Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH7617

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
263428 / KG ZA 09-183
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gedaagde c.s. maakt inbreuk op de auteursrechten van de Karel Appel Stichting, nu gedaagde c.s. zich bezig houdt met het samenstellen van een oeuvre-catalogus van het grafische werk en de multiples van Karel Appel en voornemens is deze catalogus uit te geven.

Het beroep van gedaagde c.s. op artikel 15a AW (citaatrecht), artikel 23 Aw en artikel 10 EVRM (informatievrijheid) gaan niet op.

Proceskostenveroordeling op grond van artikl 1019h Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
IER 2009, 39 met annotatie van M. de Cock Buning
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 263428 / KG ZA 09-183

Vonnis in kort geding van 25 maart 2009

in de zaak van

de stichting

KAREL APPEL STICHTING,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. R. Dijkstra,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1],

gevestigd te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. D. Griffiths.

Partijen zullen hierna Stichting en [gedaagde c.s.] genoemd worden

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 27 februari 2009;

- de mondelinge behandeling;

- de pleitnota van Stichting;

- de pleitnota van [gedaagde c.s.].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De Stichting heeft als doelstelling onder meer het zorg dragen voor het behoud van de werken van Karel Appel, het promoten van publieke bekendheid met en kennis van het werk van Karel Appel en het handhaven van de intellectuele eigendomsrechten met betrekking tot het werk van Karel Appel.

Daarnaast houdt de Stichting zich bezig met de authentificatie van werken van Karel Appel.

2.2. [gedaagde c.s.] drijft een kunsthandel in [woonplaats] en houdt zich bezig met de handel in kunstwerken en het organiseren van exposities.

2.3. Bij onderhandse akte van 1 augustus 2000 heeft Christiaan Karel Appel schriftelijk het volgende verklaard:

“Verklaart hierbij:

de auteursrechthebbende te zijn op alle werken die hij tot dusver vervaardigd heeft, ongeacht waar deze werken zich bevinden, of nog zal vervaardigen.

de rechten voornoemd hierbij over te dragen aan de Karel Appel Stichting, opgericht bij akte van 19 mei 1999 en hij stemt erin toe dat de Karel Appel Stichting omtrent de uitoefening en bescherming van deze alsdan aan de Karel Appel Stichting toekomende rechten nadere door hem goed te keuren afspraken maakt met derden.”

2.4. In het door de Stichting in het geding gebracht notarieel document genaamd “Last Will And Testament”, dat is opgemaakt te Luzern op 13 januari 2005, heeft Christiaan Karel Appel in aanwezigheid van notaris Beat Rogger onder meer het volgende verklaard:

“3. Copyrights and similar rights of economic character (Nutzungsrechte) to my artwork

3.1 I have transferred on 1 August, 2000 by written declaration the copyright and all similar rights of economic character to the artwork that I have produced until such date or afterwards, i.e. to all artwork produced by me during my lifetime, to the Karel Appel Foundation established in Amsterdam (address: Lutmastraat 191 A, NL-1074 TV Amsterdam)

3.2 Should any copyright and/or other similar right of economic character to my artwork still be held by me rather than by the Karel Appel Foundation at the time of my death, I hereby bequeath any and all such rights to the Karel Appel Foundation.” […]

2.5. In 2005 heeft [gedaagde c.s.] telefonisch contact gehad met de agent van de Stichting, [bedrijf X] te Amsterdam. De heer [medewerker sub 1] heeft in dit telefoongesprek aan [gedaagde c.s.] meegedeeld dat [gedaagde c.s.] voor het plaatsen van afbeeldingen van werken van Karel Appel toestemming nodig zou hebben.

2.6. Bij brief van 26 april 2007 heeft mevrouw [medewerker sub 2] van [bedrijf X] aan [gedaagde c.s.] het volgende bericht:

“Via uw site stuitte ik op de mogelijkheid om een bericht per e-mail te sturen. Zojuist hebben we elkaar telefonisch gesproken omdat ik had vernomen dat u eventueel van plan bent een catalogus uit te geven met daarin afbeeldingen van grafisch werk van Karel Appel. Zoals gezegd treedt [bedrijf X] op als agent van Karel Appel en dient er voor de (financiële) afspraken m.b.t. copyright op het werk van Karel Appel contact met ons te worden opgenomen. Onze volledige gegevens vindt u onderaan dit bericht. De Karel Appel Foundation zal uiteindelijk altijd de definitieve toestemming voor het gebruiksrecht van werk van Karel Appel moeten geven alvorens er verder gegaan kan worden.”[…]

2.7. Bij e-mail van 30 november 2008 heeft de heer [medewerker sub 1] aan [gedaagde c.s.] het volgende meegedeeld:

“Zoals met u al telefonisch besproken, blijkt uit ruggespraak met onze juridisch adviseur inderdaad dat het uitgeven van een boek over Karel Appel, als door u voorzien, niet onder het Citaatrecht valt.

