Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH9507

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
16/601061-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummers: 16/601061-08 en 16/444097-08 [P]

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 maart 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Het Veer (FOBA) te Amsterdam

Raadsvrouw mr. W. Drummen, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 februari 2009. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie, mr. F.H. Charbon, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Ter terechtzitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het wetboek van strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat

Onder parketnummer 16/601061-08

Primair

hij op of omstreeks 08 september 2008 te Loenersloot, gemeente Loenen, althans

in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] (beiden

hoofdagent van politie en op dat moment inzittenden van een

surveillancevoertuig) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet

terwijl hij, verdachte, met zijn auto met hoge snelheid, althans aanzienlijke

snelheid (meer dan 90 kilometer per uur) op een (drukke) snelweg (Rijksweg A2)

reed en/of

terwijl op dat moment naast hem, op de linkerbaan, die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2]

in voornoemd surveillancevoertuig re(e)d(en),

plotseling en/of scherp naar links heeft gestuurd en/of (vervolgens) met zijn

auto tegen voornoemd surveillancevoertuig is aangereden, althans met zijn

auto dat surveillancevoertuig heeft geraakt

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 08 september 2008 te Loenersloot, gemeente Loenen, althans

in het arrondissement Utrecht, [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] (beiden hoofdagent

van politie op dat moment inzittenden van een surveillancevoertuig) heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

terwijl hij, verdachte, met zijn auto met hoge snelheid, althans aanzienlijke

snelheid (meer dan 90 kilometer per uur) op een (drukke) snelweg (Rijksweg A2)

reed en/of

terwijl op dat moment naast hem, op de linkerbaan, die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2]

in voornoemd surveillancevoertuig re(e)d(en),

plotseling en/of scherp naar links gestuurd en/of is verdachte (vervolgens)

met zijn auto aangereden tegen voornoemd surveillancevoertuig, althans heeft

hij met zijn auto voornoemd surveillancevoertuig geraakt;

Onder parketnummer 16/444097-08

Feit 1

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 04 augustus

tot en met 05 augustus 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht,

opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 3] (zijnde

klachtenbehandelaar van de politie regio Utrecht), gedurende en / of ter zake

van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, mondeling (door die [verbalisant 3]

te bellen en/of zijn voicemail in te spreken) heeft toegevoegd de woorden

"Kankerracist" en/of "vuile blanke kanker racist", althans woorden van gelijke

beledigende aard en / of strekking;

Feit 2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 04 augustus

2008 tot en met 05 augustus 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, ter uitvoering van het door, verdachte, voorgenomen misdrijf om een

ambtenaar, te weten [verbalisant 3] (zijnde klachtenbehandelaar van de politie

regio Utrecht), door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of

bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en),

te dwingen tot het volvoeren van een ambtsverrichting, te weten het

opnemen/indienen van een klacht en/of het voortzetten van een reeds

aangevangen klachtenprocedure,

(binnen korte tijd) (meermalen) de voicemail van die [verbalisant 3] heeft ingesproken

met (onder andere) het/de volgende bericht(en):

- "he [verbalisant 3], moet jij eens goed naar mij luisteren. Die klacht die ga jij

herindienen, die twee vieze kanker blanke jochies van jou die kennen mij niet

en als jij 100 procent zeker weet dat jij kan bepalen vieze kanker racist dat

dat mijn vrienden zijn kun je dat voor de rechter uitleggen. Ik bel jou morgen

terug, jij gaat die klacht indienen" en/of

- "Dus die klacht die ga jij herindienen en als jij dat niet doet, dan doe ik

tegen jou aangifte van racisme" en/of

- "He racist als jij die aanklacht morgen voor 12.00 uur niet ingediend hebt,

doe ik tegen je aangifte vanwege meewerken aan racisme" en/of

- "He [verbalisant 3], morgen voor 12 uur dien jij je klacht in anders doe ik

aangifte, ik heb al een gesprekkie gehad met mensen over jou. Dus met andere

woorden doe jij of ik een crimineel ben. Of dat ik ga weglopen voor de

politie. Jij gaat die klacht indienen [verbalisant 3] anders ben je de mijne. Jij

raakt je baan kwijt je functie, alles. 12 uur!"

zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. De beoordeling van het bewijs met betrekking tot parketnummer 16/601061-08

De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is geweest van opzet op de aanrijding, hetgeen zou blijken uit de omstandigheid dat er een lichte aanrijding heeft plaatsgevonden met lichte schade tot gevolg en dat het druk was op de weg waardoor er een reële mogelijkheid bestaat dat verdachte vanwege de drukte genoodzaakt was om plotseling naar links af te buigen. De verdediging heeft voorts de geloofwaardigheid van de betrokken verbalisanten en de onafhankelijkheid van de verkeerspolitie in twijfel getrokken.

Met betrekking tot de betwiste betrouwbaarheid van de processen-verbaal van de betrokken verbalisanten en het proces-verbaal technisch onderzoek van de verkeerspolitie Utrecht overweegt de rechtbank als volgt. Dat de politie onjuiste processen-verbaal zou hebben opgemaakt om goed te praten dat er een disproportionele aanhouding heeft plaatsgevonden, zoals door de verdediging gesteld, acht de rechtbank niet aannemelijk.

De gedetailleerde beschrijvingen van het incident door de betrokken verbalisanten zijn op hoofdlijnen eensluidend en de technische bevindingen van de verkeerspolitie stemmen overeen met de situatie zoals deze door de verbalisanten is beschreven. Alle processen-verbaal zijn voorts op ambtseed/-belofte opgemaakt. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de processen-verbaal van de betrokken verbalisanten en van de verkeerspolitie kunnen worden gebezigd voor het bewijs.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hen op de snelweg aan te rijden. De hiernavolgende bewijsmiddelen zijn daarvoor redengevend.

Proces-verbaal van bevindingen door [verbalisant 2] d.d. 8 september 2008

[verbalisant 2] is hoofdagent van de politie Utrecht. Hij heeft verklaard dat hij (als bijrijder) samen met zijn collega [verbalisant 1] (als bestuurder), op 8 september 2008 omstreeks 9.20 uur in een opvallend surveillancevoertuig reed toen hij via de mobilofoon te horen kreeg dat collega’s op de rijksweg A2 achter een rode Peugeot 309 met kenteken [kenteken], op naam van [verdachte], aanreden waarvan de bestuurder niet wilde stoppen. [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zijn de A2 opgereden, zijn voor de rode Peugeot gaan rijden en hebben de rode transparant aan de achterzijde met “STOP” aangezet. [verbalisant 2] zag in de spiegels dat de rode Peugeot hen meerdere malen links en rechts probeerde te passeren en dat hij hen uiteindelijk links inhaalde. Hij zag voorts dat de auto met snelheden boven de 100 kilometer per uur bij diverse personenauto’s op de bumper kleefde en rechts inhaalde. Via de vluchtstrook zijn zij weer voor de rode Peugeot gaan rijden. [verbalisant 2] zag dat de rode Peugeot schuin rechts achter hen reed en dat zij boven de 90 kilometer per uur reden. Hij zag dat de rode Peugeot hen langzaam rechts inhaalde. Vervolgens zag hij dat de rode Peugeot hard naar links stuurde, zag en voelde hij dat [verbalisant 1] hard remde om de aanrijding te voorkomen en zag hij dat de rode Peugeot met de linker achterzijde hun voertuig rechtsvoor raakte. [verbalisant 2] heeft voorts verklaard dat er absoluut geen noodzaak voor de bestuurder van de rode Peugeot was om plots naar links te sturen en dat het op het moment van de aanrijding druk was op de A2.

