Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI1182

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
239001 / HA ZA 07-2031
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Non-conformiteit; artikel 7:17 BW; artikel 6 WKV; Door verkopers (gevestigd in Nederland en Italië) geproduceerd en geleverd RVS ten behoeve van varkensroosters zou non-conform zijn en voor beoogde toepassing ongeschikt, ondanks gegeven garantie. Verkoper zou bovendien onderzoeks-en mededelingsplicht hebben geschonden. Niet is echter gebleken van enig tekortkomen in de zin van artikel 7:17 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 239001 / HA ZA 07-2031

Vonnis van 15 april 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [plaats]

eiseres,

advocaat mr. M.R. Ruygvoorn,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VALBRUNA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

2. de vennootschap naar Italiaans recht

ACCIAIERIE VALBRUNA S.p.A.,

gevestigd te Bolzano, Italië,

gedaagden,

advocaat mr. W.A.M. Rupert.

Eiseres zal hierna [eiseres] worden genoemd. Gedaagden zullen worden aangeduid als Valbruna Nederland en Valbruna Italië. Gedaagden gezamenlijk zullen Valbruna c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen d.d. 31 augustus 2007 en 3 september 2007;

- de akte overlegging producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, met producties;

- de conclusie van dupliek, met producties;

- de akte overlegging producties aan de zijde van [eiseres];

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnota’s.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] produceert en verkoopt roosters voor varkensstallen. Valbruna c.s. is een producent van en groothandel in roestvast staal (RVS). Valbruna Nederland is een dochtermaatschappij van Valbruna Italië.

2.2. In de periode van 2001 tot en met 2006 heeft [eiseres] diverse partijen RVS besteld bij en geleverd gekregen van Valbruna c.s. In het eerste deel van deze periode betrof het RVS 304.

2.3. Op 26 juni 2003 heeft [eiseres] aan Valbruna c.s. de specificaties overgelegd van het type RVS 204 Cu, dat door een andere fabrikant, Ugine, werd geproduceerd. In deze specificaties is onder andere het volgende opgenomen:

“(…)

The austenitic structure and properties of Ugine 204Cu and 1.4301 (or AISI 304) stainless steels are very similar. However, the chemical composition of 204Cu is different. Its chrome level is similar, but with much less nickel, (…)

204Cu is suitable for (…) welding assembly (all types) (…)

204 Cu can replace 1.4301 steel under most circumstances, particularly in the case of exposure to atmospheric environments or to slightly acid or saline environments, when used in contact with food, and so on. (…)”

2.4. Aan de hand van voornoemde van Ugine afkomstige specificaties hebben Valbruna c.s., op verzoek van [eiseres], RVS 204 Cu geproduceerd (door haar ook wel genaamd AIMU). In de periode van eind 2004, begin 2005 tot in de tweede helft van 2005 heeft [eiseres] RVS 204 Cu van Valbruna c.s. afgenomen. Vanaf eind 2005 zijn Valbruna c.s. RVS 201 aan [eiseres] gaan leveren.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. een verklaring voor recht dat Valbruna c.s. toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de met [eiseres] gesloten overeenkomsten, althans onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld, nu het geleverde RVS (201 en 204 Cu) ondeugdelijk is;

2. een verklaring voor recht dat Valbruna c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [eiseres] uit hoofde van voormeld toerekenbaar tekortkomen, althans onrechtmatig handelen en gehouden zijn de daardoor door [eiseres] geleden en nog te lijden schade te vergoeden;

3. hoofdelijke veroordeling van Valbruna c.s. tot volledige vervanging van het ondeugdelijke materiaal door een wel geschikte kwaliteit alsmede tot vergoeding van

de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, doch in ieder geval bedragende EUR 195.000,00;

4. een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 september 2006;

5. hoofdelijke veroordeling van Valbruna c.s. tot betaling van EUR 3.400,00 excl. BTW op grond van artikel 6:96 sub b BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 september 2006;

6. hoofdelijke veroordeling van Valbruna c.s. tot betaling van EUR 13.615,00 op grond van artikel 6:96 sub c BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 september 2006;

7. hoofdelijke veroordeling van Valbruna c.s. in de proceskosten;

8. hoofdelijke veroordeling van Valbruna c.s. in de nakosten.

