Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI1956

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
250406 / HA ZA 08-1166
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging overeenkomsten wegens geestelijke stoornis; goede trouw derde (3:88 BW) (gevoegd met zaak LJN BC9971)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 250406 / HA ZA 08-1166

Vonnis van 22 april 2009

in de zaak van

1. [bewindvoerder 1],

in hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [bewindvoerder 2].,

in hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [eiser],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. M.P. Zeilmaker-Smit,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. G.M.F. Snijders.

Partijen zullen hierna (in enkelvoud) [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 oktober 2008, waarin een comparitie van partijen is gelast

- het proces-verbaal van comparitie van 10 maart 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In december 1999 hebben de zoon van [gedaagde] (hierna te noemen: [X]) en [eiser] overeenstemming bereikt over de overdracht van het gehele agrarische bedrijf van [eiser], waaronder de bedrijfsgebouwen, de veestapel en het melkquotum, aan [X]

2.2. Op 18 januari 2000 heeft [eiser] de bedrijfsgebouwen geleverd aan [X]

2.3. Op 14 juli 2000 heeft [X] een deel van de onder 2.2 bedoelde bedrijfsgebouwen, waaronder een perceel met woonhuis c.a. aan de [adres] te [woonplaats], overgedragen aan zijn ouders ([gedaagde] en [Y] (hierna te noemen:[Y])).

2.4. Bij brief van 5 april 2001 heeft [eiser] de nietigheid dan wel de buitengerechtelijke vernietiging van de verschillende tussen hem en [X] gesloten overeenkomsten

ingeroepen.

2.5. Bij beschikking van 5 juli 2001 heeft de kantonrechter te Utrecht een bewind ingesteld over de goederen van [eiser] en eisers sub 1 en 2 benoemd tot bewindvoerders.

2.6. Bij dagvaarding van 12 juli 2001 is [eiser] bij deze rechtbank een procedure tegen [X] gestart (onder zaaknummer/rolnummer135005 / HA ZA 01-1783) strekkende tot vernietiging van de met laatstgenoemde gesloten overeenkomsten.

2.7. Op 10 mei 2005 heeft [X] de volgende onroerende zaken, die onderdeel hadden uitgemaakt van de onder 2.1 bedoelde overeenkomsten, overgedragen aan [gedaagde]:

- een perceel hooiland, gelegen nabij [adres] te [woonplaats],

- een perceel bouwland met opstallen gelegen nabij [adres] te [woonplaats],

- een perceel grond met opstallen, schuur, gelegen nabij [adres] te [woonplaats].

2.8. Op 16 april 2008 heeft deze rechtbank een tussenvonnis gewezen in de onder 2.6 bedoelde procedure. In dit vonnis is onder meer het volgende overwogen:

“(…)

3.19. Voor zover het bezwaar van [X} [[X]; toevoeging rechtbank] zich richt tegen de conclusie van beide deskundigen dat de stoornis in de geestvermogens van [eiser] kenbaar was voor derden en in het bijzonder voor [X], moet het worden verworpen. De deskundigen hebben op basis van hun onderzoek geconcludeerd dat [eiser] - episodisch - zeer impulsief, onevenwichtig en obsessief gedrag vertoonde en dat dit kenbaar had moeten zijn aan [X] en zijn vriendin. De omstandigheid dat anderen, zoals de huisarts, verschillende notarissen, een autoverkoper en een werkgever van [eiser] dat in de betreffende periode dan wel in de daarop volgende periode niet hebben opgemerkt, doet niet af aan deze conclusie, reeds nu uit het rapport blijkt dat dit gedrag tijdelijk (episodisch) van aard is en zich derhalve slechts onder bepaalde omstandigheden manifesteert.

Bovendien staat als onvoldoende weersproken vast dat [X] - zoals deskundige Vermeulen ook aan zijn conclusie ten grondslag heeft gelegd - [eiser] reeds gedurende vele jaren kende. Zij waren al jarenlang elkaars buren. Zoals de heer [Z], voormalig buurman van [eiser], onweersproken heeft verklaard, kende iedereen in de buurt [eiser] goed en wist men dat [eiser] minder intellectuele capaciteiten had (‘anders was’) dan andere mensen en zeer beïnvloedbaar was. [Z] was - volgens zijn verklaring - ook bekend met het feit dat de moeder van [eiser] hem ‘overeind hield’. Gezien het feit dat [X] tevens jarenlang buurman was van [eiser], moet onwaarschijnlijk worden geacht dat hij niet van deze eigenschappen van [eiser] op de hoogte was.

