Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH7749

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
05/900662-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schuldigverklaring zonder straf. De rechtbank acht een ex-politieagent schuldig aan schending van het ambtsgeheim. De man sprak met een oud-collega over een lopende strafzaak. De rechtbank legt geen straf op, omdat (onder meer) verdachte met zijn handelen geen kwade bedoelingen had. Vrijspraak van tweede verdenking van schending ambtsgeheim en verduistering transponder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM, ZITTING HOUDENDE TE UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 05/900662-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 maart 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1967] te [geboorteplaats]

wonende te [adres] [woonplaats]

raadslieden mr. M.P. Nan en mr. J.H.D. van Onna, advocaten te Arnhem.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 maart 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte tweemaal zijn ambtsgeheim heeft geschonden en een zogenoemde transponder heeft verduisterd.

3 Door de verdediging gevoerde verweren

3.1 De verdediging is van mening dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard. Zij legt daaraan het volgende ten grondslag.

De start van het opsporingsonderzoek is gebaseerd op CIE-informatie gedateerd maart 2005, januari 2006 en juli 2007. De informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid van de politieregio Gelderland-Midden (hierna te noemen: de CIE) gedateerd maart 2005 en januari 2006 was ten tijde van het starten van het onderzoek tegen hun cliënt zodanig verouderd dat deze informatie niet ten grondslag aan een opsporingsverzoek mocht worden gelegd.

Deze CIE-informatie van maart 2005 en januari 2006 wordt door de verdediging onbetrouwbaar geacht en leverde geen concrete verdenking in de zin van artikel 27 Sv op. De informatie van de CIE uit juli 2007 wijst niet op verdenking van een strafbaar feit.

De CIE-informatie mocht dus niet gebruikt worden als basis voor de inzet bijzondere opsporingsbevoegdheden.

Er was op 18 juni 2007 – de datum van de verstrekking van de CIE-informatie aan de politie Arnhem – naar de mening van de verdediging onvoldoende grondslag voor de start van het onderzoek en ook onvoldoende grondslag voor de daarop volgende toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden vanaf 5 juli 2007.

Naar de mening van de verdediging zijn er vervolgens door het openbaar ministerie buitensporig veel bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet, waardoor een grove schending van artikel 8 EVRM is ontstaan

De verdediging acht voorts op grond van het voorgaande een grove schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde aanwezig. Primair dient dit te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

3.2 De officier van justitie stelt gemotiveerd dat dit verweer moet worden verworpen.

3.3 De rechtbank overweegt als volgt.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de officier van justitie de leiding heeft over het opsporingsonderzoek en beslist over de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden.

Daarbij dient deze te toetsen of voldaan is aan de wettelijke vereisten, onder meer of sprake is van de voor inzet van het betreffende opsporingsmiddel vereiste verdenking en onderzoeksnoodzaak. Bij die laatste toets spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol.

Ter zake van een beperkt aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden dient de officier van justitie een machtiging te vragen aan de rechter-commissaris alvorens een bevel kan worden afgegeven.

De toetsing die de rechtbank achteraf heeft is in beginsel een marginale toetsing. Daarbij moet de rechtbank – uitgaand van en rekening houdend met de grote mate van beleidsvrijheid van de officier van justitie – beoordelen of het gebruik door de officier van justitie van een bevoegdheid rechtmatig is.

In geval van machtiging door de rechter-commissaris dient de rechtbank te beoordelen of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent de door hem getoetste machtigingen heeft kunnen komen. Tenslotte dient de rechtbank te beoordelen of het gebruik dat de officier van justitie heeft gemaakt van zijn al dan niet door de machtiging verleende bevoegdheden in overeenstemming is met deze machtiging en ook overigens rechtmatig is.