3.2. Valbruna c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Naamswijziging [eiseres]

4.1. Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] aangegeven dat de vervaardiging en verkoop van (gewone) vloerroosters thans geschiedt door [naam] De onderhavige procedure is evenwel gestart door (voorheen) [eiseres], zodat het vonnis op naam van deze procespartij zal worden gewezen.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.2. Deze rechtbank is bevoegd tot kennisname van de vorderingen ingesteld tegen Valbruna Nederland op grond van het bepaalde in artikel 99 lid 1 Rv.

Nu Valbruna Italië gevestigd is op het grondgebied van een andere staat dan Nederland en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo), omdat zowel Nederland als Italië hierbij verdragsluitende partij zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 6 lid 1 EEX-Vo is deze rechtbank eveneens bevoegd ten aanzien van de vorderingen ingesteld tegen Valbruna Italië. De daar bedoelde nauwe band tussen de vorderingen die om gelijktijdige behandeling en berechting vraagt moet aanwezig worden geacht, nu [eiseres] haar vorderingen ten aanzien van beide gedaagden op dezelfde feitelijke en juridische gronden heeft gebaseerd.

4.3. Met betrekking tot het toepasselijke recht overweegt de rechtbank het volgende. Nu zowel [eiseres] als Valbruna Italië gevestigd zijn in landen die verdragstaat zijn bij het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende lichamelijke zaken (hierna: Weens Koopverdrag) beheersen de bepalingen van dit verdrag in beginsel de tussen hen bestaande rechtsverhouding. Dit is slechts anders wanneer toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag door hen is uitgesloten dan wel zij hiervan afwijken of het gevolg daarvan wijzigen (artikel 6 Weens Koopverdrag).

Op de rechtsverhouding tussen [eiseres] en Valbruna Nederland is hoe dan ook Nederlands recht van toepassing. Dit volgt enerzijds uit het bepaalde in artikel 2 Rv. Anderzijds hebben partijen Nederlands recht, met uitsluiting van het Weens Koopverdrag, uitdrukkelijk van toepassing verklaard in hun eigen algemene voorwaarden waarop zij zich in deze procedure beroepen.

Wat er van de toepasselijkheid van deze algemene voorwaarden in dit verband overigens ook zij, nu partijen bij de onderbouwing van hun stellingen uitsluitend naar bepalingen van Nederlands recht verwijzen gaat de rechtbank ervan uit dat zij, en daarmee ook Valbruna Italië, de toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag (ook) stilzwijgend uitsluiten. De rechtbank zal de bepalingen uit het Weens Koopverdrag derhalve niet in haar beoordeling betrekken.

Grondslagen

4.4. [eiseres] heeft aan haar vorderingen, samengevat, (primair, subsidiair en meer subsidiair) het volgende ten grondslag gelegd:

1. Valbruna c.s. zijn toerekenbaar tekortgeschoten dan wel hebben onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld door ondeugdelijk dan wel non-conform RVS 204 Cu te leveren.

2. Valbruna c.s. zijn toerekenbaar tekortgeschoten dan wel hebben onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld door RVS 204 Cu (en later RVS 201) te leveren dat, anders dan door Valbruna c.s. voorafgaand aan de levering betoogd, voor de beoogde toepassing daarvan ongeschikt was.

3. Valbruna c.s. zijn toerekenbaar tekortgeschoten dan wel hebben onrechtmatig gehandeld door schending van de op haar rustende onderzoeks- en mededelingsplicht met betrekking tot het door hen geleverde RVS 204 Cu.

4.5. De rechtbank stelt bij de beoordeling van de hiervoor genoemde punten het volgende voorop.

Krachtens het bepaalde in artikel 7:17 BW dient de afgeleverde zaak aan de overeenkomst te beantwoorden. Hiervan is geen sprake wanneer deze, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten.

