Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI0811

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-03-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
264963 / KG ZA 09-316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Staking schoonmakers op Schiphol. Vraag of de staking gedekt is door art. 6, lid 4, ESH (herzien) (belangengeschil; geen CAO-conflict). Minimum-CAO. Geen sprake van de vereiste mate van inbreuk op de in art. G, lid 1, ESH (herzien) aangewezen rechten van derden of algemene belangen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2009/124 met annotatie van mr. E. Knipschild
AR-Updates.nl 2009-0308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 264963 / KG ZA 09-316

Vonnis in kort geding van 30 maart 2009

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CSU TOTAL CARE B.V.,

gevestigd te Uden,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ASITO SR AVIATION B.V.,

gevestigd te Almelo,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ASITO AVIATION TERMINAL B.V.,

gevestigd te Almelo,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EW CLEANING OPERATIONS B.V.,

gevestigd te Arnhem,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GOM SCHOONHOUDEN B.V.,

gevestigd te Schiedam,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HAGO NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Heerlen,

eiseressen,

advocaat mr. R.M. Dessaur te Amsterdam,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Utrecht,

verweerster, vrijwillig verschenen,

advocaat mr. R. van der Stege te Utrecht.

Partijen zullen hierna de Schoonmaakbedrijven en FNV Bondgenoten genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het concept van de dagvaarding

- de mondelinge behandeling ter zitting van 24 maart 2009

- pleitnota en producties van de Schoonmaakbedrijven

- de aanhouding van de beslissing ten behoeve van nader overleg tussen partijen.

1.2. Op 30 maart 2009 hebben partijen – onder toezending van de verslagen van de tussen partijen vanaf

26 maart 2009 gevoerde onderhandelingen – aan de voorzieningenrechter bericht dat hun nadere overleg niet tot overeenstemming had geleid en dat zij vonnis wensten. Daarop is vonnis bepaald.

1.3. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 30 maart 2009 vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking.

2. De feiten

2.1. De Schoonmaakbedrijven die als eiseressen sub 2, sub 3, sub 5 en sub 6 zijn genoemd, voeren als opdrachtnemers diensten uit voor Luchthaven Schiphol, hierna te noemen: Schiphol, als opdrachtgever. De diensten bestaan uit schoonmaakwerkzaamheden op het vliegveld Schiphol, hierna ook te noemen: de luchthaven. Voor de uitvoering van die werkzaamheden zetten de genoemde Schoonmaakbedrijven naast eigen werknemers ook werknemers van onderaannemers en ingehuurde uitzendkrachten in.

2.2. Na een aanbestedingsprocedure heeft Schiphol met ingang van 1 april 2009 de opdracht(en) voor het uitvoeren van de genoemde werkzaamheden verleend aan de eiseressen sub 1 tot en met sub 4 en sub 6. De inhoud van die opdrachten brengt ingrijpende wijzigingen mee voor de wijze waarop de schoonmaakwerkzaamheden tot nog toe werden uitgevoerd en de wijze waarop het personeel tot nog toe werd ingezet.

2.3. De Schoonmaakbedrijven die vanaf 1 april 2009 de schoonmaakwerkzaamheden gaan uitvoeren, hebben met de vakbonden, onder wie ook FNV Bondgenoten, overleg gevoerd over een aantal maatregelen als compensatie voor de wijzigingen die voor de werknemers voortvloeien uit de nieuwe opdrachten.

2.4. FNV Bondgenoten heeft bij brief van 20 maart 2009 aan de Schoonmaakbedrijven een ultimatum gesteld, dat inhoudt dat de Schoonmaakbedrijven vóór 25 maart 2009 te 6.00 uur met een zestal eisen akkoord moeten gaan, en dat bij gebreke daarvan de Schoonmaakbedrijven rekening moeten houden met “door ons uit te roepen en te organiseren acties, waaronder werkonderbrekingen en stakingen voor kortere of langere duur.” De gestelde eisen betreffen – kort weergegeven – een Schipholtoeslag, een betaalde koffiepauze, goede kantines, werkzekerheid op de luchthaven, een eindejaarsuitkering en vakbondsfaciliteiten op de luchthaven.