Op 18 juni 2007 komt een proces-verbaal binnen bij de politieregio Gelderland Midden dat de volgende CIE-informatie bevat. De CIE-informatie uit maart 2005 houdt in: “[verdachte] geeft tips in het criminele milieu. Deze tips zijn er voor om te voorkomen dat men gepakt wordt door de politie.” . De informatie uit januari 2006 is de volgende: “Een politieman genaamd [verdachte] wordt door personen uit het criminele milieu betaald voor informatie uit politiesystemen. [verdachte] is in het bezit van een Porsche en woont op het [adres] te [woonplaats]. Hij wordt hiervoor onder andere betaald door [A], [B], [C] en [D].” . Tot slot is in een proces-verbaal opgenomen de informatie die in juli 2007 bij de CIE is binnengekomen: “In het voorjaar van 2007 heeft er in het bosgebied van de Posbank in Rheden een ontmoeting plaatsgevonden tussen [B] en een politieman genaamd [verdachte].” . De door de CIE ontvangen informatie, ook die uit maart 2005 en januari 2006, is door de divisiechef Justitiële Zaken van de politieregio Gelderland-Midden als betrouwbaar aangemerkt.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Het opsporingsonderzoek is gestart op basis van een proces-verbaal met als betrouwbaar aangemerkte CIE-informatie. De officier van justitie is op grond van deze informatie een opsporingsonderzoek gestart tegen verdachte.

Op dit moment bestond er een voldoende verdenking van een strafbaar feit in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) jegens verdachte om een opsporingsonderzoek te starten. Aan de verdere wettelijke eisen van de diverse ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden is voldaan.

Daarbij overweegt de rechtbank dat de officier van justitie de CIE-informatie van maart 2005 en januari 2006 bij de beslissing van juli 2007 om het opsporingsonderzoek te starten heeft mogen betrekken nu de CIE- informatie van juli 2007 hierop aansluit en deze drie meldingen tezamen een voldoende redelijke verdenking opleveren.

De rechter-commissaris heeft op grond van de in het proces-verbaal van 9 juli 2007 (met de daarbij als bijlagen gevoegde CIE-informatie uit maart 2005, januari 2006 en juli 2007) neergelegde informatie geoordeeld dat sprake was van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid Sv. De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris op grond van de in het proces-verbaal vervatte informatie in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn oordeel dat sprake was van verdenking van het aannemen van steekpenningen door een politieambtenaar, hetgeen zonder meer als een ernstige inbreuk op de rechtsorde moet worden gekwalificeerd. De ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden voldoen, gelet op de ernst van de verdenking, naar het oordeel van de rechtbank aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen tot het afgeven van een machtiging voor voor het tappen van de telefoonlijnen die bij verdachte in gebruik waren.

De rechtbank is verder van oordeel dat de verlengingsmachtigingen op grond van de daaraan ten grondslag liggende informatie, die steeds is vervat in de diverse aanvraagprocessen-verbaal , in redelijkheid door de rechter-commissaris konden worden afgegeven. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat een periode van vijf maanden voor het afluisteren van telefoonlijnen bij deze feiten en omstandigheden geen uitzonderlijk lange periode is.

Ook het gebruik door de officier van justitie van zijn bevoegdheden tot inzet van de gebruikte bijzondere opsporingsbevoegdheden (al dan niet na machtiging) merkt de rechtbank aan als rechtmatig.

Naar aanleiding van concrete opmerkingen van de raadslieden overweegt de rechtbank nog dat uit het afluisteren weliswaar niet blijkt van telefonisch contact tussen verdachte en de genoemde [D] en [B] en dat nadien ook niet blijkt van e-mail of internetverkeer met hen, maar dat na de eerste afluisterperiode wel blijkt dat verdachte geregeld horecagelegenheden bezoekt waar deze personen ook komen en dat nadien meer CIE informatie binnenkomt (zonder oordeel over de betrouwbaarheid) waarin de verdachte in verband wordt gebracht met een aantal bij name genoemde personen die zich bezig zouden houden met hennepkweek en met het geven van tips aan mensen binnen het criminele milieu .

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van schending van de rechten die zijn neergelegd in artikel 8 van het EVRM of van de beginselen van een behoorlijke procesorde. De rechtbank acht het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vervolging.

