Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH7782

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
157572/ HA ZA 03-356
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering uit onrechtmatige daag jegens stiefvader na seksueel misbruik. Immateriële schadevergoeding van € 10.000,- toegewezen. Vordering tot materiële schadevergoeding afgewezen omdat eiseres er ondanks opdracht van de rechtbank niet voor heeft gezorgd dat de medische informatie die de deskundige ter beschikking had, ook aan de medisch adviseur van gedaagde is verstrekt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2009/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 157572 / HA ZA 03-356

Vonnis van 25 maart 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. S.H.M. Skrotzki,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Koeleman.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 augustus 2005 en de aanvulling daarop van 9 november 2005

- het deskundigenbericht

- de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres]

- de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde], met producties

- de nadere conclusie na deskundigenbericht van [eiseres].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In deze zaak is op 26 januari 2005 een tussenvonnis gewezen, waarin is geoordeeld dat het ervoor moet worden gehouden dat [gedaagde] jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door haar seksueel te misbruiken, zoals in de strafzaak tegen [gedaagde] bewezen is verklaard. Voorts is geoordeeld dat [eiseres] door het misbruik immateriële schade lijdt. Voor de vraag of de bij [eiseres] bestaande psychische klachten in volle omvang aan het seksueel misbruik kunnen worden toegerekend is een deskundigenonderzoek nodig geacht. De beoordeling van de gevorderde materiële schadeposten (verlies verdienvermogen en kosten psychologische hulpverlening) is aangehouden tot na het deskundigenbericht.

In het tussenvonnis van 17 augustus 2005 is prof.dr. M. Kuilman, psychiater, tot deskundige benoemd ter beantwoording van de in het vonnis gestelde vragen over de klachten van [eiseres]. Bij aanvullend vonnis van 9 november 2005 is aan [eiseres] – kort gezegd – opgedragen om er zorg voor te dragen dat de medische informatie die de deskundige ter beschikking zou krijgen, ook aan de medisch adviseur van [gedaagde] zou worden verstrekt.

2.2. In het deskundigenbericht, gedateerd 12 september 2006, heeft Kuilman zijn onderzoek en zijn conclusies beschreven. Hij heeft ook de vragen van de rechtbank beantwoord. Het rapport houdt onder meer het volgende in:

III.1 Samenvatting:

(…) Onderzochte typeert zichzelf als een vrouw die psychisch niet stabiel is en moeite heeft met de verwerking van problemen, teleurstellingen en tegenslagen. (…)

In de lichamelijke sfeer ondervindt onderzochte geen beperkingen. (…)Wat haar psychische toestand betreft: onderzochte maakt het thans redelijk goed. (…) In algemene termen samengevat: positieve intenties bij een leven zonder duidelijke structuur en het onvermogen onder moeilijke omstandigheden de grip op de situatie en zichzelf te bewaren. (…)

III.2 Conclusies

• Een voorgeschiedenis met pedagogische en affectieve verwaarlozing, waarbij de rol van moeder niet moet worden onderschat. Voorts is er de invloed van de stiefvader ondermeer vanwege seksueel misbruik.(…)

• Alle deskundigen zijn het eens over een gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling. (…) De karakterstructuur predisponeert tot het vastlopen in relaties en tot inconsistentie in haar prestaties .(…)

• Sedert 2003 is er na een periode van jaren psychische instabiliteit en ernstige gedeprimeerdheid sprake van een herstel en stabilisering. (…)

V. In antwoord op uw vraagstelling:

Vraag 1:

a) Welke zijn uw bevindingen bij anamnese en psychiatrisch/psychologisch onderzoek?

Antwoord: deze zijn uitvoerig beschreven in het rapport (…)

b) Welke diagnose(n) volgens de DSM-IV classificatie stelt u op uw vakgebied?

Antwoord: ten tijde van het onderzoek was geen DSM-IV As_I-diagnose van toepassing. As-II: een persoonlijkheidsstoornis type NAO met borderline trekken.

c) Bestaat er naar uw oordeel ten aanzien van de aanwezige klachten en afwijkingen een eindtoestand, zo ja, waarom en met welke graad van zekerheid is dat zo? Zo nee, verwacht u nog een verbetering dan wel verslechtering van de huidige toestand en op welke termijn kan wel een eindtoestand worden verwacht?

