Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BI0642

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-04-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
16/602578-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van voorhanden hebben en uitgeven van valse bankbiljetten. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 180 dagen, waarvan 130 dagen voorwaardelijk. + TUL.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/602578-08; 16/512341-07 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 april 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats]

wonende te [woonadres] te [woonplaats]

raadsvrouwe mr. C.H. Dijkstra, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 maart 2009, waarbij de officier van justitie, mr. W.J. Koreman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 13 maart 2008 te Utrecht

en/of Vleuten, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven de hierna te

noemen bankbiljet(ten) van 50 euro, en wel:

-2, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Vleuten (zaak 2) en/of

-5, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Vleuten (zaak 3) en/of

-4, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 4) en/of

-2, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij

[bedrijf 2] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 5)

en/of

-1 bankbiljet van 50 euro op 13 maart 2008 (bij [bedrijf 3] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 6) en/of

-6, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 7)

en/of

met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen

uitgeven (een of meer van) voornoemde bankbiljet(ten) van 50 euro heeft

ontvangen en/of zich heeft verschaft en/of in voorraad heeft gehad,

en van welke bankbiljet(ten) de valsheid of vervalsing hem, verdachte en/of

zijn mededader(s) toen hij/zij dat/die bankbiljet(ten) ontving(en), bekend

was/waren;

Subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 13 maart 2008 te Utrecht

en/of Vleuten, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk de hierna te noemen

(een) vals(e) of vervalst(e) bankbiljet(ten) van 50 euro heeft uitgegeven, en

wel:

-2, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Vleuten (zaak 2) en/of

-5, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Vleuten (zaak 3) en/of

-4, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 4) en/of

-2, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij

[bedrijf 2] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 5)

en/of

-1 bankbiljet van 50 euro op 13 maart 2008 (bij [bedrijf 3] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 6) en/of

-6, althans een of meer, bankbiljet(ten) van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de

[bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht (zaak 7).

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

3.2. De bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat verdachte betrokken is bij de uitgifte van vals geld op 13 maart 2008 door een groep jongeren, allen uit de vriendenkring van medeverdachte [medeverdachte]. Zij overweegt daartoe het volgende.

Uit de afgeluisterde telefoongesprekken leidt de rechtbank af dat medeverdachte [medeverdachte] contact heeft met een persoon in Amsterdam met wie hij daar ook afspreekt. Er wordt over aantallen gesproken, waarbij opvalt dat [medeverdachte] een keer aangeeft dat er ‘eentje niet goed zou zijn’ (bladzijde 152), er gesproken wordt over 'die groene ook?’ (bladzijde 163) en hij vraagt ‘of hij ze alle twee heeft’ waarop wordt geantwoord: 'nee alleen die ene die je gewend bent' (bladzijde 172). Met zijn broer spreekt [medeverdachte] ook over aantallen en ‘tientjes’ en ‘twintigjes’ (bladzijde 192). Op 27 maart 2008 spreekt [medeverdachte] af in Amsterdam en geeft aan 110 te willen hebben. De rechtbank houdt het ervoor dat de door medeverdachte gevoerde gesprekken over het verkrijgen van vals geld gaan, mede gelet op de observatie van 27 maart 2008 waarbij is gezien dat [medeverdachte] naar Amsterdam is gegaan, contact heeft met onbekende personen en bij zijn aanhouding die dag 107 valse biljetten van € 50,-- bij zich heeft.

Verdachtes betrokkenheid bij de uitgifte van vals geld op 13 maart 2008 blijkt uit een observatie op die dag. Er wordt gezien dat medeverdachte [medeverdachte] in de auto van zijn broer rondrijdt met vier jongens uit zijn vriendengroep, waaronder verdachte. Jongens uit deze groep bezoeken in een tijdsbestek van anderhalf uur vier filialen van [bedrijf 1], een [bedrijf 2] en een [bedrijf 3] en kopen daar iets kleins met – naar later is gebleken valse - biljetten van € 50,--.

De raadsvrouwe van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte zich op 13 maart 2008 niet in de auto bevond. De politie heeft op 13 maart 2008 vanaf het begin gedacht dat verdachte zich in de auto bevond die werd geobserveerd. Het is dan logisch dat de politie verder relateert dat verdachte op 13 maart filialen van [bedrijf 1] bezoekt. Uit de ter zitting getoonde camerabeelden die in de [bedrijf 1] op de [adres] te Vleuten zijn opgenomen is naar de mening van de raadsvrouw echter niet af te leiden dat verdachte daarop te zien is. Het betreft een jongen met een ander postuur, die anders loopt dan verdachte. Het strookt ook niet met de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2], die de politie die dag niet heeft gezien bij een [bedrijf 1], maar die zelf aangeeft daar wel te zijn geweest. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] is ten slotte niet betrouwbaar, omdat deze pas een maand nadien verklaart dat verdachte die dag bij de groep was.