Omdat de Stichting Karel Appel geen toestemming geeft voor deze uitgave, verzoeken wij u dan ook niet door te gaan met het door u bedoelde boek, anders zien wij ons genoodzaakt juridische stappen te nemen.”

2.8. Bij e-mail van 1 december 2008 heeft [gedaagde c.s.] aan de heer [medewerker sub 1] het volgende meegedeeld:

“Wij zijn onaangenaam verrast door uw bericht m.b.t. de door ons voorbereide oeuvre-catalogus van Karel Appel’s grafiek en multiples.

Zoals u weet hebben wij al in september 2006 d.m.v. persberichten en diverse publicaties in kunsttijdschriften aangekondigd met een dergelijk boekwerk bezig te zijn.

Inmiddels is het catalogiseren, scannen en fotograferen van dit oeuvre, bijna 1000 (!) werken in totaal, op slechts enkele details na voltooid. Het in dit stadium stopzetten van een zo arbeidsintensief project zal voor ons een enorme schade tot gevolg hebben. Ik neem aan dat u hiervoor begrip op kunt brengen.

Wij delen u daarom mede dat wij in dit stadium niet meer kunnen afzien van voortzetting van deze publicatie.

Wellicht is het mogelijk een oplossing voor het thans gerezen probleem te vinden door middel van overleg.

In dit overleg kunnen we zowel zaken als copyright alsmede eventuele medezeggenschap of anderzijdse betrokkenheid van de Karel Appel Foundation aan de orde stellen.” […]

2.9. Bij brief van 15 december 2008 heeft de raadsman van de Stichting [gedaagde c.s.] gesommeerd om het werk aan de catalogus te staken.

2.10. Bij brief van 22 december 2008 heeft [gedaagde c.s.] aan de raadsman van de Stichting, voor zover van belang, het volgende meegedeeld:

(…)

Wij zijn al twee jaar lang bezig aan de inventarisatie en beschrijving van alle kunstwerken die Karel Appel in de vorm van gemultipliceerde grafiek, boekuitgaven met originele grafiek en multiples (houten en keramische objecten, tapijten etc.) tussen 1936 en zijn overlijden het licht heeft doen zien.

Gezien het feit dat het hier om vele tienduizenden kunstwerken gaat, over de gehele wereld verspreid, en gezien het feit dat er door allerlei oorzaken veel onduidelijkheid bestaat over oplagen, dateringen, authenticiteit en herkomst van deze productie bestaat er bij een toenemend aantal verzamelaars, veilinghuizen, musea en andere geïnteresseerden een steeds groeiende behoefte aan een gedegen catalogus over dit deel van Appel’s oeuvre. Veel veilingcatalogi, aanbiedingen op internet en via andere media staan door het gebrek aan juiste informatie vol fouten en verkeerde gegevens; bovendien circuleren er vele (aanbiedingen van) valse weken van Appel in de markt.

Ook omdat veel Appel’s grafische werk onderling sterke gelijkenissen vertoont is het, ook in het belang van de waardering van Appel’s werk als geheel, van groot belang om een zo gedegen mogelijk overzicht van dit oeuvre tot stand te brengen.

De door ons voorbereide catalogus, die als een Engelstalige uitgave zal verschijnen, en waarvoor wij thans in totaal bijna 1000 items hebben opgespoord en beschreven, voldoet in alle opzichten aan de eisen welke de Appel Foundation ook zichzelf stelt.

Om u daarvan te overtuigen volgt hier een korte beschrijving van de gemaakte catalogus:

na een korte inleiding over Karel Appel en zijn specifieke activiteiten op het gebied van grafisch en multipliceerbaar werk omvat de catalogus van elk werk de navolgende gegevens:

titel,

jaartal van ontstaan/publicatie,

techniek,

beeldformaat,

papierformaat,

wijze van signeren,

oplagegegevens,

drukker, vervaardiger, uitgever, etc.

