Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI1791

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
16/601526-08 en 601247-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is wegens afpersing, bedreiging en mishandeling de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD)opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601526-08 en 601247-08 (t.t.z. gevoegd) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 april 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1974] te [geboorteplaats] (Marokko)

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein

raadsman mr. G.J. Boven, advocaat te Leusden

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 31 maart 2009, waarbij de officier van justitie, mr. A.M.F. van Veghel, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte,

in de zaak met parketnummer 16/601526-08;

1. met geweld en bedreiging met geweld een ander heeft gedwongen tot afgifte van een personenauto;

2. een ander heeft bedreigd;

3. een ander heeft mishandeld ;

4. een ander heeft bedreigd en

in de zaak met parketnummer 16/601247-08

1. een deur/ruit heeft vernield.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op aangiften en getuigenverklaringen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten kan komen, omdat de feiten een andere lezing behoeven en zijn cliënt de schijn tegen heeft.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft ten aanzien van elk hem ten laste gelegde feit verklaard dat het niet zo is gegaan als aangevers, getuigen en/of politie hebben verklaard. Nu het niet handelt om slechts één feit en er een overvloed aan andersluidende bewijsmiddelen ligt, acht de rechtbank het standpunt van verdachte en de daarmee samenhangende verweren niet geloofwaardig.

De rechtbank acht de onder 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 16/601526-08 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de aangifte van [slachtoffer];

- de getuigenverklaring van [getuige 1];

- de getuigenverklaring van [getuige 2];

- de getuigenverklaring van [getuige 3].

Aangever [slachtoffer] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Aangever was op 25 december 2008 in de woning van verdachte aanwezig. Hij heeft toen cocaïne van verdachte weggenomen en die cocaïne samen met [getuige 1] gebruikt. Toen verdachte wakker werd en ontdekte dat er cocaïne verdwenen was, werd hij agressief. Verdachte heeft aangever met kracht en gebalde vuist ongeveer drie keer tegen het hoofd geslagen . Aangever voelde daarna bloed langs zijn neus lopen. Verdachte heeft aangever twee harde schoppen tegen zijn achterwerk gegeven, waarna aangever pijn voelde. Verdachte heeft aangever harde klappen tegen het achterhoofd gegeven. Verdachte heeft tegen aangever gezegd: “Ik snij je strot door.” Ik ga jullie neuken, ik pak je vrouw, je moeder, je kinderen, als je ’s nachts ligt te slapen dan snij ik je keel door.”

Verdachte heeft vervolgens een blaadje uit een kladblok gescheurd en tegen aangever gezegd: “ga zitten, jij hebt mij bestolen en nu ga ik jou bestelen, je auto ben je kwijt.” Aangever heeft verklaard dat hij zo bang was geworden dat hij op dat moment alles wel wilde doen wat verdachte hem vroeg. Verdachte heeft de tekst op het papiertje gedicteerd . De inhoud van de tekst komt erop neer dat aangever zijn auto, een Hyundai, op 25 december 2008 voor € 1.600,- heeft verkocht aan verdachte. Aangever moest vervolgens zijn handtekening zetten en heeft dat gedaan. Hierna heeft verdachte tegen aangever gezegd dat hij zijn vrouw moest bellen om haar mede te delen dat hij de auto verkocht had wegens een schuld aan verdachte en dat er iemand langs zou komen om de overschrijvingspapieren te halen. Aangever heeft verklaard dat hij, toen zijn vrouw hem vroeg of hij bedreigd werd, ontkennend heeft geantwoord, omdat hij bang was voor verdachte . Inmiddels was een vrouw, [getuige 3], de woning van verdachte binnen gekomen en zij heeft van verdachte opdracht gekregen de autopapieren bij de echtgenote van aangever op te halen . Verdachte heeft geld op tafel gelegd voor de auto maar het geld weer terug in eigen zak gestopt .