Antwoord: de vraagstelling is niet relevant als het gaat om een persoonlijkheidsstoornis, vermits daarbij een structureel gegeven in het geding is. Wel is het zo dat de manifestaties van een persoonlijkheidsstoornis zich voor kortere of langere tijd en in meerdere of mindere mate kunnen manifesteren, een en ander afhankelijk van de stress, teleurstellingen en tegenslagen waaraan het individu in kwestie wordt blootgesteld. Een en ander impliceert ook dat onder invloed van die stresserende momenten zich bij betrokkene al dan niet (recidiverende) aanpassingsstoornissen kunnen voordoen, bijvoorbeeld in de vorm van angstig, depressief of regressief gekleurde beelden.

d) Zijn er klachten of symptomen, die reeds voor het seksueel misbruik bestonden of op enig moment zouden zijn ontstaan als het seksueel misbruik niet plaatsgevonden had en zo ja, welke? Kunt u daarbij aangeven op welke termijnen en in welke mate dit dan wel het geval zou zijn?

Antwoord: het seksuele misbruik is begonnen tot onderzochte een jaar of zeven was. Met de beschikbare gegevens en zonder een gedetailleerde en betrouwbare hetero-anamnese is het moeilijk uit te maken of zich vóór die tijd reeds klachten en symptomen manifesteerden waarvan thans de manifestatie nog waarneembaar zijn. Afgezien daarvan: onverlet het feit dat het seksuele misbruik zijn invloed heeft uitgeoefend op de persoonlijkheids ontwikkeling en het gedrag van betrokkene moet ook worden vastgesteld dat afgezien daarvan factoren uit het milieu van herkomst en de sfeer van pedagogische en affectieve verwaarlozing, waarbij de moeder een belangrijke rol heeft gespeeld, in het geding zijn. Het is na zoveel jaar niet mogelijk om die afzonderlijke invloeden op hun effect te differentiëren.

e) Wilt u op grond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid mogelijk en gemotiveerd aangeven:

1. Welke klachten en/of verschijnselen zich zouden hebben voorgedaan vanaf de periode van seksueel misbruik (januari 1986 tot 7 juni 1993) die op psychiatrische/psychologische gronden als een gevolg van het seksueel misbruik kunnen worden beschouwd?

Antwoord: om te beginnen worden we in de loop van onderzochte’s leven geconfronteerd met herbelevingen die passen in het beeld van een laat geactualiseerde posttraumatische stress-reactie, overigens van voorbijgaande aard en meestal geluxeerd door bepaalde traumatische gebeurtenissen. Voorts acht de onderzoeker het aannemelijk dat de periode van seksueel misbruik van invloed is geweest op de gebrekkige ontwikkeling van onderzochte’s persoonlijkheid tot een persoonlijkheidsstoornis. Hierbij zij overigens aangetekend dat afgezien van dat seksuele misbruik ook andere factoren en omstandigheden en wel met name de rol van onderzochte’s moeder van invloed zijn geweest. Zie verder het antwoord op vraag 1d.

2. Welke van de thans nog bestaande klachten en/of verschijnselen naar uw oordeel het gevolg van het seksueel misbruik van [gedaagde] zijn?

Antwoord: thans worden we niet (meer) geconfronteerd met de manifestaties en daaruit resulterende beperkingen als gevolg van een (late/gereactiveerde) posttraumatische stressstoornis. Wat de invloed van het seksuele misbruik op de karakter(de)formatie betreft: zie het antwoord op de vorige vragen.

3. Aan welke oorzaken schrijft u eventuele overige klachten toe? In hoeverre speelt in de klachten die [[eiseres]] na het seksuele misbruik en thans ondervond mee dat zij eventueel in haar (vroege) kinderjaren in enig opzicht vanwege haar opvoeding beschadigd is geraakt en/of reeds vóór het misbruik een persoonlijkheidsstoornis had ontwikkeld?

