Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH9780

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
SBR 08/1150 en SBR 09/183 VV
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoekers ten onrechte ontvangen in bezwaar tegen de van rechtswege verleende bouwvergunningen. Beroep verzoekers om die reden gegrond, bestreden besluit dient te worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid neergelegd in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb door zelf in de zaak te voorzien en verzoekers alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 08/1150 en SBR 09/183 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 maart 2009 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak,

inzake

[verzoeker 1], [verzoeker 2], [verzoeker 3], [verzoeker 4] en [verzoeker 5],

allen wonende te Maarssen,

verzoekers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 6 maart 2008, waarbij de bezwaren van verzoekers tegen de van rechtswege aan ENECO Energie Infra Utrecht N.V., thans N.V. Stedin Netten Utrecht, (verder: vergunninghouder) verleende bouwvergunning voor het vernieuwen/vergroten van 10 hoogspanningsmasten op de kadastrale percelen sectie B, nrs. 10166, 10129, 9464, 9516, 10141, 10201, 10194 en 8656 te Maarssen (verder: de percelen), ongegrond zijn verklaard.

1.2 Het verzoek is op 4 maart 2009 ter zitting behandeld, waar verzoekers [verzoeker 1], [verzoeker 4] en [verzoeker 5] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. B.J. Meruma, advocaat te Amsterdam. De overige verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Meruma voornoemd. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. F.M.G.M. Leyendeckers, advocaat te Utrecht, en mr. D. Goris, werkzaam bij de gemeente Maarssen. Namens vergunninghouder is verschenen mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn, en

M. Janssen, werkzaam bij vergunninghouder.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (SBR 08/1150):

2.3 Bij afzonderlijke besluiten van 25 juli 2006 heeft verweerder aanvragen van vergunninghouder om bouwvergunningen voor het vernieuwen en vergroten van tien hoogspanningsmasten op de percelen afgewezen. Het door vergunninghouder tegen die besluiten ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 15 januari 2007 (nrs. SBR 06/3019 en 3242-3250) gegrond verklaard. Bij die uitspraak zijn tevens de besluiten van 25 juli 2006 vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de hoogspanningsmasten in overeenstemming zijn met de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan ‘Maarssenbroek Woongebied’ en dat verweerder niet binnen de in artikel 46, eerste lid, van de Woningwet gestelde termijn heeft beslist op de aanvragen om een bouwvergunning, zodat geoordeeld moet worden dat de bouwvergunningen van rechtswege zijn verleend.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) heeft in hoger beroep bij uitspraak van 10 oktober 2007 de aangevallen uitspraak bevestigd (nr. 200701755/1).

2.4 Verzoeker [verzoeker 1] heeft op 8 maart 2007 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen de van rechtswege verleende bouwvergunningen. Verzoekers [verzoekers 2,3,4 en 5] hebben dat eveneens gedaan en wel op respectievelijk 7 maart 2007, 19 maart 2007, 21 maart 2007 en 19 maart 2007.

2.5 Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard.

2.6 De voorzieningenrechter staat allereerst voor de beantwoording van de vraag of verzoekers tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen de van rechtswege verleende bouwvergunningen.

De voorzieningenrechter overweegt dat, gezien de hiervoor onder 2.3 genoemde uitspraken van de rechtbank Utrecht en de ABRS, tussen partijen niet (meer) in geschil is dat de bouwvergunningen voor de thans in geding zijnde 10 hoogspanningsmasten van rechtswege zijn verleend. Verweerder heeft immers niet binnen de in artikel 46, eerste lid, van de Woningwet gestelde termijn beslist op de, op 24 maart 2006 bij verweerder ingekomen, aanvragen om een bouwvergunning, als gevolg waarvan de bouwvergunningen op 16 juni 2006 van rechtswege zijn verleend.

Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt. Nu de bouwvergunningen op 16 juni 2006 van rechtswege zijn verleend, staat vast dat door verzoekers niet binnen zes weken na deze datum een bezwaarschrift is ingediend.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Artikel 58 van de Woningwet bepaalt dat de eigenaar of hoofdgebruiker van een naburig ander gebouw, overeenkomstig bij de bouwverordening gegeven voorschriften, door burgemeester en wethouders binnen twee weken na de dag waarop een bouwvergunning van rechtswege is verleend, schriftelijk van deze verlening in kennis wordt gesteld.

Verweerder heeft de omwonenden, waaronder verzoekers, niet op of omstreeks 16 juni 2006 op de hoogte gesteld van de bouwvergunningen van rechtswege. Zoals uit de hierna volgende overwegingen zal blijken, heeft verweerder dit eerst gedaan naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 januari 2007.

Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS dient een belanghebbende, niet zijnde de aanvrager, die van het verlenen van een vergunning niet schriftelijk op de hoogte is gesteld terwijl daarvan geen publicatie heeft plaatsgevonden, binnen twee weken nadat hij van het bestaan van het besluit op de hoogte is geraakt, zijn bezwaren kenbaar te maken. De voorzieningenrechter verwijst onder meer naar de uitspraak van de ABRS van 13 juli 2005, www.rechtspraak.nl: LJN: AT9275.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers, zo al niet op 30 januari 2007, zijnde de datum waarop de onder 2.3 genoemde uitspraak van de rechtbank Utrecht is verzonden, dan toch in ieder geval op 15 februari 2007, zijnde de datum waarop verweerder middels een publicatie bekend heeft gemaakt dat de bouwvergunningen van rechtswege zijn verleend, op de hoogte konden zijn van dat besluit.

De voorzieningenrechter stelt vast dat door verzoekers niet binnen twee weken na 30 januari 2007 dan wel 15 februari 2007 een bezwaarschrift is ingediend. De voorzieningenrechter acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig om van de termijn van twee weken af te wijken.

2.7 Dit betekent dat verweerder verzoekers ten onrechte heeft ontvangen in hun bezwaar tegen de van rechtswege verleende bouwvergunningen. Het door verzoekers ingestelde beroep dient om die reden dan ook gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid neergelegd in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb door zelf in de zaak te voorzien en verzoekers alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun bezwaar.

2.8 De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers in beroep. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- als kosten voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 09/183 VV):

2.9 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet aangewezen. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit,

3.3 verklaart verzoekers alsnog niet-ontvankelijk in hun bezwaar tegen de van rechtswege verleende bouwvergunningen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit,

3.4 veroordeelt verweerder in de kosten van verzoekers in dit geding ten bedrage van € 644,-, te betalen door de gemeente Maarssen aan verzoekers,

3.5 bepaalt dat de gemeente Maarssen het door verzoekers betaalde griffierecht van € 145,- aan hen vergoedt.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2009.

De griffier: De voorzieningenrechter:

W.B. Lakeman mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Let wel

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.