Hoewel [eiseres] ook het van Valbruna c.s. afgenomen RVS 201 noemt in de door haar als eerste gevorderde verklaring voor recht, spitst zij zich bij de onderbouwing van haar stel-lingen toe op RVS 204 Cu. Ter gelegenheid van de pleidooien heeft de heer [eiseres] voorts verklaard dat zich geen problemen voordeden met het geleverde en gebruikte RVS 201. De rechtbank gaat er bij haar beoordeling dan ook vanuit dat [eiseres] haar vorderingen enkel baseert op het geleverde RVS 204 Cu.

Ad 1: Het geleverde is ondeugdelijk dan wel non-conform

4.6. [eiseres] heeft onder meer gesteld dat het RVS 204 Cu, zoals dat door Valbruna c.s. op haar verzoek is geproduceerd en geleverd, afwijkt van de door [eiseres] aan Valbruna c.s. ter beschikking gestelde specificaties van Ugine 204 Cu. Valbruna c.s. zouden hiertoe zijn overgegaan teneinde het patent dat Ugine op deze RVS-variant had te omzeilen, aldus [eiseres].

4.7. Valbruna c.s. hebben dit betwist en gesteld dat de receptuur van Ugine in Europa niet gepatenteerd is. Zij stellen de receptuur van Ugine 204 Cu exact te hebben nagemaakt, met dien verstande dat zij wat meer Nikkel (Ni) hebben toegevoegd. Tijdens de pleidooien hebben Valbruna c.s. aangegeven dat het door hen geproduceerde RVS 204 Cu ook een iets hoger chroomgehalte had. Deze toevoegingen leiden volgens Valbruna c.s. echter slechts tot verbetering van het product.

4.8. Tussen partijen is niet in geschil dat Valbruna c.s. zich krachtens overeenkomst hadden verbonden om voor [eiseres] RVS 204 Cu te produceren met exact dezelfde specificaties als Ugine 204 Cu. De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat het door Valbruna c.s. geproduceerde RVS qua samenstelling afwijkt van Ugine 204 Cu. In zoverre beantwoordt het geleverde RVS niet aan de overeenkomst.

[eiseres] heeft evenwel nagelaten feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan volgen dat juist deze gewijzigde samenstelling ertoe heeft geleid dat het door Valbruna c.s. geproduceerde en geleverde RVS 204 Cu ongeschikt was voor de door haar beoogde toepassing ofwel het beoogde gebruik ervan. Zo heeft [eiseres] niet gesteld dan wel, bijvoorbeeld onderbouwd met een deskundigenrapport, aannemelijk gemaakt dat de schade waarmee zij stelt te zijn geconfronteerd en nog geconfronteerd zal worden, het directe gevolg is van deze gewijzigde samenstelling. Derhalve is niet gebleken dat Valbruna c.s., in dit opzicht, door de levering van het onderhavige RVS 204 Cu toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

4.9. [eiseres] heeft voorts gesteld dat Valbruna c.s. haar niet hebben ingelicht over de gewijzigde samenstelling, teneinde het patent te omzeilen, en dat dit ernstig verwijtbaar is. Dat op Ugine 204 Cu in Europa een patent rustte heeft [eiseres] - mede gelet op de betwisting van Valbruna c.s. - onvoldoende gemotiveerd en is ook overigens niet gebleken. Dat het niet doen van mededelingen over de gewijzigde samenstelling onrechtmatig is ten opzichte van [eiseres], valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien.

4.10. [eiseres] heeft voorts betoogd dat het geleverde RVS 204 Cu ondeugdelijk is nu één of meer van de door Valbruna c.s. geleverde zendingen gesensitiseerd zijn gebleken. [eiseres] heeft hiertoe onder meer het volgende gesteld:

- Door een medewerker van Valbruna Italië, de heer [X], is haar medegedeeld dat Valbruna c.s. per ongeluk ongeveer twee ton gecorrodeerd materiaal hadden geleverd. Deze corrosie was veroorzaakt door “koolstof precipitation”. De heer [X] zou voorts hebben gezegd dat dit materiaal, het zou gaan om ongeveer 25.000 kilo, per ongeluk naar [eiseres] was verscheept en de problemen zou hebben veroorzaakt.