Getuige [getuige 1] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Hij was op 25 december 2008 in de woning van verdachte in Amersfoort, samen met aangever [slachtoffer] . Toen verdachte er achter kwam dat er cocaïne van hem was weggenomen, werd verdachte kwaad. Getuige heeft gezien dat verdachte aangever met kracht en zowel met zijn vlakke hand als met zijn vuist op zijn hoofd en in zijn gezicht sloeg. Getuige heeft gehoord dat verdachte tegen aangever heeft gezegd dat hij zijn strot zou doorsnijden en dat verdachte heeft gezegd dat hij hun zou neuken . Vervolgens moest aangever bij verdachte aan tafel komen zitten en een briefje schrijven dat door verdachte werd gedicteerd. In dat briefje stond dat aangever zijn auto voor € 1.600,- aan verdachte had verkocht. [getuige 3] moest met een taxi naar de woning van aangever om de autopapieren en reservesleutels op te halen en zij is daar later mee terug gekomen .

De getuige [getuige 2] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Op 25 december 2008 heb ik kentekenbewijs deel 1 en het overschrijvingsbewijs van het kenteken gegeven. Genoemde vrouw zij dat ze [getuige 3] genaamd was. Later heb ik van [slachtoffer] (noot rechtbank: aangever [slachtoffer]) gehoord dat ze [getuige 3] is genaamd .

De verklaring van [getuige 3] ondersteunt de verklaringen van aangever en getuige [getuige 1] zowel voor wat betreft het toegepaste geweld als het onder dwang afstaan van de auto . Zij heeft voorts expliciet verklaard dat verdachte geen geld heeft betaald voor de auto .

Ten aanzien van het onder 2 in de zaak met parketnummer 16/601526-08 ten laste gelegde feit voegt de rechtbank nog de volgende bewijsmiddelen toe.

-De verklaring van [getuige 2];

-De verklaring van verdachte.

Getuige [getuige 2] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Zij werd op 29 december 2008 gebeld door een man die zij aan zijn stem herkende als verdachte. Verdachte werd kwaad en zei: “Ik zweer het op de dood van mijn moeder dat ik je afmaak en je kinderen en je huis in de fik steek” .

Verdachte heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Ik herinner mij opeens dat ik op maandagmiddag (noot rechtbank: 29 december 2008) heb gebeld naar het vaste nummer van [slachtoffer] (noot rechtbank: aangever [slachtoffer]). Ik hoorde dat zij (noot rechtbank: [getuige 2]) zei dat die auto gewoon terug kwam .

De raadsman heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat verdachte heeft verklaard dat aangever geld van hem heeft gestolen en de auto daarom vrijwillig aan hem heeft verkocht. De echtgenote van aangever zal boos op hem zijn geweest en dan krijg je verhalen als de onderhavige. De verklaring van aangever en getuige is achteraf geconstrueerd. Verdachte is terecht boos geweest toen hij ontdekte dat hij geript was door aangever en hij zal toen een tik uitgedeeld hebben. Meer is er niet gebeurd. De auto is niet afgeperst. Dit blijkt uit het feit dat aangever, toen hij zijn vrouw belde, tegen haar heeft gezegd dat hij niet werd bedreigd. Daarnaast heeft de echtgenote van aangever zonder commentaar en zonder op dat moment de politie te bellen de autopapieren afgegeven aan [getuige 3] ([getuige 3]). Alles aldus de raadsman.

De rechtbank volgt dit betoog niet.

Getuige [getuige 3] ([getuige 3]) ondersteunt niet alleen de verklaringen van aangever en getuige [getuige 1], maar ook de verklaring van de echtgenote van aangever, onder meer daar waar zij heeft verklaard dat [getuige 3] haar gezegd had dat zij aangifte moest doen bij de politie.

Het advies van [getuige 3] aan de echtgenote van aangever om aangifte te doen bij de politie heeft zij gegeven op het moment dat aangever nog in de woning van verdachte was. Het betoog dat er achteraf een verhaal is geconstrueerd vindt daarom geen steun in de bewijsmiddelen en is ook overigens niet aannemelijk geworden. De rechtbank merkt in dit verband op dat er geen tijd is geweest om dergelijke afspraken over de auto te maken.

De verdachte staat daarnaast alleen in zijn verklaring dat aangever geld van hem heeft gestolen en in ruil daarvoor vrijwillig zijn auto aan verdachte heeft verkocht.

