn aan verzoekster.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2009.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. H.G. Molenaar mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Raad van State staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.