- In een e-mailbericht van de heer [Y] van 1 september 2006, door de heer [X] aan [eiseres] doorgestuurd, dat zou zien op de uitkomst van een analyse van een monster van door [eiseres] gebruikt RVS 204 Cu waarover haar een klacht had bereikt, wordt onder meer vermeld dat het materiaal gesensitiseerd was en is:

“Come diveci, il materiale era, ed è, sensibilizzato. Ci sentiamo (…)”

- In een e-mailbericht van 12 september 2006 bevestigt de heer [X] de ondeugdelijke leveringen en geeft hij aan dat het gaat om 32 ton RVS.

- Tijdens een bijeenkomst tussen partijen op 13 september 2006 zou de heer [Z] van Valbruna Nederland hebben gezegd dat een deel van het geleverde materiaal gebrekkig was ten gevolge van een productiefout.

- Een ondeugdelijke warmtebehandeling door Valbruna c.s. van (in ieder geval een deel van) het geleverde RVS 204 Cu heeft ertoe geleid dat dit RVS 204 Cu al in gesensitiseerde toestand de fabriek heeft verlaten. [eiseres] verwijst hierbij naar hetgeen is vermeld op pagina 5 van het, in haar opdracht opgemaakte, rapport van het Nederlands Corrosie Centrum (hierna: het NCC-rapport), gedateerd 8 december 2006:

“Vanuit de literatuur en praktijk is bekend dat sensitisatie veroorzaakt kan worden door de warmte-inbreng tijdens lassen of onjuiste warmtebehandeling of door langdurige blootstelling aan temperaturen tussen 480 en 815 °C.” [cursivering rechtbank]

4.11. Valbruna c.s. hebben betwist dat een of meer partijen RVS 204 Cu al in de fabriek gesensitiseerd zijn geraakt. Zij hebben zich, kort gezegd, onder verwijzing naar een in haar laboratorium verricht onderzoek, op het standpunt gesteld dat de geconstateerde sensitisatie het gevolg is van het lasproces, zonder nabehandeling, zoals dat door [eiseres] bij de verwerking van het staal zou zijn toegepast.

4.12. De rechtbank overweegt dat uit de door [eiseres] gestelde feiten en omstandigheden niet kan volgen dat juist het RVS 204 Cu dat volgens [eiseres] tot klachten van haar afnemers heeft geleid, op het moment van aflevering door Valbruna c.s. reeds gesensitiseerd was. Dit kan, anders dan door [eiseres] is betoogd, niet volgen uit de door haar aangehaalde verklaringen van de heer [Z], de e-mailberichten van de heren [Y] en [X] en de aangehaalde passage uit het NCC-rapport.

Valbruna c.s. hebben gemotiveerd aangevoerd, onder meer, dat de monsters, waarop het e-mailbericht van [Y] was gebaseerd, beide van reeds verwerkt materiaal waren. Valbruna c.s. hebben gemotiveerd betwist dat de heer [Z] op

13 september 2006 zou hebben gezegd dat sprake was van een productiefout. Het gespreksverslag van deze bijeenkomst, waar [eiseres] zich op beroept, levert evenmin bewijs op van deze stelling. Aldus resteren de verklaringen en e-mailberichten van de heer [X] waarop [eiseres] zich grotendeels baseert. Hieruit kan echter niet meer dan een aanwijzing blijken dat er mogelijk iets mis was met één of meer leveranties.