Proces-verbaal van bevindingen door [verbalisant 1] d.d. 8 september 2008

[verbalisant 1] is hoofdagent van de politie Utrecht. Hij heeft verklaard dat hij op 8 september 2008 samen met [verbalisant 2] in een herkenbare surveillance auto reed. [verbalisant 1] reed op de linker rijbaan en zag dat de bestuurder van de rode Peugeot hen langzaam rechts inhaalde. Hij schat dat de auto ongeveer 110 kilometer per uur moet hebben gereden. Hij zag dat op het moment dat de Peugeot met zijn achterwielen ter hoogte van het rechter voorportier reed, de bestuurder van de Peugeot plotseling scherp naar links stuurde. [verbalisant 1] reageerde op de plotselinge stuurbeweging door heel hard het rempedaal in te trappen. Hij zag en voelde dat de rode Peugeot hen vlak voor de rechter wielkast raakte. Hij zag dat de Peugeot door de botsing slipte en daarna kon doorrijden. [verbalisant 1] heeft verklaard dat het erg druk was op de Rijksweg en dat op alle drie de rijbanen het verkeer met een snelheid variërend tussen de 90 en 120 kilometer per uur reed.

[verbalisant 1] heeft verklaard dat zij bij Breukelen de A2 in de richting van Amsterdam op zijn gereden en dat zij na de aanrijding de afrit Loenersloot naderden. De rechtbank leidt daaruit af dat de aanrijding in het arrondissement Utrecht heeft plaatsgevonden.

Proces-verbaal technisch onderzoek door de verkeerspolitie Utrecht d.d. 12 oktober 2008

Uit het technisch onderzoek van de verkeerspolitie op 29 september 2008 komt naar voren dat de Peugeot 309 met kenteken [kenteken] aan de linkerzijde ter hoogte van het achterspatscherm en de achterbumper relatief verse schade had. Aan de Volkswagen (politieauto) werd schade aangetroffen op de rechter voorspatscherm, rechts op de voorbumper en aan het rechter koplampglas. De hoogte van de schade tussen beide voertuigen kwam overeen. Voorts is door de verkeerspolitie geconcludeerd dat als de spiegels vlak voor en op het moment van de aanrijding in dezelfde stand stonden als door de verkeerspolitie aangetroffen, de bestuurder van de Peugeot de Volkswagen heeft kunnen zien.

Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 9 september 2008

Verdachte heeft verklaard dat hij op 8 september 2008 in zijn rode Peugeot 309 met kenteken [kenteken] op de A2 reed. Hij heeft voorts verklaard dat hij 112 heeft gebeld en dat hij tegen de mevrouw van 112 heeft gezegd dat hij al een tijdje door een politieauto werd gevolgd. Voorts heeft hij verklaard dat hij een andere politieauto met zwaailichten en sirene over de vluchtstrook heeft zien rijden.

De verdediging heeft betwist dat er sprake is geweest van opzet op de aanrijding.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. Uit de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] blijkt dat verdachte met een plotselinge stuurbeweging zijn auto scherp naar links heeft gedraaid op het moment dat de politieauto links naast hem reed terwijl daartoe geen noodzaak was. Verdachte heeft tijdens zijn verhoren niet verklaard dat er een noodzaak was om plotseling van rijbaan te wisselen. Ook anderszins is dat niet aannemelijk geworden. Daar verdachte heeft verklaard dat hij wist dat hij door de politie werd gevolgd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte met die plotselinge manoeuvre geen andere bedoeling kan hebben gehad dan het willen aanrijden van de politieauto. Dat het is gebleven bij een lichte aanrijding met geringe schade, waaruit volgens de verdediging kan blijken dat er geen sprake is geweest van opzet, is uitsluitend te danken aan het adequate optreden van agent [verbalisant 1] doordat hij direct hard heeft geremd op het moment dat hij waarnam dat verdachte naar links stuurde. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat uit de abrupte manoeuvre van verdachte blijkt dat hij de opzet had om de politieauto te raken.

