Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH9632

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
16/600395-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden, gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 10 oktober 2006 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/505961-06 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 79 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/600395-08 en 16/505961-06 (TUL) [P]

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 maart 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein.

Raadsman mr. S.D. Kurz, advocaat te Maarssen.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 februari 2009, waarbij de officier van justitie, mr. M.J. Nijenhuis, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met parketnummer 16/505961-06. Op 3 december 2008 is de zaak onder parketnummer 16/601007-08 overeenkomstig artikel 285 van het wetboek van strafvordering gevoegd bij de zaak onder parketnummer 16/600395-08.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat

Onder parketnummer 16/600395-08:

Feit 1

hij op of omstreeks 30 maart 2008 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk

één of meer ruit(en) van een woning ([adres]), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of een

woningbouwvereniging, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt, door toen

aldaar opzettelijk en wederrechtelijk de/een ruit van de voordeur van die

woning in te slaan en/of te trappen en/of door een ruit van die woning (op

1-hoog) in te gooien;

Feit 2

hij op of omstreeks 02 april 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

voornoemde [aangever 1] één of meermalen dreigend de woorden toegevoegd :"Waar is je

kankervriendje"en/of "Waar is je kankervriendje, vuile kankerhoer, ik maak je

kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

en/of een (zwaar) slot in zijn hand genomen en/of is hij op een scooter (over

de stoep) naar die [aangever 1] toegereden;

Feit 3

hij op of omstreeks 28 maart 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

dreigend de dochter van die [aangever 1], te weten [getuige 2] (telefonisch) dreigend de

woorden toegevoegd "Zeg maar tegen je moeder, ik maak haar kapot" althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke woorden door die [getuige 2]

aan die [aangever 1] zijn overgebracht;

Onder parketnummer 16/601007-08:

hij op of omstreeks 25 augustus 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een huissleutel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

3. De beoordeling van het bewijs

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de diefstal van de huissleutel, omdat verdachte zich de sleutel niet wederrechtelijk wilde toeëigenen.

3.1. Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot parketnummer 16/600395-08

De rechtbank acht wettig en overtuigd bewezen dat verdachte de onder parketnummer 16/600395-08 tenlastegelegde feiten heeft begaan. De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte de feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de in de hiernavolgende bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van feit 1:

Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 3 december 2008

Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 december 2008 verklaard dat hij op 30 maart 2008 naar het huis van zijn vriendin is gegaan en daar een tweetal ruiten heeft ingegooid.

Proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] d.d. 3 april 2008

Aangeefster, die woont aan de [woonadres] te [woonplaats], heeft verklaard dat zij op 30 maart 2008 haar ex-vriend [verdachte] voor haar deur hoorde roepen. Nadat hij weg was heeft zij gezien dat het ruitje van haar voordeur was ingeslagen en zag zij dat een steen uit de stoep was gehaald, welke steen voor haar voordeur lag. Zij heeft voorts verklaard dat haar ex-vriend later nog een keer is langs geweest en een steen door de voorruit heeft gegooid.

Ten aanzien van feit 2:

Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 3 december 2008

Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 december 2008 verklaard dat hij op 2 april 2008 zijn vriendin op straat tegenkwam toen hij op zijn scooter naar haar woning reed.

Aangifte door [aangever 1] d.d. 2 april 2008

Aangeefster heeft verklaard dat zij op 2 april 2008 samen met [getuige 1] in Utrecht liep, toen zij haar ex-vriend, [verdachte], aan zag komen rijden op een scooter. Zij hoorde hem meerdere keren roepen: “Waar is je kankervriendje?”. Zij zag vervolgens dat [verdachte] van zijn scooter afstapte en dat hij een groot geel slot uit de zitting van zijn scooter haalde. Zij zag dat [verdachte] met het slot in zijn linkerhand op de scooter stapte en met het slot in zijn hand op haar afreed. Zij is toen haar huis in gevlucht.

Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 2 april 2008

[getuige 1] heeft verklaard dat zij op 2 april 2008 bij [aangever 1] was toen zij de ex-vriend van [aangever 1] op een scooter over de stoep hun richting op zag rijden. Zij hoorde hem zeggen: “Waar is je kankervriendje, vuile kankerhoer? Ik maak je kapot, vuile kankerhoer. Waar is dat kankervriendje? Ik maak je kapot.” Zij zag hem vervolgens een geel gekleurd voorwerp onder het zadel vandaan halen en zag hem vervolgens met een kettingslot in zijn handen op hen afkomen.

Ten aanzien van feit 3:

Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 3 december 2008

Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 december 2008 verklaard dat hij op 28 maart 2008 de dochter van [aangever 1] heeft gesproken.

Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 29 maart 2008

[getuige 2] heeft verklaard dat zij op 28 maart 2008 met haar moeder aan het werk was in Utrecht toen [verdachte] haar via de telefoon zei: “Zeg maar tegen je moeder dat ik haar kapot maak.” Zij heeft voorts verklaard dat [verdachte] in werkelijkheid [A] [de rechtbank leest: [A]] [verdachte] heet.