De conclusie

2.20. In het licht van hetgeen in het voorgaande over de inhoud van de rapporten is overwogen, kan de rechtbank zich vinden in de conclusies van de deskundigen, en neemt zij deze over. Dit betekent dat geoordeeld moet worden dat de overeenkomsten die in de periode december 1999 tot en met maart 2000 tussen partijen zijn gesloten, totstandgekomen zijn onder invloed van een geestelijke stoornis die een redelijke waardering van de bij deze overeenkomsten betrokken belangen belette. Deze overeenkomsten zijn dan ook op grond van artikel 3:34 BW vernietigbaar.

2.21. Het beroep van [X] op het bestaan van gerechtvaardigd vertrouwen aan zijn zijde in de zin van artikel 3:35 BW moet in het licht van het onder 3.19 overwogene worden afgewezen. De vordering strekkende tot vernietiging van de overeenkomsten is dan ook voor toewijzing vatbaar. (…)”

2.9. Bij vonnis van 13 augustus 2008 heeft de rechtbank de onderhavige procedure gevoegd met de onder 2.6 bedoelde procedure.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - dat [gedaagde] veroordeeld wordt tot medewerking aan afgifte en notariële levering van de onder 2.3 en 2.7 bedoelde onroerende zaken.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij door [eiser] rauwelijks is gedagvaard. Aan dit verweer heeft zij echter geen consequenties verbonden. Voor zover zij heeft beoogd te betogen dat dit tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] dient te leiden, volgt de rechtbank haar daarin niet. Er is geen rechtsregel die een dergelijk rechtsgevolg voorschrijft.

4.2. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] aangevoerd dat doordat deze rechtbank bij vonnis van 16 april 2008 de overeenkomsten die [eiser] met [X] heeft gesloten, op grond van het bestaan van een geestelijke stoornis aan de zijde van [eiser] heeft vernietigd, de bevoegdheid van [X] om over de met die overeenkomst gekochte onroerende zaken te beschikken en deze geldig te kunnen overdragen aan [gedaagde] (en de - inmiddels overleden - [Y]) met terugwerkende kracht is komen te vervallen. Van geldige overdracht van de onroerende zaken door [X] aan [gedaagde] kan dan ook geen sprake zijn, zodat [gedaagde] geen eigenaar van de onroerende zaken is geworden. [gedaagde] kan niet aangemerkt worden als bezitter te goeder trouw in de zin van artikel 3:88 BW, zodat zij gehouden is tot afgifte van de onroerende zaken aan [eiser] als rechthebbende.

4.3. [gedaagde] heeft met een beroep op artikel 3:88 BW aangevoerd dat zij terzake van de overdracht aan haar van de onderhavige onroerende zaken te goeder trouw was. Nu de (eventuele) beschikkingsonbevoegdheid van [X] voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht die niet het gevolg was van de onbevoegdheid van de toenmalige vervreemder ([eiser]), kan zij niet verplicht kan worden haar medewerking aan de afgifte en levering van de betreffende onroerende zaken te verlenen, aldus [gedaagde].

4.4. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:88 BW is een overdracht van een registergoed ondanks onbevoegdheid van de vervreemder geldig, indien de verkrijger te goeder trouw is en de onbevoegdheid voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht die niet het gevolg was van de onbevoegdheid van de toenmalige vervreemder.

4.5. Kern van het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of [gedaagde] op het moment van levering van de onroerende zaken door [X] aan haar te goeder trouw was. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:11 BW ontbreekt goede trouw indien de betreffende persoon de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende dan wel onder de gegeven omstandigheden behoorde te kennen.

4.6. In het licht van het voorgaande dient beoordeeld te worden of [gedaagde] wist dan wel behoorde te weten dat [X] niet bevoegd was om de betreffende onroerende zaken aan haar te leveren in het licht van het feit dat de daaraan voorafgaande, tussen [X] en [eiser] gesloten, overeenkomsten vernietigbaar waren wegens het bestaan van een geestelijke stoornis aan de zijde van [eiser].