De rechtbank acht het onder 4 in de zaak met parketnummer 16/601526-08 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

-De verklaring van aangever [naam];

-De verklaring van getuige [getuige 4];

-De verklaring van verdachte afgelegd bij de politie.

Aangeefster [naam] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Zij was op 11 november 2008 aan het werk in een café in Amersfoort. Verdachte kwam binnen en werd boos op aangeefster . Verdachte heeft toen gezegd dat hij aangeefster ging afmaken en dat haar leven niet meer veilig was. Verdachte heeft daarna een mes uit zijn zak gehaald, zijn linkerhand op tafel gelegd en met zijn rechterhand het mes in de tafel gestoken ter hoogte van zijn linkerhand. Verdachte heeft toen tegen aangeefster gezegd: “zo doe ik dat met jullie ook, ook al heb je een Marokkaanse vriend….ook die maak ik af” .

Getuige [getuige 4] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Ik zag dat verdachte tegen mijn medewerker mevrouw [naam] stond te schreeuwen. Ik zag dat mevrouw [naam] bang was. Hij heeft gezegd: “als je aangifte doet dan ga ik je doodmaken”. Daarna zag ik dat hij een mes in zijn rechterhand had. Ik zag dat hij bewegingen met het mes naar zijn linker hand maakte, alsof hij met het mes in zijn eigen hand zou steken. Ik hoorde dat hij toen ook de woorden schreeuwde: “zo ga ik ook bij jullie doen, ik maak jullie af .

Verdachte heeft, zakelijk weergegeven, bij de politie het volgende verklaard:

Ik legde mijn linkerhand plat op tafel. Ik had het heft van het mes in mijn rechterhand met het lemmet omlaag gericht. Ik zette de punt van het mes links van mijn hand op tafel en maakte een beweging met het mes alsof ik over mijn eigen hand zou snijden .

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 16/601247-08 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- De aangifte namens woningstichting [naam];

- Een proces-verbaal bevindingen van de politie;

- De verklaring van getuige [getuige 5].

Op 20 oktober 2008 doet [naam] rayonopzichter voor woningstichting [naam], aangifte van het wederrechtelijk en opzettelijk vernieling van een ruit in een balkondeur van de woning [adres] te [woonplaats], zijnde een woning die in zijn takenpakket zit.

Een proces-verbaal bevindingen van de politie waarin het volgende is gerelateerd.

Op zondag 19 oktober 2008 waren wij bij een woning aan de [adres] te [woonplaats]. Wij spraken een man op het balkon aan. Wij herkenden deze man als [verdachte]. Wij zagen dat het glas van de balkondeur vernield was . Wij hebben gesproken met de jongen die zich in de woning bevond. Wij hoorden de jongen verklaren dat verdachte de ruit had vernield .

De verklaring van getuige [getuige 5]

Getuige zag dat zijn broer [verdachte] de ruit van de deur intrapte .

Verdachte heeft betoogd dat niet hij, maar zijn neefje de ruit heeft ingetrapt. De raadsman heeft betoogd dat niemand heeft gezien dat de ruit wordt ingetrapt en voorts dat in het proces-verbaal bevindingen niet is gerelateerd dat getuige [getuige 5] in de woning aanwezig was en dat [getuige 5] pas later (noot rechtbank: op 21 oktober 2008) bij de politie een verklaring heeft afgelegd, zodat deze verklaring onjuist is.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

De conclusie van de raadsman dat de broer van verdachte niet in de woning aanwezig was en zijn verklaring onjuist is, omdat hij niet wordt genoemd in het proces-verbaal van relaas, is naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

Er is geen enkele aannemelijke verklaring waarom het neefje van verdachte de ruit ingetrapt zou hebben. Het was verdachte die buiten op het balkon stond te schreeuwen, terwijl het neefje zich in de woning bevond .

