Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI0671

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-04-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
16/602576-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van voorhanden hebben en uitgeven van valse bankbiljetten. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 150 dagen, waarvan 107 dagen voorwaardelijk en een werkstraf van 80 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/602576-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 april 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats]

wonende te [woonadres] te [woonplaats]

raadsvrouwe mr. Th.C. Schouten, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 maart 2009, waarbij de officier van justitie, mr. W.J. Koreman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 februari

2008 tot en met 13 maart 2008 te Utrecht en/of Vleuten en/of Maarssen, in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk

als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven de hierna te

noemen bankbiljet(ten) van 50 euro, en wel:

-2, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Vleuten (zaak 2) en/of

-5, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Vleuten (zaak 3) en/of

-4, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 4) en/of

-2, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij

[bedrijf 2] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 5)

en/of

-1 bankbiljet van 50 euro op 13 maart 2008 (bij [bedrijf 3] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 6) en/of

-6, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 7) en/of

-1 bankbiljet van 50 euro op 29 februari 2008 (bij het [bedrijf 4] gevestigd aan

het [adres]) te Maarssen (zaak 15) en/of

-2, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 6 maart 2008 (bij de

[bedrijf 5] gevestigd aan het [adres]) te Maarssen (zaak 17)

en/of

met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen

uitgeven (een of meer van) voornoemde bankbiljet(ten) van 50 euro heeft

ontvangen en/of zich heeft verschaft en/of in voorraad heeft gehad,

en van welke bankbiljet(ten) de valsheid of vervalsing hem, verdachte en/of

zijn mededader(s) toen hij/zij dat/die bankbiljet(ten) ontving(en), bekend

was/waren;

Subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 februari

2008 tot en met 13 maart 2008 te Utrecht en/of Vleuten en/of Maarssen, althans

in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk de hierna te noemen (een) vals(e) of

vervalst(e) bankbiljet(ten) van 50 euro heeft uitgegeven, en wel:

-2, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Vleuten (zaak 2) en/of

-5, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Vleuten (zaak 3) en/of

-4, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 4) en/of

-2, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij

[bedrijf 2] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 5)

en/of

-1 bankbiljet van 50 euro op 13 maart 2008 (bij [bedrijf 3] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 6) en/of

-6, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 7) en/of

-1 bankbiljet van 50 euro op 29 februari 2008 (bij het [bedrijf 4] gevestigd aan

het [adres]) te Maarssen (zaak 15) en/of

-2, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 6 maart 2008 (bij de

[bedrijf 5] gevestigd aan het [adres]) te Maarssen (zaak 17).

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

3.2. De bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat verdachte betrokken is bij de ontvangst en de uitgifte van vals geld op 13 maart 2008 door een groep jongeren, allen uit de vriendenkring van medeverdachte [medeverdachte]. Zij overweegt daartoe het volgende.

Verdachtes betrokkenheid bij de uitgifte van vals geld op 13 maart 2008 blijkt uit een observatie op die dag. Er wordt gezien dat medeverdachte [medeverdachte] in de auto van zijn broer rondrijdt met vier jongens uit zijn vriendengroep, waaronder verdachte. Jongens uit deze groep bezoeken in een tijdsbestek van anderhalf uur vier filialen van [bedrijf 1], een [bedrijf 2] en een [bedrijf 3] en kopen daar iets kleins met – naar later is gebleken valse - biljetten van € 50,--. Verdachte heeft bekend bij [medeverdachte] en nog drie anderen uit de vriendengroep in de auto te hebben gezeten en goederen te hebben gekocht met biljetten van € 50,--. Ook de medeverdachten hebben in diverse winkels goederen gekocht.

Verdachte heeft bekend ook op 29 februari 2008 bij het [bedrijf 4] op het [adres] te Maarssen een biljet van € 50 te hebben uitgegeven. Hij is ook herkend door een medewerkster van het [bedrijf 4]. Tevens blijkt uit telefoongegevens dat er die dag rond het tijdstip van het uitgeven van het valse geld contact is tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte], die zich in de buurt bevind.

Verdachte heeft onduidelijk verklaard over de vraag of hij wist dat het geld dat hij uitgaf vals was. Hij heeft echter wel aangegeven het geld van een ander te hebben ontvangen, die hem had gevraagd het uit te geven. Dat gebeurde ook bij anderen van de groep, aldus verdachte.

