Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI1684

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
21-04-2009
Zaaknummer
SBR 07/413 WOB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL1790, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een verzoek ingediend bij de Politie Utrecht om inzage van de documenten die betrekking hebben op vier incidenten in Utrecht. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat aangiften en verklaringen van slachtoffers, verklaringen van verdachten en getuigenverklaringen niet onder de reikwijdte van de Wob valllen omdat ze geen informatie over een bestuurlijke aangelegenheid bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen dergelijke documenten bezien in samenhang met andere op een zaak betrekking hebbende stukken onder omstandigheden inzicht geven in de wijze waarop de politie de haar opgedragen taken en bevoegdheden, waaronder bijvoorbeeld de beslissing om tot verdere opsporingshandelingen over te gaan dan wel hiervan af te zien, uitoefent.

Met betrekking tot een deel van de overgelegde documenten is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij integraal onder het regime van de Wet politieregisters vallen, zodat deze wet zich tegen openbaarmaking ervan verzet.

Voor de overige documenten is de rechtbank van oordeel dat daarin niet grotendeels of uitsluitend sprake is van persoonsgegevens in de zin van de Wet Politieregisters, hetgeen overigens niet noodzakelijkerwijs betekent dat deze documenten in het geheel geen persoonsgegevens bevatten, die met een beroep op de Wet Politieregisters onleesbaar gemaakt kunnen worden. Waar verweerder zich met betrekking tot (passages in) deze documenten, die geen persoonsgegevens zijn als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wbp, subsidiair op het standpunt heeft gesteld dat zich één van de weigeringsgronden van de Wob voordoet, is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd. Niet inzichtelijk is welke weigeringsgrond op welke passage van toepassing is en welke motivering daaraan ten grondslag ligt. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/413 WOB

uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 17 april 2009

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen

de korpsbeheerder van de Politie Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 februari 2007, waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 11 augustus 2006 gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond heeft verklaard.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 15 januari 2009, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. H. van Drunen. Namens verweerder zijn verschenen mr. M.B. Vlaskamp en mr. D.E. Blonk, werkzaam bij verweerder.

Overwegingen

2.1 In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder terecht heeft besloten tot geheimhouding van een aantal documenten.

2.2 Bij brief van 16 april 2006 heeft eiser verzocht om afschriften van alle documenten die betrekking hebben op de mishandeling van rechts-extremistische jongeren op de [adres A] te Utrecht in de nacht van 25 op 26 november 2005 (hierna: incident 1), het onderzoek naar de mishandeling van een Surinaamse jongen in Utrecht op 26 oktober 2005 (hierna: incident 2), de incidenten rond een Irakees gezin in de [adres B] in de Bokkenbuurt in Utrecht van de laatste paar maanden (hierna: incident 3) en de verwijdering van posters van de organisatie Voorpost door de politie in Nieuwegein en De Meern, aangetroffen in het weekend van 21 en 22 januari 2006 (hierna: incident 4).

2.3 Bij besluit van 11 augustus 2006 is openbaarmaking van alle gevraagde documenten geweigerd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 januari 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft een deel van de hiervoor onder 2.2. genoemde documenten aan eiser verstrekt.

2.4 Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de –ten tijde van het bestreden besluit van kracht zijnde– Wet politieregisters wordt onder politieregister of register verstaan een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende persoonsgegevens

- die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd, en

- die is aangelegd ten dienste van de uitvoering van de politietaak.

2.5 Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder h, van dit artikel wordt onder het verstrekken van gegevens uit een politieregister verstaan het bekend maken of ter beschikking stellen van persoonsgegevens, voor zover zulks geheel of grotendeels steunt op gegevens die in dat politieregister zijn opgenomen, of die door verwerking daarvan, al dan niet in verband met andere gegevens, zijn verkregen.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder i, wordt onder persoonsgegevens verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

2.6 Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wbp wordt onder persoonsgegevens verstaan elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

2.7 Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) wordt een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 1, onder b, van de Wob wordt onder een bestuurlijke aangelegenheid verstaan een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering daarvan.