2.5. De Schoonmaakbedrijven hebben bij brief van 23 maart 2009 aan FNV Bondgenoten als reactie op het onder 2.4 genoemde ultimatum “een samenhangend pakket aan maatregelen” voorgesteld, met daarbij het voorstel om dat pakket op 24 maart 2009 te bespreken.

2.6. FNV Bondgenoten heeft een 24-uursstaking uitgeroepen, te houden op woensdag 25 maart 2009. In het kader van de aanhouding van de beslissing in dit kort geding is de stakingsoproep verschoven naar dinsdag 31 maart 2009.

2.7. Op de arbeidsovereenkomsten tussen de Schoonmaakbedrijven en hun werknemers is een CAO van toepassing, te weten de (gewijzigde) CAO in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf, die – voor zover hier van belang – loopt tot 31 december 2009.

3. Het geschil

3.1. De Schoonmaakbedrijven vorderen – samengevat – het volgende:

Primair:

a) Aan FNV Bondgenoten moet worden bevolen om op straffe van een dwangsom de afgekondigde (collectieve) acties op Luchthaven Schiphol direct en integraal af te gelasten;

b) Aan FNV Bondgenoten moet op straffe van een dwangsom voor onbepaalde tijd worden verboden nieuwe (collectieve) acties op Luchthaven Schiphol te organiseren;

c) Aan FNV Bondgenoten moet worden bevolen om op straffe van een dwangsom binnen vier uur na de betekening van dit vonnis aan de leden te berichten (i) dat de afgekondigde acties niet doorgaan, en (ii) dat de onderhandelingen met de Schoonmaakbedrijven tot nader order worden voortgezet;

Subsidiair vorderen de Schoonmaakbedrijven dat een voorziening wordt gegeven die de voorzieningenrechter passend en doeltreffend acht.

3.2. FNV Bondgenoten voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vooropgesteld wordt dat het recht van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden op het voeren van collectieve acties, waaronder begrepen het stakingsrecht, wordt beheerst door de bepalingen van het Europees Sociaal Handvest (ESH), dat in Nederland in zijn oorspronkelijke vorm (thans aangeduid als ESH 1961) van kracht is sedert 22 mei 1980 en in de herziene vorm sinds 1 juli 2006.

In artikel 6 aanhef en onder lid 4 van het ESH (herzien) wordt, in het kader van het recht op collectief onderhandelen, het recht van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden op collectief optreden erkend in gevallen van belangengeschillen met werkgevers, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Wordt een collectieve actie gedekt door artikel 6 lid 4 ESH (herzien), dan brengt dat mee dat deze in beginsel moet worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkende grondrecht, ondanks de met die actie beoogde en op de koop toe genomen schadelijke gevolgen voor de bestaakte werkgever en derden.

Voor het oordeel dat de staking niettemin onrechtmatig is, is slechts dan plaats, indien zwaarwegende procedureregels (“spelregels”) zijn veronachtzaamd, dan wel indien de actie een zodanige inbreuk maakt op de in artikel G ESH (herzien) aangewezen rechten van derden of algemene belangen, dat beperkingen, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk zijn.

4.2. In dit geval stellen de Schoonmaakbedrijven als meest vérstrekkende grond voor hun vordering, dat de door FNV Bondgenoten aangezegde stakingsactie geen belangengeschil betreft als bedoeld in artikel 6, lid 4, ESH (herzien), zodat de actie volgens hen reeds om die reden onrechtmatig is. Volgens de Schoonmaakbedrijven ziet de stakingsactie voor een groot deel op eisen van FNV Bondgenoten betreffende voorzieningen op de werkplek. Deze voorzieningen kunnen zij niet zelf verstrekken; het is aan Schiphol om daarvoor te zorgen, aldus de Schoonmaakbedrijven.