3.4 De bewezenverklaring

In de zaak met parketnummer 16/601526-08

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan met dien verstande dat:

hij op 25 december 2008 te Amersfoort met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen met geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van een auto merk Hyundai en de daarbij behorende delen van een kentekenbewijs toebehorende aan [slachtoffer], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte die [slachtoffer] meermalen tegen diens hoofd heeft geslagen/gestompt en die [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd: “Ik snij je strot door” en “Ik ga jullie neuken, ik pak je vrouw, je moeder, je kinderen, als je ’s nachts ligt te slapen, snij ik je keel door” en vervolgens onder dwang die [slachtoffer] een eigendomsoverdracht van die auto heeft laten schrijven/ondertekenen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 25 december 2008 tot en met 29 december 2008 te Amersfoort, [slachtoffer] en [getuige 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting, immers heeft verdachte telkens opzettelijk voornoemde [slachtoffer] en [getuige 2] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik snij je strot door” en “je huis steek ik in de fik”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan met dien verstande dat:

hij op 25 december 2008 te Amersfoort opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] meermalen tegen diens hoofd/lichaam geslagen/geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan met dien verstande dat:

hij op 11 november 2008 te Amersfoort een persoon, genaamd [naam], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk dreigend in de nabijheid van voornoemd persoon een mes in een tafel geprikt en daarbij voornoemde persoon dreigend de woorden toegevoegd: “zo doe ik dat met jullie ook, ook al heb je een Marokkaanse vriend….ook die maak ik af”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

In de zaak met parketnummer 16/601247-08

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan met dien verstande dat:

hij op 19 oktober 2008 te Amersfoort opzettelijk en wederrechtelijk een deurruit toebehorende aan Woningstichting [naam] heeft vernield door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk die ruit kapot te trappen.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/601526-08

Feit 1: Afpersing

Feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en

Bedreiging met brandstichting.

Feit 3: Mishandeling

Feit 1, feit 2 ten eerste en feit 3 zijn in ééndaadse samenloop gepleegd.

Feit 4: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/601247-08

Vernieling

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD).

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken moet worden van alle hem ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft verder gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van aan verdachte ten laste gelegde feiten komt, verdachte niet thuis hoort in de ISD en heeft daartoe het volgende aangevoerd: Verdachte leeft niet op straat, maar woont in het huis van zijn moeder. Verdachte veroorzaakt niet voortdurend overlast. Indien verdachte niet is gedetineerd, heeft hij altijd werk. Verdachte is nooit afhankelijk geweest van een uitkering. Justitie heeft zijn kans voorbij laten gaan door van een in een eerdere strafzaak opgelegde voorwaardelijke ISD niet de tenuitvoerlegging te vorderen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft in een tijdsbestek van net iets meer dan twee maanden de hiervoor bewezenverklaarde feiten gepleegd. De in de onderhavige zaak bewezen verklaarde feiten zijn allemaal feiten met een geweldadige dan wel agressieve lading die gepleegd zijn terwijl verdachte verkeerde onder invloed van verdovende middelen. Dit laatste blijkt onder meer uit het proces-verbaal bevindingen genoemd in noot 20 en de verklaringen van aangever [slachtoffer] en getuige [getuige 1], die beiden hebben verklaard dat verdachte voor, tijdens en na de gewelddadige handelingen cocaïne gebruikte.

Het kan niet anders dan dat het gedrag van verdachte de slachtoffers psychische schade heeft toegebracht zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen van [naam] en [slachtoffer].

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 2 januari 2009;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van het Centrum Maliebaan d.d. 23 februari 2009, opgemaakt door N.J.A. van Luijk, casemanager GAVO;

- de mondelinge verklaring van mevrouw J. van Spaandonk van de GAVO (Geïntegreerde Aanpak Verslavingsproblematiek en Overlast) , afgelegd ter terechtzitting van 1 april 2009.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank het volgende meegewogen. Verdachte heeft een uitgebreid strafblad met daarop voornamelijk vermogens- en geweldsdelicten. Uit het voorlichtingsrapport blijkt dat er bij verdachte een zeer hoge recidivekans aanwezig is. De aandachtsgebieden zijn druggebruik, alcoholgebruik, denkpatronen, gedrag en vaardigheden. Extra inspanning op deze leefgebieden zal volgens Risc noodzakelijk zijn om recidive te voorkomen. Verdachte is primair crimineel en secundair verslaafd hetgeen behandeling moeilijk maakt. Het drugsgebruik is niet bespreekbaar met verdachte, terwijl Van Luijk stelt dat het er alle schijn van heeft dat verdachte verder afglijdt in zijn verslaving. In het rapport voornoemd wordt geconcludeerd dat oplegging aan verdachte van de ISD-maatregel wenselijk en noodzakelijk is. Deze conclusie is ter terechtzitting bevestigd door mevrouw Van Spaandonk van de GAVO. Zij heeft verklaard dat acht jaar lang tevergeefs geprobeerd is om verdachte van zijn verslaving af te helpen. Verdachte vindt echter dat hij geen probleem heeft en hij is niet gevoelig voor drang. Het drugsgebruik van verdachte is volgens mevrouw Van Spaandonk in de afgelopen tijd toegenomen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd moet worden.

