Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH9718

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
SBR 09/181 VV, SBR 09/300 VV, SBR 09/301 VV, SBR 09/302 VV, SBR 09/424 en SBR 09/425 VV
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL7010, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verplaatsing hoogspanningsmasten. Ongegrond verklaring beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 09/181 VV, SBR 09/300 VV, SBR 09/301 VV, SBR 09/302 VV, SBR 09/424 en SBR 09/425 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2009 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak,

inzake

[verzoeker 1], [verzoeker 2], [verzoeker 3], [verzoeker 4] , [verzoeker 5] , [verzoeker 6] , [verzoeker 7] [verzoeker 8] , [verzoeker 9] , [verzoeker 10] en [verzoeker 11] ,

allen wonende te Maarssen,

verzoekers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen,

verweerder.

Inleiding

1.1 De verzoeken hebben betrekking op de besluiten van 19 maart 2008, waarbij een vergunning en vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) is verleend aan Eneco Energie Infra Utrecht N.V., thans N.V. Stedin Netten Utrecht, (verder: vergunninghouder) voor het vernieuwen en vergroten van een hoogspanningsmast op het kadastrale perceel sectie B, nr. 10363 (mast 10), sectie B, nr. 10129 (mast 12), sectie B, nr. 10201 (mast 16) en sectie B, nr. 10316 (mast 17).

Deze verzoeken zijn geregistreerd onder nummers SBR 09/181 VV, SBR 09/300 VV , SBR 09/301 VV, SBR 09/302 VV.

1.2 Het verzoek heeft tevens betrekking op het besluit van verweerder van 27 januari 2009, waarbij de bezwaren van verzoekers tegen de onder 1.1 vermelde besluiten van 19 maart 2008 ongegrond zijn verklaard. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer SBR 09/425 VV. Het bij de rechtbank tegen dat besluit ingestelde beroep is geregistreerd onder nummer SBR 09/424.

1.3 De verzoeken en het beroep zijn op 4 maart 2009 ter zitting behandeld, waar verzoekers [verzoeker 1], [verzoeker 5] en [verzoeker 11] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. B.J. Meruma, advocaat te Amsterdam. De overige verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Meruma voornoemd. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. F.M.G.M. Leyendeckers, advocaat te Utrecht, en mr. D. Goris, werkzaam bij de gemeente Maarssen. Namens vergunninghouder zijn verschenen mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn, en M. Janssen, werkzaam bij vergunninghouder.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich ten aanzien van de zaken onder nummers SBR 09/424 en SBR 09/425 VV hier voor.

Ten aanzien van de verzoeken, geregistreerd onder nummers SBR 09/181 VV, SBR 09/300 VV , SBR 09/301 VV, SBR 09/302 VV

2.3 De voorzieningenrechter ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of verzoekers nog belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorzieningen hangende het door hen ingediende bezwaar tegen de besluiten van verweerder van 19 maart 2008.

2.4 Inmiddels heeft verweerder op de bezwaren van verzoekers beslist bij besluit van 27 januari 2009. In aanmerking nemende dat verzoekers tegen laatstgenoemd besluit beroep bij de rechtbank hebben ingesteld alsmede de voorzieningenrechter hebben verzocht een voorlopige voorziening te treffen (zaken nrs. SBR 09/424 en SBR 09/425 VV), is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers geen belang meer hebben bij de onderhavige ingediende verzoeken om een voorlopige voorziening, zodat deze verzoeken niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van het beroep (SBR 08/424):

2.5 Vergunninghouder heeft op 22 augustus 2007 een viertal aanvragen om een bouwvergunning ingediend voor het vernieuwen en vergroten van de hoogspanningsmasten nrs. 10, 12, 16 en 17.

Aangezien de bouwplannen in strijd zijn met de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Maarssenbroek, 3e herziening”en het bestemmingsplan “Maarssenbroek Woongebied”, heeft verweerder Gedeputeerde Staten (GS) verzocht om afgifte van een verklaring van geen bezwaar. GS hebben de verklaring van geen bezwaar afgegeven op

4 maart 2008.

