Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH9818

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
264988/ KG ZA 09-321 en 264992 FA RK 09-1809
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet tijdelijk huisverbod: beroep en voorlopige voorziening.

Beroep ongegrond verklaard en voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector civiel recht, team familie

nummer: 264988 / KG ZA 09-321 en 264992 FA RK 09-1809

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2009 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende te [woonplaats]

verzoeker, tevens eiser, hierna te noemen: verzoeker,

gemachtigde: mr. G.J. Boven,

tegen

de burgemeester van de gemeente Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen: verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het door de burgemeester van Utrecht bij besluit van 19 maart 2009 aan verzoeker opgelegde tijdelijk huisverbod, dat geldt van 19 maart 2009, 04.30 uur tot 29 maart 2009, 04.30 uur.

1.2 Het op 25 maart 2009 ingediende verzoek is op 27 maart 2009 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. Boven, advocaat te Leusden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw mr. S. Ramdoelare Tewari en de heer P. Bosman, beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (nr. 264992 FA RK 09-1809):

2.3. Uit feiten en omstandigheden is gebleken dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van de medebewoners, in dit geval zijn echtgenote en hun 6-jarige dochter. De door verweerder genoemde risico-factoren rechtvaardigen deze conclusie. Daarbij is met name van belang dat sprake is van een duurzaam verstoorde relatie tussen verzoeker en zijn echtgenote, waarbij al langere tijd sprake is van verbaal geweld door verzoeker tegen zijn echtgenote en ook incidenteel geweld tegen goederen, in aanwezigheid van hun zesjarige dochter. Op 18 maart 2009 is het zodanig uit de hand gelopen dat de buren van verzoeker een melding hebben gedaan bij de politie in verband met verbale agressie en geruzie in de woning van verzoeker, waarna de echtgenote van verzoeker op 19 maart 2009 aangifte heeft gedaan van huiselijk geweld door verzoeker. Uit de door verweerder in het geding gebrachte stukken blijkt verder dat verzoeker eerder hulpverlening heeft ontvangen van een GGZ-instelling voor onder meer agressiebeheersing en dat ongeveer drie weken voor de escalatie op 18 maart 2009 een incident heeft plaatsgevonden waarbij verzoeker zijn echtgenote fysiek heeft mishandeld, waardoor zij een gekneusde rib heeft opgelopen. Dit laatste is door verzoeker niet betwist.

2.4. Gelet op de aard en de ernst van de problematiek van huiselijk geweld kan in het algemeen worden aangenomen dat het ten tijde van het bestreden besluit vastgestelde (ernstig vermoeden van) ernstig en onmiddellijk gevaar de in de Wet tijdelijk huisverbod bepaalde afkoelingsperiode van 10 dagen rechtvaardigt, tenzij uit feiten of omstandigheden blijkt dat het (vermoeden van) ernstig en onmiddellijk gevaar inmiddels is geweken. Dergelijke feiten of omstandigheden hebben zich in dit geval niet voorgedaan. Ter terechtzitting is gebleken dat de relatieproblemen tussen verzoeker en zijn echtgenote nog onverminderd aanwezig zijn en wel zodanig dat zij hebben besloten de relatie te verbreken. Bovendien is gebleken dat verzoeker rancuneus is ten opzichte van zijn echtgenote als gevolg van haar aangifte en van het hem opgelegde huisverbod. Ook de overige persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn werkloosheid, zijn ongewijzigd. Weliswaar is de hulpverlening van verzoeker na het opgelegde huisverbod opgestart, maar gezien de aard van de problematiek kan niet verwacht worden dat deze hulpverlening nu al een zodanig resultaat heeft dat er geen gevaar meer voor de veiligheid van het gezin van verzoeker is, te meer nu uit het “plan van aanpak hulpverlening huisverbod” blijkt dat de kans op recidive groot is.

2.5. De stelling van verzoeker dat zijn echtgenote er mee instemt dat hij vooralsnog weer zijn intrek neemt in de echtelijke woning, levert, mede gelet op de belangen van de minderjarige dochter van verzoeker, geen grond op voor een ander oordeel. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het huisverbod, indien dit niet zal worden verlengd, al binnen twee dagen na de behandeling ter zitting afloopt. Namens verweerder is overigens ter zitting verklaard dat over een eventuele verlenging nog geen beslissing is genomen, nu dit mede afhangt van het verdere verloop van de gebeurtenissen tijdens de 10-dagentermijn.

2.6. Verzoeker heeft ter zitting benadrukt dat ook zijn echtgenote een rol heeft in de tussen hen bestaande problemen en hij heeft aangegeven verbolgen te zijn dat alleen hij daarvoor lijkt te zijn gestraft. Hij heeft daarbij tevens gesteld dat het meer voor de hand had gelegen als zijn echtgenote de woning had dienen te verlaten. De voorzieningenrechter wijst er op dat het tijdelijk huisverbod geen straf is maar een maatregel ter bescherming van de medebewoners in situaties waarbij er een acute en dringende behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode om verdere escalatie te voorkomen. Hoewel bepaald niet uitgesloten moet worden geacht dat ook de echtgenote van verzoeker een aandeel heeft in de problematiek acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat aan de verkeerde persoon een huisverbod is opgelegd. Anders dan verzoeker heeft zij aangifte gedaan van huiselijk geweld en zij is degene geweest die nog onlangs door het handelen van verzoeker een gekneusde rib heeft opgelopen.

2.7 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om een huisverbod op te leggen en in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen gebruik te maken van de bevoegdheid om het huisverbod in te trekken.

2.8 Hetgeen in beroep is aangevoerd kan, gelet op het voorgaande, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (nr. 264988 / KG ZA

09-321 ):

2.9 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2009 in aanwezigheid van mr. C. Bosma-van ’t Hof, griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.