4.3. Dit standpunt kan niet worden aanvaard. Zoals hiervoor onder 2.4 is weergegeven, betreft het ultimatum van FNV Bondgenoten van 20 maart 2009 een zestal eisen. Daarbij ging het alleen bij de geëiste ruimten voor diverse doeleinden om voorzieningen op de werkplek. Op dat punt is kennelijk – zo blijkt uit de onderhandelingsverslagen – na 24 maart 2009 overeenstemming bereikt. Ook als aangenomen wordt dat de Schoonmaakbedrijven

– anders dan FNV Bondgenoten heeft gesteld – niet zonder medewerking van Schiphol konden voldoen aan de eisen betreffende het beschikbaar stellen van die ruimten, dan is toch aannemelijk dat die eisen slechts een klein(er) deel van het totaal van de gestelde eisen omvatten en dat de geëiste betaling van de verschillende vergoedingen en de geëiste uitbreiding van de garantie inzake de overname van werknemers tezamen het grootste deel van de eisen vormden en vanaf 26 maart 2009 volledig de inhoud van die eisen bepalen. De Schoonmaakbedrijven hebben niet betwist dat de geschillen over die betalings- en garantie-eisen belangengeschillen vormen als bedoeld in artikel 6 lid 4 ESH (herzien).

4.4. Ook in dat geval is volgens de Schoonmaakbedrijven de stakingsactie echter niet gedekt door artikel 6 lid 4 ESH (herzien). Naar zij stellen, betreft het geschil van partijen (mede) een CAO-conflict, te weten de uitleg van artikel 34 CAO. Een dergelijk conflict moet volgens artikel 38 CAO eerst worden voorgelegd aan een bepaalde geschillencommissie. FNV Bondgenoten heeft aan die CAO-verplichting niet voldaan, aldus de Schoonmaakbedrijven.

4.5. Deze stelling van de Schoonmaakbedrijven gaat niet op. Het geschil op dit punt betreft de werkgelegenheidsgarantie die in artikel 34 CAO is opgenomen en die inhoudt dat – kort gezegd – werknemers die bij een contractswisseling tenminste 1,5 jaar op het object werkzaam zijn, een arbeidsovereenkomst met de nieuwe werkgever krijgen aangeboden. FNV Bondgenoten eist dat in dit geval die werkgelegenheidsgarantie zal gelden voor werknemers die langer dan 9 maanden op de thans geldende percelen van de luchthaven werkzaam zijn en dat die garantie voorts ook zal gelden voor de personen die als werknemers van onderaannemers en als uitzendkrachten op die percelen werken. Volgens de Schoonmaakbedrijven vallen werknemers van onderaannemers en uitzendkrachten niet onder de CAO. Ten aanzien van werknemers die wél onder de CAO vallen, hebben de Schoonmaakbedrijven niet weersproken dat de CAO als geheel een minimumkarakter heeft – zoals in artikel 1 lid 14 CAO is bepaald – en dat artikel 34 CAO daarop geen uitzondering vormt. Voorshands moet dan worden aangenomen dat FNV Bondgenoten met de bedoelde eis niet een bepaalde uitleg heeft gegeven aan de werkgarantie in artikel 34 CAO, doch dat zij daarmee een verdergaande werkgarantie eist dan de minimumgarantie die in dat CAO-artikel is opgenomen. Volgens de onweersproken stelling van FNV Bondgenoten kan op specifieke punten in een specifieke situatie over dergelijke verdergaande eisen dan de minimumbepaling(en) van de CAO vrij worden onderhandeld en geldt daarvoor niet de verplichting van artikel 38 CAO. Aannemelijk is dat die situatie zich hier voordoet.

4.6. Nu uit het voorgaande volgt dat de stakingsactie naar voorlopig oordeel wordt gedekt door artikel 6 lid 4 ESH (herzien), moet beoordeeld worden of de in acht te nemen procedureregels zijn gevolgd. Daarvoor is het volgende van belang.