De door verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. Immers d.d. 3 mei 2005 is verdachte veroordeeld tot - kort gezegd - een gevangenisstraf van 5 maanden met aftrek, wegens twee diefstallen, een bedreiging met misdrijf tegen het leven gericht en eenvoudige belediging van een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en d.d. 27 september 2005 is verdachte veroordeeld tot - kort gezegd - een gevangenisstraf van 12 weken waarvan 6 weken voorwaardelijk met aftrek, wegens eenvoudige belediging van een ambtenaar ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, poging zware mishandeling, mishandeling en bedreiging met zware mishandeling. Voorts moet er, gelet op het genoemde voorlichtingsrapport en de verklaring van Van Spaandonk ter zitting afgelegd, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van goederen eist het opleggen van de maatregel. De maatregel strekt voorts tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van de verdachte. Nu verdachte aan drugs verslaafd is, strekt de maatregel er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van zijn verslavings- problematiek.

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van 2 jaar opleggen. De tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht zal niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel. Immers voor een effectieve uitvoering van de maatregel is noodzakelijk dat daarvoor de volledige termijn van het programma van 2 jaar beschikbaar is.

Wel zal de rechtbank, met het oog op een tussentijdse beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel bepalen dat de officier van justitie binnen 9 maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis de rechtbank hieromtrent dient te berichten.

6 De benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de in de strafzaak met parketnummer 16/601526-08 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 50,- wegens materiële schade en een bedrag van

€ 500,- wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte in de strafzaak met parketnummer 16/601526-08 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 200,-.De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van

€ 200,- worden toegewezen.

Het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank afwijzen, nu ten aanzien van de materiële schade niet is komen vast te staan dat deze schade het gevolg is geweest van de in de strafzaak met parketnummer 16/601526-08 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten en nu ten aanzien van de immateriële schade een hoger bedrag aan schade dan hiervoor is vastgesteld niet aannemelijk is geworden.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

7 Het beslag

7.1 De verbeurdverklaring

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen die aan verdachte toebehoren, te weten:

- een zwart vleesmes en

- een duikersmes

zullen worden verbeurd verklaard, aangezien

met behulp van deze voorwerpen het in de strafzaak met parketnummer 601526-08 onder 4 bewezenverklaarde is begaan dan wel tot het begaan van dat misdrijf zijn bestemd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 38m, 38n, 38s, 55, 57, 285, 300, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/601526-08

Feit 1: Afpersing

Feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en

Bedreiging met brandstichting.

Feit 3: Mishandeling

Feit 1, feit 2 ten eerste en feit 3 zijn in ééndaadse samenloop gepleegd.

Feit 4: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/601247-08

Vernieling

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis bericht over de noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel.

Beveelt met het oog op een tussentijdse beoordeling van die noodzakelijkheid de oproeping van de veroordeelde, diens raadsman en een deskundige verbonden aan de inrichting voor een zitting van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank tegen een nog nader te bepalen tijdstip.

Beslag

verklaart verbeurd de navolgende inbeslaggenomen voorwerpen:

- een zwart vleesmes en

- een duikersmes

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te (woonplaats), ten dele toe tot een bedrag van € 200,- (zegge tweehonderd euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 200,- (zegge tweehonderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mr. P. Wagenmakers en mr. R.P.G.L.M. Verbunt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 april 2009.