4.7. Vaststaat dat [eiser] de vernietiging van de onderhavige overeenkomsten jegens [X] heeft ingeroepen bij brief van 5 april 2001 en dat [eiser] vervolgens op 12 juli 2001 een procedure bij deze rechtbank is gestart tot vernietiging van deze overeenkomsten (welke procedure met de onderhavige procedure is gevoegd). Gelet op het feit dat [X] en [gedaagde] familie van elkaar zijn ([X] is de zoon van [gedaagde]) en ook destijds zeer dicht bij elkaar in de buurt woonden, moet ervan worden uitgegaan dat [gedaagde] van dit beroep op vernietiging en de desbetreffende procedure op de hoogte was. [gedaagde] heeft zich in deze procedure ook niet op het standpunt gesteld dat zij daarvan niet op de hoogte was. Desondanks heeft zij enkele jaren later, in 2005, terwijl de procedure nog liep, van [X] enkele onroerende zaken gekocht waarop het beroep op vernietiging van [eiser] betrekking had. Dit betekent dat [gedaagde] in 2005 goede redenen had om te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van de tussen [eiser] en [X] gesloten overeenkomsten en daarmee aan de bevoegdheid van [X] om deze goederen aan haar te verkopen en te leveren. [gedaagde] kan derhalve niet als te goeder trouw worden aangemerkt voor zover het betreft de onroerende zaken die in 2005 door [X] aan haar zijn geleverd.

4.8. Het perceel met woonhuis c.a. aan de [adres] te [woonplaats] is evenwel vóór het beroep van [eiser] op vernietiging van de overeenkomsten aan [gedaagde] geleverd, en wel op 14 juli 2000. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] ook ter zake van deze overdracht niet te goeder trouw is, en heeft in dat kader verwezen naar hetgeen de rechtbank in de gevoegde zaak heeft overwogen in overweging 3.19 van het vonnis van 16 april 2008. Volgens [eiser] geldt hetgeen de rechtbank daar heeft overwogen over [X], ook voor [gedaagde] aangezien [gedaagde] in dezelfde straat woonde als [eiser], op 200 m afstand van diens boerderij, en [gedaagde] [eiser] al kende toen deze nog een klein kind was. [eiser] heeft voorts gesteld dat de ouders van [eiser] en de ouders van [X] (waaronder dus [gedaagde]) geregeld bij elkaar over de vloer kwamen.

4.9. [gedaagde] heeft deze door [eiser] gestelde feiten niet (voldoende gemotiveerd) betwist. In het licht van deze onweersproken feiten acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat [gedaagde] niet van op de hoogte was van het - ook bij anderen bekende - feit dat [eiser] minder intellectuele capaciteiten had (‘anders was’) dan andere mensen en zeer beïnvloedbaar was.

4.10. Voorts heeft [gedaagde] niet (voldoende onderbouwd) betwist dat zij en haar echtgenoot zeer nauw betrokken zijn geweest bij de overdracht van het agrarisch bedrijf van [eiser] aan [X] eind 1999/begin 2000, onder meer door:

- de aanwezigheid van [gedaagde] en [Y] bij de besprekingen tussen [eiser] en [X] over de overdracht van het agrarisch bedrijf, welke besprekingen plaatsvonden in de toenmalige woning van [gedaagde] en [Y], en waarbij [X] werd bijgestaan door een advocaat en [eiser] niet werd bijgestaan,

- de aanwezigheid van [Y] bij de levering van de bedrijfsgebouwen, en

- de betaling van de koopsom van de bedrijfsgebouwen en de koopsom van het overgedragen melkquotum door [Y] ten behoeve van [X]