Voorwaardelijk verzoek horen getuigen

De verdediging verzoekt om, indien de rechtbank niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie komt, een aantal getuigen te horen in het kader van de (on-) rechtmatigheid van de start en voortzetting van het onderzoek en het gebruik van bijzondere opsporingsmiddelen.

De officier van justitie verzet zich hiertegen.

De rechtbank wijst het verzoek af, nu zij het horen van deze getuigen niet noodzakelijk acht.

3.5 Voorwaardelijk verzoek beschikbaar stellen stukken

De verdediging verzoekt om, indien de rechtbank niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie komt, te bepalen dat het Openbaar Ministerie de stukken uit het [naam]-dossier aan de verdediging beschikbaar stelt.

De officier van justitie verzet zich hiertegen.

De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging af, omdat het verzoek onvoldoende is onderbouwd.

Klachtvereiste wat betreft feit 2?

Ten aanzien van feit 2 concludeert de verdediging tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, omdat dit feit slechts op klacht vervolgbaar is en er geen klacht is ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat een klacht van degene wiens geheim is medegedeeld niet vereist is, indien het geheim mede een publieke zaak betreft. Dat is in casu het geval. Het Openbaar Ministerie is dus ook in zoverre ontvankelijk.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke schending van ambtsgeheimen en aan verduistering.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

In het kader van het verweer over onrechtmatig gebruik van de bijzondere opsporingsmethoden heeft de verdediging subsidiair betoogd dat de resultaten van die opsporingsmethoden vanaf eind juli dan wel vanaf eind augustus 2007 onrechtmatig verkregen zijn, dus moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Voorts is door de verdediging het volgende aangevoerd.

Niet blijkt dat cliënt daadwerkelijk de ambtseed of ambtsbelofte heeft afgelegd, zodat hij niet kan worden vervolgd wegens handelen in strijd daarmee, zodat vrijspraak dient te volgen van de ten laste gelegde feiten onder 1 en 2.

Ten aanzien van feit 1 kan niet worden vastgesteld dat cliënt de aan de heer [E] telefonisch doorgegeven informatie heeft verkregen uit een politieregistratiesysteem. Cliënt beschikte immers over de verzekeringspapieren met deze informatie. Dat het kenteken van de Porsche die dag om 14.44 uur via het politieregistratiesysteem is bevraagd, duidt niet op een bevraging door cliënt, omdat hetzelfde kenteken die dag meerdere keren is bevraagd, namelijk ook om 8.25 uur en om 10.08 uur. Indien de rechtbank bewezen acht dat cliënt het politieregistratiesysteem heeft bevraagd en die informatie aan de heer [E] heeft verstrekt, is de vraag of sprake is van een geheim zoals dat is opgenomen in de delictsomschrijving van artikel 272 Sr.

Wat betreft feit 2 stelt de verdediging dat cliënt de heer [F] nog steeds beschouwt als een collega, dat het slechts gaat om een ‘slip of the tongue’ en dat cliënt niet opzettelijk heeft gehandeld. Daarmee is geen sprake van opzettelijke schending van een ambtsgeheim.

Ten aanzien van feit 3 is de verdediging van mening dat cliënt nimmer de bedoeling heeft gehad om zich de transponder wederrechtelijk toe te eigenen. Hem is nooit verzocht om teruggave van de transponder, terwijl vele collega’s wisten dat hij deze in zijn bezit had. Cliënt zou de transponder op eerste verzoek van zijn leidinggevende hebben teruggegeven.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 en 3 ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde valt naar het oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten dat verdachte de betreffende informatie heeft verkregen op basis van een andere informatiebron dan via het opvragen in het politieregistratiesysteem van gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) en dat de RDW bevraging niet door of op verzoek van verdachte geschiedde. Dit leidt tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken, omdat de rechtbank uit het dossier niet de overtuiging heeft verkregen dat verdachte de intentie had om de transponder niet terug te geven.