Het spreekt vanzelf dat deze informatie voor de lezer/gebruiker van deze catalogus slechts functioneel wordt indien bij elke beschreven object een kleine, bijbehorende afbeelding wordt gereproduceerd. Deze afbeeldingen zullen niet groter worden afgedrukt dan voor de ‘herkenbaarheid’ van het betreffende item noodzakelijk is, ongeveer op postzegelformaat.

Het betreft hier dus, zoals u uit het bovenstaande kunt afleiden, een publicatie van zuiver wetenschappelijke aard. Op het daarin opnemen – op de hierboven genoemde wijze – van afbeeldingen van de beschreven werken is naar onze overtuiging het citaatrecht van toepassing. Bovendien wordt het gebruik van die afbeeldingen gerechtvaardigd door het recht op vrije meningsuiting, zeker ook gelet op het grote maatschappelijke / wetenschappelijke belang bij verschijning van de catalogus.

(…)

Een jaar daarna zijn door ons in diverse kunstbladen en tijdschriften advertenties en oproepen geplaatst waarin wij aankondigden met de voorbereidingen van een dergelijk boekwerk van start te zullen gaan.

Destijds hebben wij van zowel Mevrouw [Y] als de Appel Foundation niets mogen vernemen.

Thans, na jaren werken en na het maken van zeer aanzienlijke kosten – de catalogisering is op enkele items na volledig voltooid en alle items zijn inmiddels gescand en digitaal opgeslagen – komt de Foundation met de eisen, zoals die in uw brief worden geformuleerd.

Wij zien noch op juridische noch op andere gronden aanleiding om onze werkzaamheden plotseling te beëindigen.” […]

3. Het geschil

3.1. De Stichting vordert – na eisvermindering- bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde c.s.] te veroordelen om:

1. onmiddellijk na de betekening van het te dezen te wijzen vonnis, iedere (dreigende) inbreuken op de intellectuele eigendomsrechten van de Stichting te staken en gestaakt te houden, waaronder maar niet beperkt tot het (laten) samenstellen en (laten) uitgeven van de catalogus;

2. onmiddellijk na de betekening van het te dezen te wijzen vonnis, al(le kopieën van) het (voorbereidende) materiaal ten aanzien van de catalogus, voor zover bestaande uit afbeeldingen van het werk van Karel Appel aan de advocaat van de Stichting af te geven ter vernietiging;

3. binnen 10 werkdagen na de betekening van het te dezen te wijzen vonnis, aan de advocaat van de Stichting schriftelijk en gedetailleerd opgave te doen, onder overlegging van deugdelijke bewijsstukken, van:

a) contactgegevens van degene(n) die de foto’s ten behoeve van het samenstellen van de catalogus heeft (hebben) gemaakt en/of aangeleverd;

b) de bedrijfs- en contactgegevens van de bij het uitgeven van de catalogus betrokken uitgever en/of drukker;

4. aan de Stichting, ten titel van dwangsommen, een bedrag van EUR 10.000,-- te betalen voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, of – zulks ter keuze van de Stichting – voor iedere keer, dat [gedaagde c.s.] in strijd handelen met het hiervoor onder sub 1 en sub 2 gevorderde;

5. de termijn waarbinnen de Stichting de eis in de hoofdzaak dient in te stellen tegen [gedaagde c.s.] als bedoeld in artikel 1019i Rv te bepalen op zes maanden na het in deze zaak te wijzen bevel, althans een zodanige termijn als de voorzieningenrechter in redelijkheid voorkomt;

6. in de volledige kosten van deze procedure, bestaande uit de gerechtskosten en de andere feitelijk door de Stichting gemaakte kosten, waaronder het volledig salaris en de verschotten van haar advocaat, dan wel een ander door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag ter vergoeding van de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de Stichting heeft gemaakt.

3.2. [gedaagde c.s.] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vaststaat dat [gedaagde c.s.] zich momenteel bezig houdt met het samenstellen van een oeuvre-catalogus van het grafische werk en de multiples van Karel Appel en dat [gedaagde c.s.] het voornemen heeft deze catalogus uit te geven.

De Stichting baseert haar vorderingen zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.1. op de stelling dat zij auteursrecht heeft op alle werken van Karel Appel, waaronder de circa 1000 grafische werken en multiples waar het in het onderhavige geding om gaat.