Het had dan ook op de weg van [eiseres] gelegen om onderzoek te doen naar de hoeveelheid gesensitiseerd RVS dat aan haar geleverd zou zijn (gesproken wordt over niet nader onderbouwde hoeveelheden van 25.000 kilo, twee en 32 ton) en voorts aan te geven hoeveel roosters zij van dit gesensitiseerde RVS 204 Cu heeft vervaardigd en welke van de ontvangen klachten zien op de betreffende roosters. [eiseres] heeft dit nagelaten. Desgevraagd heeft zij niet kunnen aangegeven wanneer welke leveringen RVS 204 Cu door haar zijn ontvangen en verwerkt. Ter gelegenheid van de pleidooien heeft zij bovendien verklaard dat zowel RVS 204 Cu als RVS 201 bij haar opgeslagen lag en dat bij de verwerking uit beide RVS-voorraden materiaal is gehaald.

4.13. Tegenover de gemotiveerde betwisting van Valbruna c.s. heeft [eiseres] haar stelling dat een ondeugdelijke partij RVS 204 Cu aan haar is geleverd, dan ook onvoldoende gemotiveerd met concrete en specifieke feiten en omstandigheden waaruit dit kan volgen. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het bewijsaanbod van [eiseres] op dit punt. Dientengevolge is er voor een omkering van de bewijslast als door [eiseres] betoogd, wat er ook zij van de stelling dat er een veiligheidsnorm zou zijn geschonden, evenmin plaats.

4.14. Nu niet is gebleken dat de leveringen van Valbruna c.s. aan [eiseres] ondeugdelijk (gesensitiseerd) waren dan wel dat de afwijkende samenstelling van het RVS 204 Cu tot de gestelde schade heeft geleid, kan niet worden vastgesteld dat Valbruna c.s. op dit punt toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst dan wel dat zij onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiseres].

Ad 2: Het geleverde is, anders dan tevoren aangegeven, voor de beoogde toepassing ongeschikt

4.15. Subsidiair heeft [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat Valbruna c.s., in strijd met haar eigen, expliciete, mededelingen over de geschiktheid van RVS 204 Cu voor gebruik in varkensstallen, voor deze toepassing ongeschikt staal hebben geleverd. [eiseres] heeft gesteld dat deze ongeschiktheid bij Valbruna c.s. bekend was. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft [eiseres] aangevoerd dat het Valbruna c.s. al bij aanvang van de handelsrelatie bekend was dat [eiseres] roosters ten behoeve van varkensstallen produceerde. Bij een bezoek aan Valbruna Italië, ten tijde van de eerste levering van RVS 204 Cu, heeft de heer [W] expliciet medegedeeld dat RVS 204 Cu geschikt was voor varkensstallen, zo zou volgen uit de verklaring van de heer [X]. Een gelijkluidende mededeling zou zijn gedaan door de heer [Z] tijdens de Wire Beurs 2004. Ook tijdens besprekingen op 13 en 28 september 2006 zou de heer [Z] de geschiktheid van het staal nogmaals hebben bevestigd, aldus [eiseres]. [eiseres] kwalificeert deze mededelingen als een garantie. Uit diverse door [eiseres] aangehaalde publicaties zou volgens [eiseres] blijken dat Valbruna c.s. ook bekend was met, kort gezegd, de discussie over de toepassingsmogelijkheden van de RVS 200-series en het informeren van de klant hierover.

4.16. Valbruna c.s. hebben betwist dat [W] de hiervoor weergegeven uitlatingen heeft gedaan en stellen dat de heer [X] niet bij het betreffende bezoek aanwezig was. Valbruna c.s. heeft voorts betwist dat zij op enig ander moment de geschiktheid van RVS 204 Cu voor varkensstallen heeft gegarandeerd. [eiseres] heeft geen advies en/of garantie gevraagd. [eiseres] stelde zelf dat Ugine 204 Cu voldeed dan wel geschikt was voor het vervaardigen van varkensroosters. Dat het product “an sich” geschikt is volgde voor Valbruna c.s. bovendien uit de productinformatie van Ugine (verschaft door [eiseres]) en de verwijzing daarin naar vakliteratuur en de inhoud daarvan.

