Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI1914

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
16/600030-9
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van feit 1 subsidiair: medeplegen van opzetheling;

ten aanzien van feit 2 en feit 3: telkens: medeplegen van diefstal door twee of meer verenigingde personen waarbij de schuldige zich toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht d.m.v. braak.

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 1, 2 en 3 strafbaarverklaring van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600030-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 april 2009

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [1990] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein

raadsman mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 maart 2009, waarbij de officier van justitie, mr. A. Bijleveld, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de zaak tegen de [medeverdachte] (met parketnummer: 16/600028-09).

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met anderen drie woninginbraken heeft gepleegd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiften, verklaringen van verdachte en [medeverdachte], de processen-verbaal van bevindingen en getuigen verklaringen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van feit 2 en 3 wel tot een bewezenverklaring kan komen maar ten aanzien van feit 1 niet en wijst daarbij op gebrek aan direct bewijs. Er zijn ook aanwijzingen dat anderen dan verdachte en zijn [medeverdachte] deze inbraak hebben gepleegd. Dat het bankpasje, welke afkomstig is van de inbraak van feit 1, wel in de auto aangetroffen is, zegt niets over de rol van verdachte bij deze inbraak. Bovendien kan niet bewezen worden dat verdachte wist dat dit bankpasje zich in de auto bevond. Als dat al bewezen zou kunnen worden, kan niet worden bewezen dat verdachte wist dat het bankpasje van misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat vrijspraak dient te volgen voor het onder 1 tenlastegelegde.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de aangifte van [aangever 1], inhoudende –zakelijk weergegeven-: Op zondag 04 januari 2009, omstreeks 16.15 uur hebben mijn vrouw en ik onze woning aan de [adres] in Vianen afgesloten en onbeschadigd achtergelaten. Toen wij omstreeks 20.30 uur bij onze woning terugkwamen, zag ik dat het raam van de woonkamer openstond en er zich in het hout van de sponning van dit raam meerdere braaksporen bevonden. Er is onder meer weggenomen: een telefoon van het merk Profoon, een geldbedrag van 2.400 euro en sieraden van mijn vrouw.

- de verklaring van [medeverdachte], inhoudende -zakelijk weergegeven-: Wij hebben ingebroken in twee huizen. Ik was met [verdachte], A. en nog een jongen. Toen we na de inbraak bij het eerste huis naar buiten kwamen zijn we naar het volgende huis gegaan. Het tweede huis was een zelfde soort huis en lag misschien naast het eerste huis.

- het aantreffen van een vingerafdruk aan de binnenkant van een raamkozijn van de woning aan de [adres] te Vianen welke matcht met de rechterringvinger van verdachte.

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 26 maart 2009, inhoudende

-zakelijk weergegeven-: ik ben op zondag 4 januari 2009 naar Vianen gegaan. [medeverdachte] en A. waren daar ook.

De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de aangifte van [aangever 2], inhoudende –zakelijk weergegeven-: Op zondag 4 januari 2009 verlieten mijn moeder en ik haar woning aan de [adres] te Vianen. De woning is toen afgesloten en in goede orde achtergelaten. Toen wij om 20.30 uur weer bij de woning aankwamen, zag ik dat men het raam links naast de voordeur met een scherp voorwerp had opengebroken en dat men hierdoor naar binnen was geklommen. Er zijn twee gouden kettingen en twee gouden vijfjes weggenomen.

- de verklaring van [medeverdachte], inhoudende -zakelijk weergegeven-: Wij hebben ingebroken in twee huizen. Ik was met [verdachte], A. en nog een jongen. Toen we na de inbraak bij het eerste huis naar buiten kwamen zijn we naar het volgende huis gegaan. Het tweede huis was een zelfde soort huis en lag misschien naast het eerste huis.

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 26 maart 2009, inhoudende

-zakelijk weergegeven-: ik ben op zondag 4 januari 2009 naar Vianen gegaan. [medeverdachte] en A. waren daar ook.

Ten aanzien van feit 1 primair (woninginbraak [adres] in Vianen) acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit heeft begaan en zal hem hiervan vrijspreken.