4.7. De Schoonmaakbedrijven hebben allereerst gesteld dat FNV Bondgenoten de stakingsactie niet als uiterste middel (“ultimum remedium”) heeft gebruikt. Op dit punt geldt echter dat het in geval van collectief onderhandelen in beginsel aan de vakbonden is voorbehouden om zich een oordeel te vormen over de vraag of een collectieve actie wel als uiterste middel is gebruikt. Niet is gesteld of gebleken dat er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven om hierover anders te oordelen.

4.8. De Schoonmaakbedrijven hebben voorts op het punt van de procedureregels gesteld dat de termijn van aanzegging van de stakingsactie onredelijk kort is geweest. Op dit punt heeft FNV Bondgenoten volgens haar stelling – die door de Schoonmaakbedrijven niet of onvoldoende is weersproken – en blijkens de overgelegde stukken (i) op 16 maart 2009 een zogeheten voorultimatum aan de Schoonmaakbedrijven gezonden; en (ii) op 20 maart 2009 een ultimatum aan de Schoonmaakbedrijven gezonden, met daarbij de mededeling dat na 25 maart 2009 vroeg in de ochtend mogelijk (stakings)acties konden volgen. Dan kan niet gezegd worden dat de termijn van aanzegging onredelijk kort is geweest.

4.9. Aan de orde komt dan of de aangezegde stakingsactie op grond van artikel G ESH (herzien) dient te worden beperkt. Naar voorlopig oordeel is dat niet het geval. Daarvoor is het volgende van belang.

4.10. Uitgangspunt moet zijn dat het recht van werknemers en hun vertegenwoordigende vakbonden op het voeren van collectieve (stakings)acties, zoals opgenomen in artikel 6 lid 4 ESH (herzien), een grondrecht is, zodat de belangen die bij de uitoefening van dat grondrecht zijn betrokken, als zwaarwegend moeten gelden.

4.11. Volgens artikel G lid 1 ESH (herzien) kan het uitoefenen van dat grondrecht geen beperkingen ondergaan, met uitzondering van die, welke in de wet zijn voorgeschreven en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden.

4.12. In Nederland zijn de toegestane beperkingen niet uitdrukkelijk in de wet vastgelegd, doch volgens vaste jurisprudentie vinden zij hun grondslag in het recht, doordat zij zijn af te leiden uit de zorgvuldigheid, die op grond van artikel 6: 162 Burgerlijk Wetboek in het maatschappelijke verkeer ten aanzien van de persoon of de goederen van anderen in acht moet worden genomen. Gelet op die grondslag en op de aard van de beperkingen, te weten inkorting van een grondrecht, zijn beperkingen - eveneens volgens vaste jurisprudentie - slechts toegestaan, indien de stakingsactie in zodanige mate inbreuk maakt op de in artikel G lid 1 ESH (herzien) aangewezen rechten van derden of algemene belangen, dat beperkingen, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk zijn.

4.13. Aldus moet onderzocht worden of in dit geval de aangekondigde stakingsactie in de vereiste mate inbreuk zal maken op de bedoelde rechten en belangen.

4.14. Ter zitting is gebleken dat één van de Schoonmaakbedrijven, naast schoonmaak- en onderhoudswerkzaamheden, ook zogeheten security checks in vliegtuigen uitvoert, die onder meer bestaan uit het controleren van zwemvesten. Een vliegtuig mag volgens de Schoonmaakbedrijven niet vertrekken als deze security checks niet zijn uitgevoerd. FNV Bondgenoten heeft daarop toegezegd in dat geval haar leden te zullen oproepen om de desbetreffende werkzaamheden uit te voeren en om te zorgen dat daarvoor voldoende mensen en middelen beschikbaar zijn. Er bestaat geen grond om aan deze toezegging van FNV Bondgenoten te twijfelen en ook niet om te betwijfelen of aan die oproep van FNV Bondgenoten zal worden voldaan.