4.17. De rechtbank volgt [eiseres]’ betoog niet. Tussen partijen is weliswaar niet in geschil dat Valbruna c.s. met de beoogde toepassing van het RVS 204 Cu bekend waren, doch uit de door [eiseres] gestelde, en door Valbruna c.s. betwiste, feiten en omstandigheden kan niet volgen dat Valbruna c.s. de geschiktheid van RVS 204 Cu hiervoor hebben bevestigd dan wel gegarandeerd en voorts dat zij onderwijl kennis droegen van de ongeschiktheid van het materiaal voor de door [eiseres] beoogde toepassing.

Opmerkingen over de toepasbaarheid van dit materiaal in varkensstallen, gemaakt tijdens een rondleiding in de fabriek van Valbruna Italië begin januari 2005 en tijdens een beurs in 2004 kunnen, wat er van de juistheid daarvan ook zij, in beginsel niet worden gekwalificeerd als een garantie in de zin van artikel 7:17 BW. Bij de vraag of een garantie is gegeven, is de wetenschap van de verkoper op dat moment van belang. De publicaties waar [eiseres] naar verwijst en waaruit de door haar gestelde wetenschap van ongeschiktheid zou blijken, dateren alle van na de eerste levering van RVS 204 Cu (eind 2004, begin 2005) of zelfs van na het stopzetten van de productie (in de tweede helft van 2005) en vermelden niets over het gebruik van RVS 204 Cu in varkensstallen.

Bovendien, in het onderhavige geval heeft [eiseres] zelf aangevoerd dat zij beschikte over documentatie van een Franse klant, ACO, waaruit zou blijken dat RVS 204 Cu geschikt was voor varkensroosters. Bij gebreke van betwisting staat voorts vast dat [eiseres] Valbruna c.s. zelf heeft benaderd met het verzoek voor haar RVS 204 Cu te produceren conform de specificaties van Ugine 204 Cu nu haar concurrent deze, goedkopere, staalsoort gebruikte voor de productie van varkensroosters. In het licht van deze opmerkingen is niet aannemelijk dat [eiseres] Valbruna c.s. heeft gevraagd haar te garanderen dat RVS 204 Cu geschikt was voor varkensroosters. Evenmin heeft [eiseres] aannemelijk gemaakt dat Valbruna c.s. wisten dat het materiaal ongeschikt was voor de beoogde toepassing. Dit volgt in ieder geval niet uit de publicaties waar [eiseres] naar verwijst, nog daargelaten dat deze, zoals de rechtbank eerder al overwoog, dateren van na de eerste oplevering van RVS 204 Cu.

4.18. Het vorenstaande betekent dat niet vast is komen te staan dat Valbruna c.s. mededelingen omtrent de geschiktheid van RVS 204 Cu voor de beoogde toepassing hebben gedaan, dan wel deze geschiktheid hebben gegarandeerd, terwijl zij wisten dat dit materiaal daarvoor feitelijk ongeschikt was. Van een toerekenbare tekortkoming dan wel onrechtmatig handelen op dit punt is derhalve niet gebleken.

Ad 3: Valbruna c.s. heeft een op haar rustende onderzoeks- en waarschuwingsplicht geschonden

4.19. Meer subsidiair heeft [eiseres] gesteld dat Valbruna c.s. een op hen rustende onderzoeks- en waarschuwingsplicht hebben geschonden. [eiseres] heeft hiertoe aangevoerd dat Valbruna c.s. als zorgvuldig handelend fabrikanten gehouden waren om door hen nieuw op de markt te brengen producten, waaronder RVS 204 Cu, zelf deugdelijk te testen en hiervoor zo nodig zelf een waarschuwing ten aanzien van het voor hen bekende te verwachten gebruik af te geven.

4.20. Valbruna c.s. hebben een en ander gemotiveerd betwist en verwezen naar de omstandigheden van het onderhavige geval, waarin zij door [eiseres] werden benaderd voor de productie van een specifieke RVS-soort waarover [eiseres] zich zeer positief uitliet.