Antwoord: met overige klachten wordt de rapporteur thans niet geconfronteerd. Dat betrokkene in haar (vroege) kinderjaren door affectieve en pedagogische verwaarlozing, waarbij zowel stiefvader als moeder een rol hebben gespeeld, beschadigd is geraakt heeft de rapporteur in zijn verslag getracht aannemelijk te maken. De vraag of vóór het misbruik zich reeds een persoonlijkheidsstoornis had ontwikkeld is niet relevant, vermits persoonlijkheidsstoornissen per definitie zich eerst in de volwassenheid beginnen te manifesteren.

f) Welke beperkingen stelt [[eiseres]] als gevolg van het seksueel misbruik op uw vakgebied te ondervinden bij:

a) de beroepsactiviteiten?

b) de activiteiten in het dagelijks leven?

c) de vrijetijdsbesteding?

d) in de rationele sfeer? (Kuilman: de rapporteur gaat er van uit dat hiermee de sfeer van cognitieve prestaties wordt bedoeld).

Antwoord: in geen van deze sectoren was er ten tijde van het onderzoek sprake van substantiële beperkingen die moeten worden toegeschreven aan het seksueel misbruik.

Wilt u de bovengenoemde beperkingen ten behoeve van een eventueel arbeidsdeskundige beoordeling zoveel mogelijk omschrijven?

Antwoord: onderzochte is uit hoofde van haar karakter buitengewoon gevoelig voor conflictueuze situaties en conflicterende functie-eisen. Als gevolg daarvan loopt zij gemakkelijk het risico in haar werkrelaties vast te lopen met ziekteverzuim als gevolg. De rapporteur beveelt daarom aan om betrokkene te werk te stellen in een setting waarin zo zoveel mogelijk solitair bezig is (zonder voor haar werkprestaties aangewezen te zijn op de samenwerking met collegae). Zij heeft een duidelijk omschreven taak en dito leiding nodig. Zij wordt niet geschikt geacht voor werkzaamheden die toegespitst zijn op contacten met cliënten/leveranciers/opdrachtgevers/collegae en andere belanghebbenden. Strikt genomen en louter oordelend op grond van onderzochte’s psychische toestand en haar dagverhaal zou zij in staat moeten zijn loonvormende arbeid te verrichten. In zoverre is het oordeel van de rapporteur in overeenstemming met dat van de verzekeringsgeneeskundige. Diametraal staan echter de visies van ondergetekende en de verzekeringsgeneeskundige tegenover elkaar wanneer de praktische realisering ter sprake komt. Ondergetekende is van mening dat onderzochte met haar kwetsbare structuur zich in de huidige situatie nog net redelijk weet staande te houden. Een extra belasting met loonvormende arbeid brengt een ernstig risico met zich mee voor hernieuwd decompenseren en ziekteverzuim.

Acht u de door [[eiseres]] als gevolg van het misbruik aangegeven beperkingen aannemelijk op grond van uw onderzoeksresultaten en zijn er andere, niet door [[eiseres]] als gevolg van het misbruik aangegeven, beperkingen op uw vakgebeid waarmee bij de beoordeling rekening dient te worden gehouden en zo ja, welke?

Antwoord: de beperkingen vloeien voort uit de kwetsbare kanten van onderzochte’s persoonlijkheidsstructuur c.q. persoonlijkheidsstoornis waarvan de determinanten in het antwoord op vorige vragen zijn omschreven en zeker niet uitsluitend betrekking hebben op het seksuele misbruik.

g) Kunt u bij het beantwoorden van de vragen zoveel mogelijk aangeven waarop u uw mening baseert (literatuur, onderzoek etc.)?

Antwoord: ondergetekende is bij het beantwoorden van de vragen uitgegaan van wat op dit moment de stand van zaken is in de psychiatrie, zoals vertolkt in de DSM-IV en de commentaren daarop, als ook op de meest recente editie van het internationaal erkende handboek van de psychiatrie van Caplan & Sadock. Zich baseren op een of meer artikelen uit de literatuur brengt het risico met zich mee dat er altijd weer andere artikelen zijn met tegenstrijdige conclusies.

h) Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak. Heeft u nog (therapeutische) suggesties?