De rechtbank overweegt dat op 4 januari 2009, de dag van de inbraak, verdachte en zijn [[medeverdachte]] [medeverdachte] om 21.47 uur zijn aangehouden in Vianen. Zij zaten op dat moment in de auto van [medeverdachte]: verdachte als bestuurder en [medeverdachte] als passagier. In de auto zijn goederen aangetroffen die afkomstig waren van de inbraak (de giropas en de mobiele telefoon van [aangever 3]). Dat enkele feit is echter onvoldoende bewijs voor betrokkenheid bij de inbraak gelet op de overige omstandigheden. De inbraak lijkt immers niet gepleegd te zijn vlak voor de aanhouding van verdachte en zijn [medeverdachte] [medeverdachte] maar moet zijn gepleegd tussen 15.00 uur (toen de bewoners vertrokken) en 20.20 uur (toen er gepind werd met de inmiddels gestolen giropas). De verdachten zijn echter pas om 21.47 uur zijn aangehouden. Gelet op het tijdstip van aanhouding is de plaats waar zij zijn aangehouden (vlakbij de desbetreffende woning) eveneens niet redengevend voor het bewijs. Daarbij komt nog dat aannemelijk is dat verdachte en [medeverdachte] [medeverdachte] net vertrokken waren uit de eveneens in deze buurt gelegen woning van de zuster van [medeverdachte]. Verder is van belang dat [medeverdachte] en verdachte hebben verklaard dat zij de inbraken in de woningen aan de [adres] en 49 hebben gepleegd met twee andere personen: A. en een andere jongen. Die personen zaten echter niet in de auto van [medeverdachte] op het moment van aanhouding. De bewijsmiddelen laten dan ook de reële mogelijkheid open dat de inbraak is gepleegd door anderen dan verdachte, zodat vrijspraak moet volgen.

Wel acht de rechtbank verdachte schuldig aan de hem onder 1 subsidiair ten laste gelegde heling van de pinpas.

Volgens de aangifte van [aangever 3] is op 4 januari 2009 tussen 15.00 uur en 21.15 uur ingebroken in haar woning aan de [adres] in Vianen en is toen onder meer haar giropas weggenomen. Uit het dossier blijkt dat er om 20.20 uur is gepind op de locatie Voorstraat in Vianen met de gestolen giropas van aangeefster [aangever 3], te weten een bedrag van € 1.000,- . Verbalisant Fasi heeft om 20.25 uur op die locatie een donkerblauwe Golf zien rijden met minimaal 4 personen erin. [medeverdachte] was toen in het bezit van een donkerblauwe Golf en was met die Golf naar Vianen gekomen. [medeverdachte] heeft verklaard: ik ben erbij geweest toen er gepind werd, A. pinde. Ik was toen samen met [verdachte], A. en de andere jongen. Op dat moment hadden deze jongens in deze samenstelling al twee inbraken gepleegd (de bewoners van [adres] en 49 waren omstreeks 20.30 uur thuis). Er zijn geldbedragen aangetroffen bij [medeverdachte] en verdachte die (nagenoeg) overeenkomen met een vierde deel van € 1.000: € 250 bij [medeverdachte] en € 230 bij verdachte. Dit duidt erop (in combinatie met de andere hiervoor genoemde bewijsmiddelen) dat het gepinde bedrag van € 1.000,- is verdeeld. De giropas van [aangever 3] is bij aanhouding aangetroffen in de Golf van [medeverdachte], waarbij verdachte bestuurder was en [medeverdachte] passagier. Uit bovengenoemde omstandigheden leidt de rechtbank af dat het pinnen niet enkel een aangelegenheid was van A. (zoals [medeverdachte] heeft verklaard). De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen de giropas voorhanden heeft gehad en ten tijde van het voorhanden krijgen ook wist dat deze giropas van een misdrijf afkomstig was. Daarbij is niet van belang dat niet precies kan worden vastgesteld op welk moment verdachte de beschikking heeft gekregen over de pas. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 26 maart 2009, voor het voorhanden hebben van een geldbedrag van € 230,- (verdachte zou het bedrag hebben geleend van broer), heeft verdachte op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt en is niet overtuigend in het licht van het bovenstaande.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

