Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH9788

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
SBR 08-1154
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoeker ten onrechte ontvangen in bezwaar tegen de van rechtswege verleende bouwvergunningen. Beroep verzoeker om die reden gegrond, bestreden besluit dient te worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid neergelegd in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb door zelf in de zaak te voorzien en verzoekers alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/1154

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 31 maart 2009

inzake

[eiseres],

wonende te Maarssen,

eiseres,

tegen

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maarssen,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 maart 2008, waarbij de bezwaren van eiseres tegen de van rechtswege aan ENECO Energie Infra Utrecht N.V., thans N.V. Stedin Netten Utrecht, (verder: vergunninghouder) verleende bouwvergunning voor het vernieuwen/vergroten van 10 hoogspanningsmasten op de kadastrale percelen sectie B, nrs. 10166, 10129, 9464, 9516, 10141, 10201, 10194 en 8656 te Maarssen (verder: de percelen), ongegrond zijn verklaard.

1.2 Het beroep is op 4 maart 2009 ter zitting behandeld, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. F.J.J. van West de Veer, werkzaam bij de Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandsverzekering te Zoetermeer. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. F.M.G.M. Leyendeckers, advocaat te Utrecht, en mr. D. Goris, werkzaam bij de gemeente Maarssen. Namens vergunninghouder is verschenen mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn, en M. Janssen, werkzaam bij vergunninghouder.

Overwegingen

2.1 Bij afzonderlijke besluiten van 25 juli 2006 heeft verweerder aanvragen van vergunninghouder om bouwvergunningen voor het vernieuwen en vergroten van tien hoogspanningsmasten op de percelen afgewezen. Het door vergunninghouder tegen die besluiten ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 15 januari 2007 (nrs. SBR 06/3019 en 3242-3250) gegrond verklaard. Bij die uitspraak zijn tevens de besluiten van 25 juli 2006 vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de hoogspanningsmasten in overeenstemming zijn met de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan ‘Maarssenbroek Woongebied’ en dat verweerder niet binnen de in artikel 46, eerste lid, van de Woningwet gestelde termijn heeft beslist op de aanvragen om een bouwvergunning, zodat geoordeeld moet worden dat de bouwvergunningen van rechtswege zijn verleend.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) heeft in hoger beroep bij uitspraak van 10 oktober 2007 de aangevallen uitspraak bevestigd (nr. 200701755/1).

2.2 Eiseres heeft op 12 maart 2007 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen de van rechtswege verleende bouwvergunningen.

2.3 Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2.4 De rechtbank staat allereerst voor de beantwoording van de vraag of eiseres tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de van rechtswege verleende bouwvergunningen.

De rechtbank overweegt dat, gezien de hiervoor onder 2.1 genoemde uitspraken van de rechtbank Utrecht en de ABRS, tussen partijen niet (meer) in geschil is dat de bouwvergunningen voor de thans in geding zijnde 10 hoogspanningsmasten van rechtswege zijn verleend. Verweerder heeft immers niet binnen de in artikel 46, eerste lid, van de Woningwet gestelde termijn beslist op de, op 24 maart 2006 bij verweerder ingekomen, aanvragen om een bouwvergunning, als gevolg waarvan de bouwvergunningen op 16 juni 2006 van rechtswege zijn verleend.

Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt. Nu de bouwvergunningen op 16 juni 2006 van rechtswege zijn verleend, staat vast dat door eiseres niet binnen zes weken na deze datum een bezwaarschrift is ingediend.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Artikel 58 van de Woningwet bepaalt dat de eigenaar of hoofdgebruiker van een naburig ander gebouw, overeenkomstig bij de bouwverordening gegeven voorschriften, door burgemeester en wethouders binnen twee weken na de dag waarop een bouwvergunning van rechtswege is verleend, schriftelijk van deze verlening in kennis wordt gesteld.

Verweerder heeft de omwonenden, waaronder eiseres, niet op of omstreeks 16 juni 2006 op de hoogte gesteld van de bouwvergunningen van rechtswege. Zoals uit de hierna volgende overwegingen zal blijken, heeft verweerder dit eerst gedaan naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 januari 2007.

Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS dient een belanghebbende, niet zijnde de aanvrager, die van het verlenen van een vergunning niet schriftelijk op de hoogte is gesteld terwijl daarvan geen publicatie heeft plaatsgevonden, binnen twee weken nadat hij van het bestaan van het besluit op de hoogte is geraakt, zijn bezwaren kenbaar te maken. De rechtbank verwijst onder meer naar de uitspraak van de ABRS van 13 juli 2005, www.rechtspraak.nl: LJN: AT9275.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres, zo al niet op 30 januari 2007, zijnde de datum waarop de onder 2.1 genoemde uitspraak van de rechtbank Utrecht is verzonden, dan toch in ieder geval op 15 februari 2007, zijnde de datum waarop verweerder middels een publicatie bekend heeft gemaakt dat de bouwvergunningen van rechtswege zijn verleend, op de hoogte kon zijn van dat besluit.

De rechtbank stelt vast dat door eiseres niet binnen twee weken na 30 januari 2007 dan wel 15 februari 2007 een bezwaarschrift is ingediend. De rechtbank acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig om van de termijn van twee weken af te wijken.

2.5 Dit betekent dat verweerder eiseres ten onrechte heeft ontvangen in haar bezwaar tegen de van rechtswege verleende bouwvergunningen. Het door eiseres ingestelde beroep dient om die reden dan ook gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid neergelegd in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb door zelf in de zaak te voorzien en eiseres alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar bezwaar.

2.6 De rechtbank acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres in beroep. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- als kosten voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit,

3.3 verklaart eiseres alsnog niet-ontvankelijk in haar bezwaar tegen de van rechtswege verleende bouwvergunningen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit,

3.4 veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten bedrage van € 644,-, te betalen door de gemeente Maarssen aan eiseres,

3.5 bepaalt dat de gemeente Maarssen het door eiseres betaalde griffierecht van € 145,- aan haar vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2009.

De griffier: De rechter:

W.B. Lakeman mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Let wel:

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.