2.8 Met toepassing van artikel 8:29 van de Awb heeft de rechtbank kennis genomen van de documenten die door verweerder ter beschikking zijn gesteld en die betrekking hebben op de voornoemde vier incidenten. Eiser heeft bij brief van 6 november 2007 toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

2.9 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Wob niet van toepassing is op de aangiften en verklaringen van slachtoffers, verklaringen van verdachten en getuigenverklaringen, omdat deze documenten geen informatie over een bestuurlijke aangelegenheid bevatten. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. De term bestuurlijke aangelegenheid moet ruim worden opgevat, aldus de Memorie van Toelichting. Een verzoek om informatie betreft een bestuurlijke aangelegenheid als het verband houdt met de beleidsvorming, beleidsvoorbereiding of beleidsuitvoering van een bestuursorgaan. Het begrip ‘bestuurlijk’ omvat niet slechts de uitoefening van bestuurlijke taken en het gebruik van bestuursbevoegdheden, maar heeft betrekking op ‘het openbaar bestuur in al zijn facetten’. Naar het oordeel van de rechtbank vallen hieronder eveneens aangiften en verklaringen van slachtoffers en verklaringen van verdachten en getuigen. In samenhang bezien met andere op een zaak betrekking hebbende documenten kunnen dergelijke verklaringen onder omstandigheden inzicht geven in de wijze waarop de politie de haar opgedragen taken en bevoegdheden, waaronder bijvoorbeeld de beslissing om tot verdere opsporingshandelingen over te gaan dan wel hiervan af te zien, uitoefent.

De openbaarmaking van dergelijke documenten kan derhalve niet categoriaal worden geweigerd. Per document of onderdeel daarvan zal een beoordeling plaats moeten vinden of de Wet Politieregisters dan wel de weigeringsgronden van de Wob zich tegen openbaarmaking verzetten.

2.10 De rechtbank ziet zich derhalve geplaatst voor de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Wet politieregisters voor een groot aantal documenten aan openbaarmaking daarvan in de weg staat, nu deze uitsluitend of grotendeels persoonsgegevens bevatten in de zin van de Wet politieregisters. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) (zie o.m. de uitspraak van 29 november 2006, LJN: AZ3237) heeft het verstrekkingenregime van de Wet politieregisters uitsluitend betrekking op persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wbp en niet op documenten waarin deze gegevens kunnen zijn vervat. Voorts ziet het begrip persoonsgegevens in de Wet politieregisters niets slechts op personalia en de hoedanigheid van personen, maar tevens op de gegevens die herleidbaar zijn tot personen.

2.11 Na te hebben kennis genomen van alle door verweerder aan de rechtbank ter beschikking gestelde documenten, komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Ten aanzien van een aantal documenten, althans in voorkomende gevallen ten aanzien van de weggelakte passages daarin, volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat deze uitsluitend of grotendeels persoonsgegevens bevatten in de zin van de Wet politieregisters, gelezen in samenhang met de Wbp. Het gaat dan om de volgende documenten. Met betrekking tot incident 1: de mutatie van 25 november 2005, 20.33 uur, de beide processen-verbaal van bevindingen van 13 december 2005, het proces-verbaal van verhoor van 25 januari 2006, het proces-verbaal van 31 januari 2006, het proces-verbaal van bevindingen van 14 december 2005 en de mutatie van 25 november 2005, 21.54 uur. Met betrekking tot incident 2: het proces-verbaal van aangifte van 26 oktober 2005, de zes mutaties van 26 oktober 2005, 9.03 uur, 14.37 uur, 12.13 uur, 21.56 uur, 12.40 uur en 11.57 uur, het proces-verbaal van verhoor van 31 oktober 2005 en het proces-verbaal van bevindingen van 1 november 2005. Met betrekking tot incident 3: de mutaties van 1 januari 2006 van 3.03 uur, 22.29 uur, 18.44 uur, 15.56 uur, 15.14 uur, 11.03 uur en 13.41 uur, het proces-verbaal van bevindingen van 19 januari 2006 met uitzondering van de weggelakte leuzen, het proces-verbaal van verhoor van 11 februari 2006, de processen-verbaal van aanhouding van 24 maart 2006, de processen-verbaal van verhoor van 24 maart 2006, de mutaties in vrijheid van 24 maart 2006, de reden sepot van 25 april 2006, de brieven van verbalisant Van Ramselaar van 25 april 2006, de mutatie van 11 februari 2006 van 9.32 uur en het proces-verbaal van aangifte van 11 februari 2006.