4.11. In het licht van voormelde omstandigheden had van [gedaagde] mogen worden verwacht dat zij nader zou hebben aangegeven waarom zij er - ondanks hetgeen zij wist over de karaktereigenschappen van [eiser], en in het bijzonder diens grote beïnvloedbaarheid, en de omstandigheid dat [eiser] bij de desbetreffende bespreking anders dan [X] niet werd bijgestaan - ervan uit heeft mogen gaan dat de overdracht van het volledige agrarische bedrijf door [eiser] aan [X], inclusief het woonhuis, berustte op een weloverwogen besluit en geen gevolg was van de haar bekende eigenschappen van [eiser] (die door de deskundigen in de gevoegde procedure tot de conclusie hebben geleid dat sprake was van een geestelijke stoornis). Deze kennis van [gedaagde] over de eigenschappen van [eiser] en de omstandigheden waaronder de overeenkomst tussen [eiser] en [X] tot stand was gekomen, hadden [gedaagde] aanleiding moeten geven om te betwijfelen dat aan de tussen [eiser] en haar zoon gesloten koopovereenkomst volledige wilsovereenstemming ten grondslag lag, en derhalve dat deze overeenkomsten, waaronder die betreffende het perceel met woonhuis, rechtsgeldig tot stand waren gekomen. Dit betekent dat [gedaagde] niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt met betrekking tot de overdracht van het perceel met woonhuis c.a. door [X] aan haar.

4.12. De enkele verwijzing door [gedaagde] naar hetgeen [X] in de gevoegde procedure heeft aangevoerd, kan haar niet baten, aangezien het niet gaat om de goede trouw van [X], maar om de goede trouw van haarzelf. Hetzelfde geldt voor haar verwijzing naar een verslag over [eiser] dat is opgesteld door een door [X] ingeschakeld persoon, prof. dr. R.J. van den Bosch. Dit verslag zegt niets over de goede trouw van [gedaagde], maar stelt enkel vraagtekens bij het oordeel van de door de rechtbank in de gevoegde zaak benoemde deskundigen dat sprake was van een geestelijke stoornis en dat [X] niet te goeder trouw was. Voor de beoordeling van de goede trouw van [gedaagde] is dat niet relevant.

4.13. Het voorgaande kan evenwel niet leiden tot onverkorte toewijzing van de vordering. Anders dan [eiser] kennelijk meent, is er nog geen sprake van een situatie waarbij de overeenkomsten tussen [X] en [gedaagde] zijn vernietigd. De rechtbank heeft in het vonnis in de gevoegde zaak weliswaar aangegeven dat de vordering tot vernietiging van de overeenkomsten voor toewijzing vatbaar is (overweging 3.21), maar zij heeft dit niet in het dictum van het vonnis tot uitdrukking gebracht. Deze overweging kan niet leiden tot vernietiging via de buitengerechtelijke verklaring die [eiser] op

5 april 2001 aan [X] heeft verzonden, aangezien een vernietiging van een rechtshandeling met betrekking tot registergoederen als de onderhavige (met uitzondering van het hier niet van toepassing zijnde geval van berusting) enkel kan plaatsvinden door rechterlijke vernietiging (artikel 3:50 lid 2 BW). Dit betekent dat de vordering slechts toewijsbaar is onder de voorwaarde dat in de gevoegde zaak de vernietiging van de koopovereenkomst wordt uitgesproken. De vordering zal ex artikel 3:296 lid 2 BW onder die voorwaarde (als het mindere) worden toegewezen.

4.14. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,44

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 254,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.243,44

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om vanaf het moment dat in de gevoegde zaak met zaaknummer/rolnummer135005 / HA ZA 01-1783 de vernietiging van de overeenkomsten wordt uitgesproken die tussen de partijen in die procedure zijn gesloten, medewerking te verlenen aan afgifte en notariële levering van de navolgende onroerende zaken aan [eiser]:

- het perceel, met woonhuis met gedeelte varkenschuur en aanbehoren erf en tuin staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend perceel gemeente [woonplaats], sectie [I], nummer [nummer]

- het perceel hooiland, gelegen nabij [adres] te [woonplaats], gemeente [gemeente], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie [I], nummer [nummer], groot 5 are en 50 centiare.

- het perceel bouwland met opstallen gelegen nabij [adres] te [woonplaats], gemeente [gemeente], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie [I], nummer [nummer], groot 9 are en 80 centiare.

- het perceel grond met opstallen, schuur, gelegen nabij [adres] te [woonplaats], gemeente [gemeente], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie [I], nummer [nummer], groot 5 are en 80 centiare,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.243,44,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2009.

w.g. griffier w.g. rechter