De rechtbank neemt aan dat er een aanmerkelijke kans bestond dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] in de gegeven situatie zwaar lichamelijk letsel hadden opgelopen door een aanrijding. Daarbij zijn de volgende omstandigheden van belang. Het incident vond plaats op een snelweg, terwijl beide betrokken voertuigen een hoge snelheid hadden (minimaal 90 km/uur). In de directe omgeving bevonden zich andere voertuigen die eveneens met een dergelijk hoge snelheid reden. Het was op dat moment druk op de weg, het verkeer reed afwisselend door (90 tot 120 km/uur), dan weer was er filevorming. Voorts reden de verbalisanten op de linkerbaan, direct naast de vangrail dus. Indien in die omstandigheden een aanrijding plaatsvindt, bestaat naar het oordeel van de rechtbank zonder meer de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij de personen die bij zo’n aanrijding betrokken raken. Er bestaat onvoldoende grond om aan te nemen dat er in deze situatie een aanmerkelijke kans bestond dat betrokkenen van een aanrijding zouden overlijden tengevolge daarvan, gelet op het ontbreken van voldoende concrete informatie daarover.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte door zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de betrokken verbalisanten (minstens) zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.

3.2. De beoordeling van het bewijs met betrekking tot feit 1 van parketnummer 16/444097-08

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het als feit 1 onder parketnummer 16/444097-08 tenlastegelegde feit heeft gepleegd. De hiernavolgende bewijsmiddelen zijn daarvoor redengevend.

De aangifte door [verbalisant 3]

[verbalisant 3] heeft bij zijn aangifte verklaard dat hij als klachtbehandelaar werkzaam is bij de politie Utrecht en dat hij op 5 augustus 2008 ongeveer 8 voicemail-berichten van [verdachte] heeft ontvangen, waarin verdachte hem onder andere blanke kanker racist noemt. De aangever heeft als pleegplaats het politiebureau te Utrecht opgegeven.

Proces-verbaal van bevindingen met de uitwerking van de voicemail-berichten

Uit de uitgewerkte versie van de voicemail-berichten van de telefoon van [verbalisant 3] blijkt dat op 5 augustus 2008 om 1.11 uur een voicemail-bericht is ingesproken met de woorden “vieze kankerracist” en dat op 5 augustus 2008 om 1.13 uur een voicemail-bericht is ingesproken met de woorden “vuile blanke kankerracist”.

De verklaring van de verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij [verbalisant 3] heeft uitgemaakt voor kankerracist. Na voorlezing van de hierboven genoemde voicemail-berichten heeft verdachte verklaard dat hij dat heeft gezegd en ingesproken.

3.3. De beoordeling van het bewijs met betrekking tot feit 2 van parketnummer 16/444097-08

De officier van justitie acht de tenlastegelegde poging tot ambtsdwang wettig en overtuigend bewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde poging tot ambtsdwang, nu er geen bedreiging met geweld dan wel bedreiging met enige andere feitelijkheden heeft plaatsgevonden. De verdediging heeft voorts gesteld dat het onder druk zetten van een ambtenaar onvoldoende is voor het kunnen bewijzen van poging tot ambtsdwang en dat de ambtenaar zich in redelijkheid niet bedreigd heeft kunnen voelen.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van poging tot ambtsdwang en overweegt daaromtrent als volgt. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat verdachte de bewoordingen zoals vermeld in de tenlastelegging heeft ingesproken op de voicemail van de telefoon van een politieambtenaar. De rechtbank stelt evenwel vast dat de bewoordingen weinig concreet zijn omtrent de mogelijke (gewelddadige) gevolgen indien de ambtenaar geen gehoor zou geven aan de wens van de verdachte om de klacht opnieuw in behandeling te nemen. Het enkele dreigen met een (valse) aangifte is naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende om te kunnen spreken van een andere feitelijkheid waardoor de ambtenaar zich gedwongen zou hebben kunnen voelen (vergelijk HR 14 maart 1989, NJ 1990/332). Uit het dossier blijkt overigens niet of de politieagent zich daadwerkelijk onder druk gezet voelde door de afgeluisterde voicemail-berichten.