Het enkele gebruik maken van de transponder voor privé-doeleinden is onvoldoende voor bewezenverklaring van “opzettelijke wederrechtelijke toe-eigening”

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte heeft op 18 september 2007 een telefoongesprek gevoerd met de heer [F], een oud-collega van verdachte. In dat gesprek heeft verdachte aan de heer [F] verteld over de inhoud van het verhoor van een door hem bij de naam genoemde verdachte ([G]) , terwijl verdachte wist dat hij dat uit hoofde van zijn functie geheim hoorde te houden . Door daarover toch met de heer [F] te spreken heeft verdachte opzettelijk gehandeld. Of verdachte al dan niet en op welk tijdstip de ambtseed of –belofte heeft afgelegd doet daar niet aan af nu hij gelet op zijn langdurig dienstverband redelijkerwijs moest vermoeden dat hij dit geheim niet met [F] mocht bespreken. Verdachte heeft overigens ter zitting ook zelf verklaard dat dit stom was en dat hij deze mededeling niet aan [F] had moeten doen .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen het onder feit 2 ten laste gelegde,

dat verdachte op 18 september 2007 te Arnhem een geheim waarvan hij wist dat hij uit hoofde van ambt of wettelijk voorschrift verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij, verdachte, als politieambtenaar (te weten hoofdagent van politie bij de regio Politie Gelderland-Midden), op voornoemde datum tijdens een telefoongesprek met [F], gesproken over een persoon ([G]) welke hij, verdachte, als verdachte heeft gehoord/gesproken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4.5 Voorwaardelijk verzoek horen getuigen

De verdediging verzoekt, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van één of meer van de ten laste gelegde feiten, een aantal getuigen te horen.

De officier van justitie voert daartegen verweer.

De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van getuigen af omdat zij dit niet noodzakelijk acht.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

opzettelijke schending van een ambtsgeheim.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 80 uren werkstraf subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van 6 uren voor de dagen dat hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt hun cliënt, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van één of meer van de ten laste gelegde feiten, schuldig te verklaren zonder strafoplegging. Naar hun mening is cliënt reeds voldoende gestraft doordat hij strafontslag heeft gekregen. Hoewel cliënt die beslissing bij de rechtbank heeft aangevochten, lijkt het niet aannemelijk dat cliënt ooit nog werkzaam zal zijn als politieagent, terwijl hij dat vak meer dan achttien jaren heeft uitgeoefend en zich nog steeds politieman in hart en nieren voelt.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte geen straf behoort te worden opgelegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Weliswaar betreft het bewezen verklaarde in beginsel een ernstig feit, maar in dit geval zijn de gevolgen beperkt gebleven nu de door verdachte aan de heer [F] vertelde informatie niet verder is verspreid. Ook is niet gebleken dat de inhoud van de informatie voor de heer [F] van belang was. Verdachte heeft niet gehandeld vanuit kwade bedoelingen, hij heeft in het verleden binnen de politie samengewerkt met de heer [F] en zij waren gewend zaken door te spreken. Verder is van belang dat verdachte – als gevolg van het tegen hem gehouden strafrechtelijk onderzoek – na een lang dienstverband bij zijn werkgever is ontslagen met de maatregel van strafontslag. Verdachte moet momenteel rustgevende medicijnen innemen. Nog afgezien van de psychische gevolgen voor verdachte, heeft het strafontslag ook tot gevolg dat verdachte thans geen inkomen heeft. Hoewel de maatregel van strafontslag door verdachte wordt aangevochten, zal een eventueel positieve uitkomst daarvan voor hem niet vanzelfsprekend leiden tot een herstel van de voormalige arbeidsverhoudingen met de politieregio Gelderland-Midden, ook al heeft verdachte ter zitting verklaard nog steeds bij de politie werkzaam te willen zijn. Noodgedwongen oriënteert verdachte zich op een carrière buiten de politie.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a en 272 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde onder 2 bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

opzettelijke schending van een ambtsgeheim;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en mr. J.P. Killian, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Bossink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 maart 2009.