Verweerder heeft de bouwaanvraag voorts ter advisering in handen gesteld van de Commissie Welstand en Monumenten Midden Nederland, die middels een stempeladvies heeft verklaard dat de bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

Bij besluiten van 19 maart 2008 heeft verweerder met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling en bouwvergunning verleend ten behoeve van genoemde masten.

De door verzoekers tegen die besluiten ingediende bezwaren zijn bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.6 Het betoog van verzoekers dat het hoofd van de Afdeling Ruimte, [hoofd afdeling ruimte], het besluit op bezwaar onbevoegd heeft genomen, dan wel onbevoegd heeft ondertekend, slaagt niet. Uit de door verweerder bij brief van 26 februari 2009 overgelegde stukken blijkt dat het besluit op bezwaar is genomen door verweerder en niet door het hoofd van de Afdeling Ruimte. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken dat verweerder het hoofd van de Afdeling Ruimte mandaat heeft verleend tot ondertekening van het besluit van 27 januari 2009. De rechtbank kan verzoekers dan ook niet volgen in hun betoog dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 59a van de Gemeentewet.

2.7 Door verzoekers is voorts betoogd dat het bouwplan is gelegen in het bestemmingsplan Maarssenbroek, 6e herziening, en niet, zoals verweerder meent, in het bestemmingsplan Maarssenbroek, 3e herziening.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat het bouwplan, dat voorziet in de oprichting van hoogspanningsmast 10 in het zogenoemde geoptimaliseerde tracé, is gelegen in het bestemmingsplan Maarssenbroek, 3e herziening. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op grond van de ter zitting getoonde plankaart alsmede op basis van de door vergunninghouder ter zitting overgelegde uitspraak van de ABRS van 13 juni 2007, nr. 200608581/1, bezien in samenhang met het goedkeuringsbesluit van 17 oktober 2006 van Gedeputeerde Staten inzake het bestemmingsplan “Maarssenbroek-Werkgebied” van de gemeente Maarssen.

Ingevolge dit bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming “Verkeer”. De betreffende planvoorschriften bevatten geen voorschriften met betrekking tot de te plaatsen hoogspanningsmast. Wel is op de bij het bestemmingsplan behorende plankaart parallel aan de rijksweg A2 het tracé ingetekend van de masten met de hoogspanningsleidingen middels de weergave “x---x---x”. Mast 10, die vergunninghouder thans wenst te vergroten en te verplaatsen en waarop de vergunningaanvraag ziet, valt buiten het op de plankaart ingetekende tracé. Geoordeeld moet worden dat het bouwplan voor zover dat voorziet in de nieuwe locatie van hoogspanningsmast 10 in strijd is met dit bestemmingsplan. Verzoekers betoog dat het bouwplan is gelegen in het bestemmingsplan Maarssenbroek, 6e herziening, faalt derhalve.

De masten 12, 16 en 17 zijn gelegen in het bestemmingsplan ‘Maarssenbroek Woongebied’. Ingevolge dit bestemmingsplan rust ter plaatse mede de bestemming “Leidingen” met de subbestemming “hoogspanningsleiding”. Vergunninghouder beoogt mast 12 te verplaatsen richting de rijksweg A 2, mast 16 te verhogen en mast 17 te verhogen en te verplaatsen binnen het bestaande tracé in de richting van mast 18.

Ingevolge artikel 20 van dit bestemmingsplan mag de hoogte van bouwwerken voor hoogspanningsleidingen maximaal 30 meter bedragen. Aangezien met het bouwplan wordt beoogd de masten 12, 16 en 17 te verhogen en te verplaatsen, is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan.

2.8 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. In dit geval is de bevoegdheid gedelegeerd aan het college.

In artikel 19, vierde lid, van de WRO is bepaald dat vrijstelling krachtens het eerste lid niet wordt verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd

De vrijstellingsbevoegdheid van artikel 19, eerste lid, van de WRO betreft een discretionaire bevoegdheid betreft. Het al dan niet gebruiken van die bevoegdheid kan door de rechtbank slechts marginaal worden getoetst. Beoordeeld dient te worden of verweerder bij afweging van de betrokken belangen de vrijstelling in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Verzoekers hebben betoogd dat de besluiten van 19 maart 2008 in strijd zijn met het bepaalde in artikel 19, vierde lid, onder b, van de WRO, aangezien geen voorbereidingsbesluit is genomen.