Uit afgeluisterde telefoongesprekken leidt de rechtbank af dat medeverdachte [medeverdachte] zich bezig hield met het verkrijgen en uitgeven van vals geld. Nu verdachte deel uitmaakte van de groep rond [medeverdachte], onder meer op 13 maart 2008 met hem en anderen op pad is geweest, waarbij vals geld is uitgegeven, acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist van de valsheid van de biljetten. Daarbij wordt nog overwogen dat verdachte is gevraagd om het geld voor een ander, de rechtbank neemt aan [medeverdachte], uit te geven. Ook het in groepjes doen van kleine aankopen met biljetten van € 50 bij telkens weer een andere winkel duidt op die wetenschap.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte bij het uitgeven van vals geld bewust en nauw heeft samengewerkt met de groep jongeren dan wel met [medeverdachte], zodat er sprake is van medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat onderzoek naar de uitgegeven bankbiljetten en de bij medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen biljetten heeft aangetoond dat deze vals waren en dat de biljetten van € 50,-- steeds waren voorzien van de drukplaatcode J004G1.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de tenlastegelegde periode vals geld heeft ontvangen en samen met anderen dat geld heeft uitgegeven als ware dit echt en onvervalst geld.

3.3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 29 februari 2008 tot en met 13 maart 2008 te Utrecht en Vleuten en Maarssen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk

als echte en onvervalste bankbiljetten heeft uitgegeven de hierna te

noemen bankbiljetten van 50 euro, en wel:

-2 bankbiljetten van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de [bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Vleuten en

-5 bankbiljetten van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de [bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Vleuten en

-4 bankbiljetten van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de [bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht en

-2 bankbiljetten van 50 euro op 13 maart 2008 (bij [bedrijf 2] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht en

-1 bankbiljet van 50 euro op 13 maart 2008 (bij [bedrijf 3] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht en

-6 bankbiljetten van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de [bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht en

-1 bankbiljet van 50 euro op 29 februari 2008 (bij het [bedrijf 4] gevestigd aan het [adres]) te Maarssen

en

met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven voornoemde bankbiljetten van 50 euro heeft ontvangen

van welke bankbiljetten de valsheid hem, verdachte en/of zijn mededader(s) toen hij/zij die bankbiljetten ontvingen, bekend was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Voortgezette handeling van:

Medeplegen van opzettelijk als echte en onvervalste bankbiljetten uitgeven, bankbiljetten, waarvan de valsheid hem toen hij ze ontving, bekend was, meermalen gepleegd;

en

Medeplegen van het ontvangen van bankbiljetten, waarvan de valsheid hem toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen jeugddetentie voor de duur van 150 dagen waarvan 107 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd in het kader van de maatregel Hulp en Steun zal gedragen naar en houden aan de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering. De officier van justitie heeft voorts gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan verdachte op te leggen jeugddetentie voor de duur van 124 dagen waarvan 107 dagen voorwaardelijk.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben en uitgeven van valse bankbiljetten. Niet alleen ondermijnt het uitgeven van vals geld het vertrouwen in het chartale geldverkeer, het vormt tevens een grote kostenpost voor de middenstand. Ondernemingen dienen zich namelijk met extra apparatuur te ‘wapenen’ om valse bankbiljetten meteen bij de kassa te ontdekken. Bovendien krijgen ondernemers valse bankbiljetten niet vergoed door De Nederlandse Bank, waardoor de schade aanzienlijk kan zijn.

Verdachte heeft ter terechtzitting zijn betrokkenheid bij de hem ten laste gelegde gedragingen erkend.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 maart 2009, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld;

- de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 17 april 2008;

- de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 24 april 2008;

- de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 8 mei 2008;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van Bureau Jeugdzorg Utrecht d.d.

15 januari 2009, opgemaakt door S. Hafsi, reclasseringswerker;

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straffen voldoende recht doen aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee, in het bijzonder gelet op de inhoud van het rapport van de heer Hafsi van Bureau Jeugdzorg, dat verdachte een goede weg lijkt te zijn ingeslagen.

6. De benadeelde partij

6.1. [bedrijf 3]

De benadeelde partij [bedrijf 3] vordert een schadevergoeding van € 50,00 voor feit 1 (zaak 6).

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

6.2. [bedrijf 5]

De benadeelde partij [bedrijf 5] Maarssen vordert een schadevergoeding van € 150,00 (zaak 17).

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 209 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het onder 4.1 genoemde strafbare feit oplevert.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 150 dagen, waarvan 107 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd in het kader van de maatregel Hulp en Steun moet gedragen naar en houden aan de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering, zolang die instelling dat nodig acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

- veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 40 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 3] van € 50,00;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [bedrijf 3], € 50,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart de benadeelde partij [bedrijf 5] Maarssen niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. S.C. Hagedoorn en mr. A. Muller, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 april 2009.