Een deel van deze documenten bevat gegevens waaruit, door het kleine aantal betrokkenen over wie wordt gerelateerd, door betrokkenen kan worden afgeleid over wie wordt gerelateerd. Voorts bevat een deel van deze documenten geen dan wel slechts zeer summier algemene, niet tot aanwijsbare personen te herleiden informatie. Verweerder heeft zich dan ook met betrekking tot alle voornoemde documenten terecht op het standpunt gesteld dat zij integraal onder het regime van de Wet politieregisters vallen, zodat deze wet zich tegen openbaarmaking ervan verzet.

2.12 Met betrekking tot de volgende documenten is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de daarin vervatte gegevens tot personen herleidbaar zijn en om die reden persoonsgegevens in de zin van de Wet Politieregisters zouden zijn. Met betrekking tot incident 1 de opgemaakte mutatie van 25 november 2005, 23.06 uur en met betrekking tot incident 3 het opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 3 februari 2006. De rechtbank overweegt uitdrukkelijk dat zij niet uitsluit dat inderdaad sprake is van persoonsgegevens, echter zonder nadere motivering van verweerder is niet inzichtelijk waarom dit zo is. Verweerder heeft deze toelichting in het bestreden besluit niet gegeven, zodat dit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.13 Voor alle overige documenten en ten aanzien van de geschreeuwde leuzen die zijn weggelakt in het proces-verbaal van bevindingen van 19 januari 2006 is de rechtbank van oordeel dat daarin niet grotendeels of uitsluitend sprake is van persoonsgegevens in de zin van de Wet Politieregisters, hetgeen overigens niet noodzakelijkerwijs betekent dat deze documenten in het geheel geen persoonsgegevens bevatten, die met een beroep op de Wet Politieregisters onleesbaar gemaakt kunnen worden. Waar verweerder zich met betrekking tot (passages in) deze documenten, die geen persoonsgegevens zijn als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wbp, subsidiair op het standpunt heeft gesteld dat zich één van de weigeringsgronden van de Wob voordoet, is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd. Niet inzichtelijk is welke weigeringsgrond op welke passage van toepassing is en welke motivering daaraan ten grondslag ligt. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit ook om deze reden genomen in strijd met het motiveringsbeginsel.

2.14 Met betrekking tot eisers stelling dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd afschriften ter beschikking te stellen die betrekking hebben op het onderzoek van agent [X] overweegt de rechtbank dat verweerder eisers verzoek om ‘verslagen van het werk van agent [X]’ terecht beperkt heeft opgevat, nu eiser daarnaast expliciet vroeg om onder andere processen-verbaal en mutaties. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet beschikt over verslagen van het werk van agent [X]. Deze mededeling van verweerder komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor, zodat het ingevolge vaste jurisprudentie van de ABRvS in beginsel aan eiser is om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd.

2.15 Eiser heeft in de bezwaarfase verzocht om toepassing van artikel 7:15 van de Awb. Verweerder heeft zich (uiteindelijk) op het standpunt gesteld dat eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding van 2 punten à € 322,- voor het bezwaarschrift en het bijwonen van de hoorzitting met een wegingsfactor van 0,5. Naar de mening van verweerder staat een wegingsfactor van 0,5 in verhouding tot de prestatie van de gemachtigde, die ter zake inmiddels zeer kundig is en diverse gerechtelijke procedures voert. Eiser heeft bestreden dat de vraag of een gemachtigde ter zake kundig is of niet en het feit dat er meerdere, gelijksoortige procedures lopen geen redenen zijn om het gewicht van een zaak als licht te bestempelen. De rechtbank volgt eiser hierin. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid ervan en de rechtbank ziet in deze zaak geen reden om af te wijken van de regel dat een zaak in beginsel als ‘gemiddeld’ wordt aangemerkt en een wegingsfactor van 1 heeft. Ook in zoverre is het beroep derhalve gegrond.

2.16 De bestreden beschikking kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 7:12 en 7:15 van de Awb. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. In dit nieuw te nemen besluit dient verweerder tevens opnieuw te beslissen op eisers verzoek om een vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van zijn bezwaar heeft moeten maken.

2.17 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-).

2.18 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad € 143,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op om binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen;

bepaalt dat de Politie Utrecht het door eiser betaalde griffierecht van € 143,- aan hem vergoedt;

veroordeelt de Politie Utrecht in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van

€ 644,-, te betalen door verweerder aan eiser.

Aldus vastgesteld door mr. M. ter Brugge, als voorzitter, en mr. K.J. Veenstra en mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse, als leden, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2009.

De griffier: De voorzitter:

mr. M.L. Bressers mr. M. ter Brugge

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.