Dit betoog faalt, nu door de raad van de gemeente Maarssen op 6 oktober 2008, gepubliceerd op 16 oktober 2008, een voorbereidingsbesluit is genomen. Voorts is op 4 maart 2008 door GS ten behoeve van het project een verklaring van geen bezwaar afgegeven, zodat geoordeeld wordt dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO.

2.9 In de ruimtelijke onderbouwing van 14 augustus 2007 van Eneco Infra Utrecht N.V. wordt een omschrijving gegeven van het projectgebied en van het betreffende project. In die onderbouwing wordt vermeld dat met het geoptimaliseerde tracé wordt beoogd de betrouwbaarheid en de beschikbaarheid van de stroomleverantie op minimaal het huidige niveau te handhaven. Voorts wordt met het bouwplan bewerkstelligd dat één mast verdwijnt en dat de andere masten verder van de woningen en de kinderboerderij worden geplaatst. Met name de masten nummers 10 en 12 zullen daarbij zo veel mogelijk in de richting van de snelweg A2 worden verplaatst. Verder is in de onderbouwing vermeld dat na de aanpassing van de thans in geding zijnde hoogspanningsmasten, waarbij sprake is van toepassing van speciale magneetveldarme masten, de sterkte van de elektromagnetische velden op maaiveldniveau bij de bewoonde bebouwing onder de 0,4 micro Tesla zal blijven, zijnde de referentiewaarde die door het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in haar beleid voor de ruimtelijke ordening is opgenomen. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de betreffende bevindingen zijn getoetst door Petersburg Consultants B.V., die op 12 december 2006 het rapport ‘Magnetische velden nabij de 150kV-hoogspanningslijn Utrecht (Lageweide) - Breukelen, locatie gemeente Maarssen’ heeft uitgebracht. Verzoekers hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd die nopen tot het oordeel dat verweerder genoemde rapporten niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Het betoog van verzoekers dat de 0,4 micro Tesla-zone de bewoonde bebouwing zal raken, kan dan ook niet slagen.

GS hebben in de verklaring van geen bezwaar te kennen gegeven, gezien deze ruimtelijke onderbouwing, geen bezwaren te hebben tegen de realisering van het bouwplan.

In de ruimtelijke onderbouwing zijn de ruimtelijke aspecten van het bouwplan voor de omgeving belicht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van deze ruimtelijke onderbouwing in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het bouwplan. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De bij verzoekers bestaande vrees dat de hoogspanningslijnen in de toekomst mogelijk zullen worden opgewaardeerd tot 380 kV, kan de rechtbank niet tot een ander oordeel brengen, reeds omdat vergunning is verleend voor het bouwplan ten behoeve van hoogspanningslijnen van 150kV. Uitsluitend dit besluit ligt thans ter beoordeling voor.

De door verzoekers geuite vrees voor de gezondheidsrisico’s van electrisch geladen fijnstofdeeltjes kan de rechtbank evenmin tot een ander oordeel brengen. Uit het rapport van het RIVM (‘hoogspanningslijnen en fijn stof’) blijkt dat bovengrondse hoogspanningslijnen de schadelijke effecten van fijn stof, voor zover thans bekend, niet beïnvloeden. Verweerder heeft zich op dit oordeel kunnen baseren. Verzoekers hebben geen andersluidend oordeel van een deskundige in geding gebracht, dat doet twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.

2.10 Hetgeen door verzoekers is aangevoerd, kan gelet op het bovenstaande, niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 09/425 VV):

2.11 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

Ten aanzien van het beroep, geregistreerd onder nummer SBR 09/424:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummers SBR 09/181 VV, SBR 09/300 VV, SBR 09/301 VV, SBR 09/302 VV:

3.2 verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer SBR 09/425 VV:

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2009.

De griffier: De voorzieningenrechter:

W.B. Lakeman mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Let wel

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.