4.21. De rechtbank overweegt het volgende. In het algemeen geldt dat een verkoper rekening moet houden met het normale gebruik van de zaak die hij verkoopt dan wel met het bijzondere gebruik dat de koper voor ogen heeft. Weet de verkoper dat de te leveren zaak voor dit normale of bijzondere gebruik ongeschikt is dan rust op hem de verplichting dit mede te delen. Had hij hiervan op de hoogte moeten zijn dan heeft hij een op hem rustende onderzoeksplicht geschonden.

4.22. In het onderhavige geval geldt dat beide partijen zich professioneel met de vervaardiging dan wel verwerking van RVS bezighouden, zodat mag worden verondersteld dat zij (enige) kennis hadden van het materiaal. Dat [eiseres] geen “techneut” is, zoals hij heeft gesteld, doet hieraan niet af. Vast staat dat [eiseres] zich tot Valbruna c.s. heeft gewend met de vraag of zij voor haar RVS 204 Cu konden produceren conform de specificaties van Ugine 204 Cu en dat zij hiertoe de betreffende specificaties aan Valbruna c.s. heeft verschaft. [eiseres] heeft, onweersproken, aan Valbruna c.s. kenbaar gemaakt dat haar concurrent eveneens gebruik maakte van deze, goedkopere, RVS-soort. In de dagvaarding heeft zij aangegeven via een klant van haar, ACO, over documentatie te beschikken waaruit de geschiktheid van RVS 204 Cu voor varkensroosters bleek. [eiseres] heeft ter gelegenheid van de pleidooien voorts verklaard dat haar, uit navraag door een van haar klanten bij Ugine, was gebleken dat RVS 204 Cu te gebruiken was als door haar beoogd.

In het geval dat, zoals hier, een koper een specifieke bestelling plaatst bij een verkoper, zulks met de toevoeging dat dit materiaal geschikt is voor de beoogde toepassing, mag deze niet verwachten dat de verkoper zich vervolgens zelf nog verdiept in het materiaal en onderzoekt of dit kan worden toegepast zoals door de koper wordt beoogd. Van een op Valbruna c.s. rustende onderzoeksplicht of waarschuwingsplicht is hier dan ook geen sprake. Het risico van ongeschiktheid van het materiaal ligt in een dergelijke situatie bij de koper, hier [eiseres]. Dat later blijkt dat het geleverde desondanks niet geschikt was voor de beoogde toepassing doet aan het vorenstaande niet af en kan er niet toe leiden dat sprake is van non-conformiteit. Dat deze ongeschiktheid werd veroorzaakt doordat Valbruna c.s. de samenstelling van het door haar geproduceerde RVS 204 Cu hebben gewijzigd ten opzichte van de samenstelling van Ugine 204 Cu, als gevolg waarvan in het onderhavige geval niet exact is geleverd wat [eiseres] had besteld, is niet gebleken. Deze omstandigheid maakt het vorenstaande derhalve evenmin anders.

4.23. Dat Valbruna c.s. een op haar rustende onderzoeks- en mededelingsplicht hebben geschonden met betrekking tot het door hen geleverde RVS 204 Cu, kan dan ook niet worden aangenomen.

Conclusie

4.24. Het vorenstaande leidt ertoe dat de gevorderde verklaringen voor recht en de veroordeling tot vervanging en vergoeding van de schade niet toewijsbaar zijn. Datzelfde geldt met betrekking tot de vorderingen strekkende tot vergoeding van kosten in de zin van artikel 6:96 sub b en c BW. De rechtbank komt dientengevolge ook niet meer toe aan de beoordeling van de vraag met welke van beide gedaagde vennootschappen [eiseres] nu heeft gecontracteerd en welke van de door partijen overgelegde sets algemene voorwaarden van toepassing zijn en aan de beoordeling van het beroep op de in deze algemene voorwaarden opgenomen exoneraties.

4.25. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Valbruna c.s. worden begroot op:

- vast recht EUR 4.732,00

- salaris advocaat EUR 8.000,00 (4,0 punten × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 12.732,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Valbruna c.s. tot op heden begroot op EUR 12.732,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, mr. C.A.M. van Straalen-Coumou en mr. G.A. Bos en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2009.

w.g. griffier w.g. rechter