Antwoord: onderzochte verkeert thans in een redelijk evenwicht, vooral dankzij de goede opvang/begeleiding en de relatief gunstige omstandigheden waarin zij verkeert. Het is van belang dat zij bij de confrontatie met tegenslagen of in crisissituaties snel een beroep kan doen op een begeleidend psychiatrisch contact. De situatie waarin zij thans verkeert met een gezin met opgroeiende kinderen en een huishouden dat zij net aan kan sluit extra belasting met intensieve psychiatrische hulp (bijvoorbeeld in de vorm van een dagbehandeling) vooralsnog uit.

2.3. [eiseres] stelt naar aanleiding van het rapport van Kuilman dat wat haar betreft met name het seksuele misbruik invloed heeft gehad op de ontwikkeling van haar persoonlijkheidsstoornis. Zij stelt voorts dat uit het rapport kan worden afgeleid dat zij beperkt is in haar beroepsactiviteiten en dat die beperking het gevolg is van het seksuele misbruik.

2.4. [gedaagde] voert in de eerste plaats aan dat [eiseres] niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank om er zorg voor te dragen dat de medische informatie die de deskundige ter beschikking zou krijgen, ook aan de medisch adviseur van [gedaagde] zou worden verstrekt. Bovendien blijkt uit het deskundigenbericht dat belangrijke medische informatie (onder andere een deel van het huisartsdossier en gegevens van het Riagg) ontbreekt, aldus [gedaagde]. Hij voert aan dat geen sprake is van een eerlijk proces en dat de beginselen van een goede procesorde zijn geschonden.

Volgens [gedaagde] volgt uit het deskundigenbericht dat er geen causaal verband is. Hij wijst erop dat Kuilman beschijft dat niet is na te gaan of de problemen die [eiseres] in haar leven ervaart in verband staan met het misbruik. [gedaagde] concludeert dat er volgens Kuilman geen gevolgen zijn, die aan hem kunnen worden toegerekend.

2.5. In het aanvullende vonnis van 9 november 2005 is aan [eiseres] opgedragen om er zorg voor te dragen dat de medische informatie die de deskundige ter beschikking zou krijgen, ook aan de medisch adviseur van [gedaagde] zou worden verstrekt. In haar reactie op het standpunt van [gedaagde] dat zij niet aan deze opdracht heeft voldaan, heeft [eiseres] niet betwist dat de informatie waarover Kuilman beschikte, niet aan de medisch adviseur van [gedaagde] is verstrekt. Zij heeft dan ook niet aan de opdracht van de rechtbank voldaan. Zij voert aan dat zij aan Kuilman de benodigde machtiging heeft verstrekt om medische informatie op te vragen en dat zij zelf die informatie niet heeft gekregen, maar dat baat haar niet. De rechtbank heeft immers beslist dat zij, indien zij de deskundige een machtiging zou geven, er voor zorg diende te dragen dat de aan de deskundige te verstrekken informatie ook aan de medisch adviseur van [gedaagde] zou worden verstrekt. Dat heeft zij niet gedaan.

[eiseres] voert nog aan dat [gedaagde] aan Kuilman heeft verzocht de medische informatie aan zijn medisch adviseur door te sturen en dat het haar niet kan worden aangerekend dat Kuilman dit niet heeft gedaan. Gelet op de opdracht die de rechtbank aan [eiseres] heeft gegeven, moet dit haar echter juist wel worden aangerekend.

Op grond van het bepaalde in artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechtbank hieruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht (vgl. Hoge Raad 22 februari 2008, RvdW 2008, 256).

Die gevolgtrekking is dat het rapport van Kuilman buiten beschouwing blijft. Hij heeft immers zijn bevindingen mede gegrond op de aan hem verschafte en in zijn rapport genoemde medische informatie, die ten onrechte aan de medisch adviseur van [gedaagde] is onthouden. De inhoud van het rapport van Kuilman kan daardoor onvoldoende worden getoetst door [gedaagde], zodat hij niet voldoende in staat is om daarop te reageren.