De rechtbank sluit niet uit dat een ander dan verdachte is te zien op de camerabeelden van de [bedrijf 1] op de [adres] te Vleuten. Verdachte kan zijn verwisseld met een andere inzittende uit de auto. Vast staat echter dat er vijf inzittenden waren, dat die dag de politie verdachte als een van hen heeft herkend en dat ook medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zeggen dat verdachte er bij was. Voorts is er een afdruk van verdachtes linkerduim aangetroffen op een op die dag bij [bedrijf 1] aan de [adres] te Vleuten uitgegeven biljet van € 50,--. De rechtbank overweegt hierbij ook nog dat de herkenning van verdachte in de auto door een andere medewerker van het observatieteam is geschied dan de medewerker die verdachte zou hebben gezien bij de [bedrijf 1] op de [adres] te Vleuten.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de tenlastegelegde periode samen met anderen vals geld heeft uitgegeven als ware dit echt en onvervalst geld.

3.3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op tijdstippen op 13 maart 2008 te Utrecht en Vleuten, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

als echte en onvervalste bankbiljetten heeft uitgegeven de hierna te

noemen bankbiljetten van 50 euro, en wel:

-2 bankbiljetten van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de [bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Vleuten en

-5 bankbiljetten van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de [bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Vleuten en

-4 bankbiljetten van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de [bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht en

-2 bankbiljetten van 50 euro op 13 maart 2008 (bij [bedrijf 2] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht en

-1 bankbiljet van 50 euro op 13 maart 2008 (bij [bedrijf 3] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht en

-6 bankbiljetten van 50 euro op 13 maart 2008 (bij de [bedrijf 1] gevestigd aan de [adres]) te Utrecht

en

met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven voornoemde bankbiljetten van 50 euro heeft ontvangen,

van welke bankbiljetten de valsheid hem, verdachte en/of zijn mededader(s) toen zij die bankbiljetten ontvingen, bekend was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het onder primair bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Voortgezette handeling van:

Medeplegen van opzettelijk als echte en onvervalste bankbiljetten uitgeven, bankbiljetten, waarvan de valsheid hem toen hij ze ontving, bekend was, meermalen gepleegd;

en

Medeplegen van het ontvangen van bankbiljetten, waarvan de valsheid hem toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen jeugddetentie voor de duur van 180 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 129 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben en uitgeven van valse bankbiljetten. Niet alleen ondermijnt het uitgeven van vals geld het vertrouwen in het chartale geldverkeer, het vormt tevens een grote kostenpost voor de middenstand. Ondernemingen dienen zich namelijk met extra apparatuur te ‘wapenen’ om valse bankbiljetten meteen bij de kassa te ontdekken. Bovendien krijgen ondernemers valse bankbiljetten niet vergoed door De Nederlandse Bank, waardoor de schade aanzienlijk kan zijn.

De rechtbank zal bij haar strafoplegging rekening houden met het feit dat verdachte voor de bewezenverklaarde feiten geen enkele verantwoordelijkheid heeft willen nemen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 maart 2009, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld;

- de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 20 mei 2008;

- een plan van aanpak betreffende de verdachte van Bureau Jeugdzorg Utrecht

d.d. 6 juni 2008, opgemaakt door A. Öksüz, jeugdreclasseringswerker;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van Bureau Jeugdzorg Utrecht d.d. 18 maart 2009, opgemaakt door A. Öksüz, jeugdreclasseringswerker.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte.

6. De benadeelde partij

De benadeelde partij [bedrijf 3] vordert een schadevergoeding van € 50,00 voor feit 1 (zaak 6).

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

7. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter d.d. 6 maart 2008 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 47, 56, 77a, 77g, 77i, 77l, 77x, 77y, 77z, 77dd, 77ee, 77gg en 209 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het onder 4.1 genoemde strafbare feit oplevert.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 180 dagen, waarvan 130 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 6 maart 2008 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/512341-07 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten jeugddetentie voor de duur van vier maanden;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 3] van € 50,00;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [bedrijf 3], € 50,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Muller, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. W. Foppen en mr. S.C. Hagedoorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 april 2009.