Subsidiair:

hij op 4 januari 2009 te Vianen tezamen en in vereniging met anderen voorhanden heeft gehad een giropas toebehorende aan [aangever 3], terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die pas wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij op 4 januari 2009 te Vianen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning ([adres]) heeft weggenomen ondermeer een telefoon (merk Profoon) en een geldbedrag (2.400,= euro) en een hoeveelheid sieraden toebehorende aan anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak op een raam behorende bij voornoemde woning;

3.

hij op 4 januari 2009 te Vianen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres] aldaar heeft weggenomen twee gouden kettingen en twee gouden vijfjes toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door het forceren van een raam (naast de voordeur) van die woning;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 subsidiair: medeplegen van opzetheling;

ten aanzien van feit 2 en feit 3: telkens: medeplegen van diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat de door de officier van justitie gevorderde straf erg hoog is. Verdachte is weliswaar een veelpleger, maar hij is nog zo jong dat de hoop nog niet mag worden opgegeven. Verdachte was dronken en heeft zich laten meeslepen. Hij ging niet doordacht te werk bij de inbraken van feit 2 en 3, want hoewel hij handschoenen bij zich had heeft hij toch vingerafdrukken achter gelaten. Voorts heeft verdachte aangegeven dat hij geen delicten meer wil plegen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal verdachte niet helpen. Een voorwaardelijke wel. Dat verdachte gemotiveerd is om hulp te aanvaarden blijkt uit het feit dat hij op eigen initiatie al hulpverlening heeft gezocht. Er is al één en ander in werking gezet en deze kans om te slagen moet aangegrepen worden. Het is daarom passend om een groot deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Aan het plegen van woninginbraken tilt de rechtbank zwaar. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor hen vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Verdachte heeft daarnaast niet alleen een gestolen giropas in zijn bezit gehad, maar heeft deze giropas ook gebruikt om zichzelf ten koste van het slachtoffer te verrijken. Hiermee heeft verdachte het slachtoffer niet alleen schade maar ook ongemak en overlast bezorgd.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 februari 2009, waaruit blijkt dat de verdachte reeds vele malen eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

Verdachte is een veelpleger volgens de richtlijnen van het LOVS. De rechtbank zal daarom de oriëntatiepunten van het LOVS zoals die gelden voor veelplegers tot uitgangspunt nemen voor het bepalen van de strafmaat. De rechtbank houdt er ten gunste van verdachte rekening mee dat verdachte nog jong is en dat hij naar eigen zeggen openstaat voor hulpverlening op diverse leefgebieden. Vaststaat dat intensieve hulpverlening in het verleden geen zichtbaar resultaat heeft opgeleverd. De rechtbank acht echter de kans dat recidive kan worden voorkomen door naast een gevangenisstraf begeleiding door de reclassering op te leggen groter dan de kans dat een kale gevangenisstraf recidive voorkomt. De rechtbank vindt daarom dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf alleen onvoldoende is: begeleiding na afloop van de gevangenisstraf is noodzakelijk. Om die reden zal de rechtbank ook een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met daarbij verplicht reclasseringscontact, ook als dat inhoudt deelnemen aan het programma Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer (NPT), zoals ook is voorgesteld door de reclassering.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 3] heeft een schadevergoeding gevorderd van

€ 1.000,- voor feit 1.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 3], te weten € 1.000,- ,in het geheel, hoofdelijk, toegewezen dient te worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman is van mening dat er voor feit 1 een vrijspraak dient te volgen en dat om die reden de vordering van de benadeelde partij, [aangever 3], niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit onder 1 subsidiair en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd om de in beslag genomen goederen terug te geven aan verdachte. De verdediging is het hiermee eens.

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7.2 De verbeurdverklaring

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen bedrag van € 230,-- is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu dit bedrag aan verdachte toebehoort en het bedrag door middel van de bewezen verklaarde heling is verkregen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 33, 33a, 36f, 47, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

ten aanzien van feit 1 subsidiair: medeplegen van opzetheling;

ten aanzien van feit 2 en feit 3: telkens: medeplegen van diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Centrum Maliebaan, ook indien dit inhoudt begeleiding vanuit Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer (NPT);

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3] van een bedrag van € 1.000,-, ter zake van materiële schade:

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 3], € 1.000,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geldbedrag van € 230,-;

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten één zilverkleurige mobiele telefoon, merk: Nokia 6230i, handschoenen en schoenen;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en

mr. C.W. Bianchi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 april 2009.