2.6. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank thans niet over meer gegevens beschikt dan ten tijde van het vonnis van 26 januari 2005. Omdat [eiseres] zich er in haar laatste conclusie op beroept dat zij belang heeft bij een eindvonnis, zal haar schade worden begroot op grond van het over en weer door partijen gestelde voorafgaand aan het vonnis van 26 januari 2005.

2.7. Ten aanzien van de immateriële schade van [eiseres] is in het vonnis van 26 januari 2005 al overwogen dat vaststaat dat zij immateriële schade heeft en dat voor de hoogte van het aan haar toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding meerdere factoren relevant zijn, zoals onder ander het karakter, de duur en ernst van het misbruik en voorts de aard en de ernst van het daardoor veroorzaakte trauma en de wijze waarop het slachtoffer dat trauma en zijn gevolgen verwerkt.

Voorts is overwogen dat op grond van het rapport van de psycholoog Poslavsky d.d. 5 april 2002 wordt aangenomen dat [eiseres] door pedagogische en affectieve verwaarlozing alsmede door ernstig en langdurig seksueel misbruik in haar jeugd een onvoldoende stabiele persoonlijkheid heeft kunnen opbouwen en dat bij [eiseres] sprake is van een borderline persoonlijkheidsstructuur. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat zij betwijfelt of alle psychische schade bij [eiseres] onder de noemer van deze diagnose kan en mag worden gerangschikt. Daarom is Kuilman als deskundige benoemd.

Nu dit onderzoek niet bij de verdere beoordeling wordt bestrokken, is onvoldoende aannemelijk geworden dat de door [eiseres] in dit geding gestelde psychische klachten volledig aan het seksuele misbruik kunnen worden toegerekend.

Op grond daarvan en gelet op alle omstandigheden van het geval, begroot de rechtbank de immateriële schade op EUR 10.000,-.

2.8. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de processtukken onvoldoende aannemelijk dat [eiseres] materiële schade heeft geleden, die [gedaagde] dient te vergoeden.

2.8.1. [eiseres] stelt dat zij wegens haar psychische problemen niet in staat is om blijvend loonvormende arbeid te verrichten. Nu echter in het midden moet blijven in hoeverre de psychische klachten aan het seksuele misbruik kunnen worden toegerekend, acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat [eiseres] als gevolg van het misbruik inkomen mist, dat zij zonder het misbruik wel had kunnen verdienen. Daarom is dit onderdeel van haar vordering niet toewijsbaar.

2.8.2. Voorts vordert [eiseres] vergoeding van kosten voor psychologische hulpverlening. Zij stelt daartoe dat het Riagg haar twee jaar hulp heeft verleend maar dat dit geen resultaat opleverde.

[gedaagde] voert daartegen aan dat onduidelijk is waarom [eiseres] niet in aanmerking zou komen voor professionele hulp die door de ziektekostenverzekeraar of via de AWBZ wordt vergoed.

In dit verweer wordt [gedaagde] gevolgd. Hetgeen [eiseres] stelt leidt niet tot het oordeel dat zij zelf kosten zou moeten maken om de psychologische hulp te verkrijgen die zij nodig heeft. Haar vordering kan op dit onderdeel niet worden toegewezen.

2.9. [gedaagde] heeft nog een beroep gedaan op matiging van de toe te wijzen schadevergoeding. Hij wijst daartoe op zijn geringe draagkracht.

Het financiële onvermogen van [gedaagde] is echter in dit geval onvoldoende reden voor matiging. Deze omstandigheid legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het feit dat [gedaagde] welbewust zijn stiefkind [eiseres] seksueel heeft misbruikt, terwijl zij als minderjarige aan zijn zorg was toevertrouwd, en het feit dat de financiële middelen van [eiseres] eveneens beperkt zijn.

2.10. Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De kosten van het deskundigenbericht moeten door [eiseres] worden voldaan.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 10.000,00 (tienduizend euro),

3.2. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de kosten van de deskundige ten bedrage van EUR 1.851,- aan de griffier,

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2009.

w.g. griffier w.g. rechter