De rechtbank is al met al van oordeel dat de bewoordingen in de gegeven context niet van een voldoende kaliber waren om de politieagent te kunnen dwingen een ambtshandeling te verrichten. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van dit feit.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(parketnummer 16/601061-08)

op 8 september 2008 in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (beiden

hoofdagent van politie en op dat moment inzittenden van een surveillancevoertuig) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet terwijl hij, verdachte, met zijn auto met een aanzienlijke snelheid (meer dan 90 kilometer per uur) op een drukke snelweg (Rijksweg A2)

reed en terwijl op dat moment naast hem, op de linkerbaan, die [verbalisant 1] en [verbalisant 2]

in voornoemd surveillancevoertuig reden, plotseling naar links heeft gestuurd en vervolgens met zijn auto tegen voornoemd surveillancevoertuig is aangereden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

en

(feit 1 van parketnummer 16/444097-08)

op tijdstippen op 5 augustus 2008 te Utrecht, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 3] (zijnde klachtenbehandelaar van de politie regio Utrecht), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, mondeling (door die [verbalisant 3] te bellen en zijn voicemail in te spreken) heeft toegevoegd de woorden "Kankerracist" en "vuile blanke kanker racist";

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkwamen, heeft de rechtbank deze in de bewezenverklaring aangepast. De verdachte is daardoor niet in zijn belangen geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van de feiten

De verdediging heeft met betrekking tot feit 1 van parketnummer 16/444097-08 aangevoerd dat de uitlatingen van verdachte ertoe strekten een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen en derhalve vallen onder de bijzondere rechtvaardigingsgrond uit artikel 266 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft gesteld dat het grievende karakter van de uitlatingen van verdachte gerelativeerd dient te worden doordat verdachte de indruk had dat hij en zijn familie onheus – discriminatoir – werden bejegend.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Verdachte was van mening dat de klachtenbehandelaar ten onrechte de klacht van zijn moeder jegens de politie niet wilde of kon herindienen en liet zijn onvrede daaromtrent blijken in meerdere voicemail-berichten. Daarmee vormde verdachte zich weliswaar een oordeel over de behartiging van de openbare belangen door de klachtbehandelaar, maar naar het oordeel van de rechtbank zijn de bewoordingen “vieze kankerracist” en “vuile blanke kanker racist” er op gericht de agent zwaarder te grieven dan voortvloeide uit het verlangen om een oordeel te geven over de behartiging van de openbare belangen. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op de rechtvaardigingsgrond.

Nu ook anderszins geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten, zijn de feiten strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert de hieronder in de beslissing opgenomen strafbare feiten op.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

De verdediging heeft met betrekking tot het onder 16/601061-08 tenlastegelegde feit een beroep gedaan op psychische overmacht. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat uit de telefoongesprekken van verdachte met het alarmnummer 112 kan worden afgeleid dat verdachte in paniek was omdat hij werd achtervolgd, en dat hij kort na zijn aanhouding tegen agenten heeft gezegd dat hij niet wilde stoppen omdat hij angstig was voor de politie.

De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht. De rechtbank stelt voorop dat verdachte geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn gemoedstoestand ten tijde van de aanrijding en zijn beweegredenen om de politieauto aan te rijden. Hij heeft immers bij de politie een ontkennende verklaring afgelegd en hij heeft zijn medewerking aan een psychologisch en psychiatrisch onderzoek geweigerd.

Naar het oordeel van de rechtbank tonen de uitgewerkte gesprekken die verdachte met 112 heeft gevoerd geen persoon die in paniek is, maar veeleer een persoon die weloverwogen besluit om niet voor de politie te stoppen. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is geweest van een zodanige druk bij verdachte dat in gemoede kan worden gezegd dat zijn wilsvrijheid daardoor was aangetast. Voor zover er al sprake was van een grote druk, dan was die druk bovendien door verdachte zelf veroorzaakt door geen gevolg te geven aan het stopteken van de politie.