Aangifte door [aangever 1] d.d. 29 maart 2008

Aangeefster heeft verklaard zij op 28 maart 2008 met haar dochter [getuige 2] werkzaam was in Utrecht. Zij zag dat [getuige 2] aan het telefoneren was en zij hoorde [getuige 2] na het telefoongesprek tegen haar zeggen: “Mama, aangifte doen, want hij zegt dat hij je kapot gaat maken.”

3.2. Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot parketnummer 16/601007-08(op 3 december 2008 gevoegd bij parketnummer 16/600395-08)

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de huissleutel van zijn moeder heeft gestolen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Verdachte heeft verklaard dat hij sinds enkele weken bij zijn moeder woonde en dat hij telkens de sleutel meenam indien hij het huis van zijn moeder verliet, zodat hij ook weer binnen kon komen als hij terugkwam. De rechtbank acht dit een gebruikelijke gang van zaken indien iemand voor langere tijd verblijft in een woning. De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk had om zich de sleutel wederrechtelijk toe te eigenen.

3.3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van parketnummer 16/600395-08:

Feit 1

op 30 maart 2008 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk ruiten van een woning ([adres]), toebehorende aan [aangever 1], heeft vernield, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk de ruit van de voordeur van die woning in te slaan en door een ruit van die woning in te gooien;

Feit 2

op 2 april 2008 te Utrecht [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 1] meermalen dreigend de woorden toegevoegd :"Waar is je kankervriendje" en "Waar is je kankervriendje, vuile kankerhoer, ik maak je kapot", en een slot in zijn hand genomen en op een scooter (over

de stoep) naar die [aangever 1] toegereden;

Feit 3

op 28 maart 2008 te Utrecht [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend de dochter van die [aangever 1], te weten [getuige 2] (telefonisch) dreigend de woorden toegevoegd "Zeg maar tegen je moeder, ik maak haar kapot", welke woorden door die [getuige 2] aan die [aangever 1] zijn overgebracht;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn belangen geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is onderzocht door W. Amptmeijer, psychiater in opleiding en E.A.M. Schouten, psychiater. De deskundigen hebben vastgesteld dat verdachte een ziekelijke stoornis heeft vanwege de afhankelijkheid van cocaïne en door de aanwezigheid van een antisociale en borderline persoonlijkheidstoornis. Voorts is geconstateerd dat verdachte een IQ heeft van 85. Deze ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens hebben verdachte volgens de deskundigen in zekere mate beïnvloed bij het plegen van de tenlastegelegde feiten. De deskundigen hebben derhalve geconcludeerd dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is. Ook anderszins is niet gebleken van omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is aldus strafbaar.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van de tijd dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat de eis van de officier van justitie te hoog is gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Bovendien dient volgens de verdediging bij het bepalen van de strafmaat rekening te worden gehouden met de persoon van de aangeefster.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte en aangeefster hebben jarenlang een knipperlichtrelatie gehad. De bewezenverklaarde feiten heeft verdachte gepleegd in een periode dat zij geen relatie met elkaar hadden. De rechtbank leidt uit het dossier af dat aangeefster in die periode erg bang is geweest door de bedreigingen en handelingen van verdachte. Zij durfde niet meer alleen over straat te gaan en alleen in huis te verblijven. De rechtbank vindt het zwaar wegen dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor agressief gedrag (mishandeling en bedreiging) jegens aangeefster. Verdachte moet inzien dat dit gedrag niet valt te tolereren, ook niet als hij en zijn (ex-)vriendin onenigheid hebben met elkaar.

Met betrekking tot de persoon van verdachte neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat uit het psychiatrisch onderzoek, waarover reeds onder 4.2 is gesproken, naar voren is gekomen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Verdachte is onder andere afhankelijk van cocaïne. Om die reden is lopende de gerechtelijke procedure getracht verdachte in een kliniek een behandeling te laten ondergaan. Verdachte heeft zich evenwel niet aan de voorwaarden gehouden en de behandeling is afgebroken. De rechtbank ziet daardoor geen mogelijkheden om aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van

5 maanden passend is.

6. Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd een inbeslaggenomen mes verbeurd te verklaren.

Gelet op het feit dat verdachte op 25 augustus 2008 reeds afstand heeft gedaan van het mes, komt de rechtbank niet toe aan het nemen van een beslissing.

7. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 79 dagen, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Utrecht d.d. 10 oktober 2006, ten uitvoer zal worden gelegd.

De verdediging heeft verzocht de eventueel ten uitvoer te leggen straf te verrekenen met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

Het verzoek van de verdediging om de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf te verrekenen met het voorarrest dat verdachte in deze zaak heeft doorgebracht wordt afgewezen, nu de wet niet in die mogelijkheid voorziet (HR 3 maart 2009, LJN BG 5977). De rechtbank ziet wel aanleiding de verdachte in de gelegenheid te stellen een werkstraf te verrichten in plaats van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal daarom de gevangenisstraf omzetten in een werkstraf voor de duur van 158 uur, te vervangen door 79 dagen hechtenis indien hij de werkstraf niet naar behoren uitvoert.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 16/601007-08 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

Feit 2 en feit 3

Telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 10 oktober 2006 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/505961-06 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 79 dagen;

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf zal worden vervangen door een werkstraf van 158 uur;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 79 dagen;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.E. Bernini, voorzitter, mr. J.W. Veenendaal en mr. H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Falkmann, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 maart 2009.