4.15. Ten aanzien van de overige werkzaamheden hebben de Schoonmaakbedrijven gesteld dat de stakingsactie buitenproportionele schade voor henzelf en voor derden tot gevolg zal hebben en dat reizigers en andere aanwezigen op de luchthaven van die actie onaanvaardbare hinder of overlast zullen ondervinden. Door de aard van de werkzaamheden ontstaat voorts een gevaar voor de veiligheid en de gezondheid, met name de hygiëne, aldus de Schoonmaakbedrijven.

4.16. De gestelde schade voor de Schoonmaakbedrijven zelf dient buiten beschouwing te blijven. Het gaat hier om een werkstaking van het normale type, dat wil zeggen een staking die zich richt en zich keert tegen de Schoonmaakbedrijven als werkgevers. Het toebrengen van schade is daarbij wezenlijk voor het hanteren van het stakingswapen en wordt dan ook gedekt door het recht van artikel 6, lid 4, ESH (herzien). De Schoonmaakbedrijven vallen dan niet onder de in artikel G ESH (herzien) bedoelde “anderen”. Dit kan anders zijn in geval van misbruik van het stakingsrecht, doch hiervan is niet gebleken. Het enkele feit dat de dreigende schade zeer groot zou kunnen zijn, maakt de actie nog niet onrechtmatig. De Schoonmaakbedrijven hebben het als werkgevers immers in hun macht om de dreigende schade te voorkomen door het inwilligen van de gestelde eisen. Een en ander heeft ook te gelden voor de schade die de Schoonmaakbedrijven zullen lijden doordat zij aangesproken zullen worden voor de schade die voor Schiphol als hun opdrachtgever zal ontstaan.

4.17. Ten aanzien van de gestelde hinder dan wel overlast voor reizigers en andere aanwezigen op de luchthaven is allereerst van belang dat – volgens de onweersproken stelling van FNV Bondgenoten – op de luchthaven omstreeks 1000 schoonmaakwerknemers werkzaam zijn, van wie ongeveer de helft lid is van FNV Bondgenoten. Van deze helft zal naar verwachting weliswaar een groot deel aan de staking deelnemen, doch ook dan is niet aannemelijk dat de schoonmaakwerkzaamheden op de luchthaven door de staking geheel en al komen stil te liggen. Wel moet worden aangenomen dat reizigers en andere aanwezigen op de luchthaven hinder dan wel overlast zullen ondervinden, met name doordat de toiletten minder schoongemaakt zullen worden. Ook kan worden aangenomen dat door een verminderde schoonmaak van de toiletten een situatie kan ontstaan, die door Schiphol, gezien de reputatie van haar luchthaven, onaanvaardbaar wordt geacht, doch dat betekent voorshands nog niet dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel G ESH (herzien), dat wil zeggen een zodanige inbreuk op de rechten van Schiphol, dat beperking van de stakingsactie maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk zou zijn. Dat door de verminderde schoonmaak van de toiletten gevaar voor de veiligheid of de gezondheid zou ontstaan, hebben de Schoonmaakbedrijven weliswaar gesteld, doch zij hebben dit niet of onvoldoende onderbouwd.

4.18. Al het voorgaande leidt tot het oordeel dat de gevolgen van de staking, zoals deze zich thans laten aanzien, niet in een zodanige mate inbreuk maken op de rechten en belangen als bedoeld in artikel G ESH (herzien), dat een beperking, volledig dan wel gedeeltelijk, van het stakingsrecht van FNV Bondgenoten en haar leden maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk zou zijn.

4.19. De vordering zal derhalve in alle onderdelen worden afgewezen.

4.20. De Schoonmaakbedrijven zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van FNV Bondgenoten worden begroot op:

- vast recht EUR 262,--

- salaris procureur -- 816,--

Totaal EUR 1.078,--

DE BESLISSING

De voorzieningenrechter

a) wijst de vordering af;

b) veroordeelt de Schoonmaakbedrijven in de proceskosten, aan de zijde van FNV Bondgenoten tot op heden begroot op EUR 1.078,--;

c) verklaart dit vonnis wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen en is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2009.?

w.g. griffier w.g. rechter