De officier van justitie heeft bij requisitoir haar eerder ingenomen standpunt herhaald, namelijk dat verdachte dient te worden geobserveerd door het Pieter Baan Centrum (PBC), omdat zij een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte noodzakelijk acht.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een observatie in het PBC niet noodzakelijk is, omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis.

De rechtbank is van oordeel dat een verder – ingrijpend – onderzoek naar de geestvermogens van verdachte door het PBC thans niet meer noodzakelijk is. Enerzijds speelt daarbij mee dat verdachte niet bereid is om mee te werken aan een onderzoek naar zijn psyche en anderzijds houdt de rechtbank rekening met de strafmaat die bij de bewezenverklaarde feiten passend kan worden geacht.

Nu niet is gebleken dat er omstandigheden zijn die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar.

5. De strafoplegging

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De politie is tweemaal het slachtoffer geworden van het handelen van verdachte. In het ene geval heeft hij een politieambtenaar beledigd. In het andere geval heeft hij ten tijde van een achtervolging op een drukke snelweg opzettelijk getracht twee politieagenten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met zijn auto tegen een politieauto aan te rijden. Dat de aanrijding uitsluitend geringe krasschade ten gevolge had is te danken aan het adequate optreden van de bestuurder van de politieauto. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij personen, die bezig zijn met het uitvoeren van hun wettelijke taak als handhaver van de openbare orde en veiligheid, beledigt en in gevaar brengt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een psychologisch- en psychiatrisch onderzoek. De rechtbank heeft daardoor geen inzicht gekregen in de psyche van verdachte, bij gebreke waarvan de rechtbank verdachte als volledig toerekeningsvatbaar beschouwt.

De rechtbank laat voorts bij het bepalen van de strafmaat meewegen dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit waarvan de politie slachtoffer is geworden, namelijk wederspannigheid met lichamelijk letsel ten gevolge.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van

10 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 3 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

6. De benadeelde partijen

De benadeelde partijen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] vorderen een vergoeding van de geleden schade ten gevolge van het onder parketnummer 16/601061-08 tenlastegelegde feit, te weten een bedrag van respectievelijk € 500,- en € 650,- wegens immateriële schade. Zij hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van strafvordering opgave gedaan van de inhoud van hun vorderingen. De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vorderingen dienen te worden toegewezen en de verdediging heeft de afwijzing daarvan bepleit.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vorderingen van de benadeelde partijen van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in deze strafzaak.

De rechtbank is van oordeel dat de schade van de benadeelde partijen een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

De rechtbank stelt de immateriële schade naar billijkheid vast op € 100,- voor [verbalisant 1] en op € 300,- voor [verbalisant 2]. Voor het overige gedeelte van de vorderingen zal de rechtbank hen niet-ontvankelijk verklaren. Het verschil in de hoogte van de vastgestelde schade komt voort uit het feit dat [verbalisant 1] ter terechtzitting heeft verklaard niet veel last te hebben gehad van het incident, terwijl [verbalisant 2] heeft verklaard dat het incident een behoorlijke impact op hem heeft gehad.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 57, 266, 267, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het als feit 2 onder parketnummer 16/444097-08 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van parketnummer 16/601061-08:

Poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen

gepleegd.

Ten aanzien van feit 1 van parketnummer 16/444097-08:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt gedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 1] van € 100,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [verbalisant 1] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [verbalisant 1] in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 2] van € 300,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [verbalisant 2] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [verbalisant 2] in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

* benadeelde partij [verbalisant 1], € 100,- / 2 dagen hechtenis,

* benadeelde partij [verbalisant 2], € 300,- / 6 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde straf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, mr. P.M.E. Bernini en mr. H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Falkmann, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 maart 2009.