De Stichting stelt dat [gedaagde c.s.] inbreuk maakt op het auteursrecht, te weten op het verveelvoudigingsrecht door het maken van afbeeldingen van het grafische werk van Karel Appel en op het openbaarmakingsrecht door het publiceren van de oeuvre-catalogus. Zij stelt dat zij als gevolg hiervan onherstelbare schade zal lijden, doordat de catalogus die de Stichting vervaardigt, niet meer verkocht zal worden.

4.2. [gedaagde c.s.] voert als verweer aan dat de Stichting niet het auteursrecht heeft op alle werken van Karel Appel. [gedaagde c.s.] stelt dat Karel Appel auteursrecht op diverse series heeft overgedragen onder andere aan Galerie Reflex. Voor het opnemen van afbeeldingen van die werken heeft [gedaagde c.s.] dan ook geen toestemming nodig van de Stichting.

De Stichting, die de hiervoor onder 2.3 en 2.4 vermelde akten heeft overgelegd, heeft ter zitting aangevoerd dat er sprake is van een licentierecht dat door London Arts is verkregen ten aanzien van 10 werken, doch heeft verder bestreden dat anderen dan zij auteursrechten op de werken van Karel Appel hebben.

Nu [gedaagde c.s.] zelfs niet heeft aangegeven op welke van de hier in het geding zijnde grafische werken en multiples anderen dan de Stichting auteursrechten kunnen doen gelden, zal dit verweer als volstrekt ongemotiveerd gepasseerd worden.

4.3. [gedaagde c.s.] betwist verder dat het plaatsen van de sterk verkleinde afbeeldingen van de grafische werken en multiples een openbaarmaking en verveelvoudiging vormt in de zin van artikel 1 van de Aw. Zij beroept zich daarbij op een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 16 maart 2006, die geoordeeld heeft dat met het plaatsen van verkleinde foto's van huizen op een website de auteursrechtelijke relevante trekken geheel verloren zijn gegaan.

4.4. Uit deze uitspraak - daargelaten of deze als juist moet worden beoordeeld - kan echter niet worden afgeleid dat het zonder meer geoorloofd is verkleinde afbeeldingen van auteursrechtelijke beschermde werken te verveelvoudigen en openbaar te maken. In de betreffende uitspraak wordt er immers van uitgegaan dat het auteursrecht op de foto's van de woningen zijn oorsprong vindt in de wijze waarop de foto's zijn genomen, met name de afstand waarop de woningen zijn gefotografeerd, de gekozen hoek waaronder de foto's zijn genomen alsook het al dan niet inspelen op de natuurlijke belichting, en wordt geoordeeld dat deze elementen door de verkleining verloren zijn gegaan. In het onderhavige geval gaat het echter niet om auteursrechtelijke bescherming van een foto van het kunstwerk, maar om auteursrecht dat bij het maken van het kunstwerk zelf is ontstaan. Niet valt in te zien hoe dit auteursrecht door enkele verkleining verloren kan zijn gegaan. Daarbij moet worden opgemerkt dat - gezien het doel dat met de catalogus wordt nagestreefd - aannemelijk is dat de kunstwerken weliswaar verkleind, doch scherp en in de juiste kleuren zullen worden afgedrukt, zodat zij duidelijk herkenbaar zijn.

4.5. [gedaagde c.s.] stelt voorts dat het plaatsen van de afbeeldingen geoorloofd is op grond van het citaatrecht, zoals dat geregeld is in artikel 15a Aw, waarbij iedere afbeelding als een citaat moet worden beschouwd. Aan de in artikel 15a Aw gestelde voorwaarden is volgens [gedaagde c.s.] voldaan omdat het maken van een overzichtswerk van Karel Appel naar maatstaven van het maatschappelijk verkeer geoorloofd is. Zij wijst er daarbij op dat het gangbaar is een oeuvre-catalogus ook zonder toestemming en daaraan te verbinden financiële voorwaarden te publiceren en legt een lijst over van catalogi van andere kunstenaars die zonder toestemming van de rechthebbende tot stand zijn gekomen.

[gedaagde c.s.] stelt dat van alle grafische werken van Karel Appel in de catalogus een wetenschappelijke, informatieve omschrijving zal worden gegeven, waarbij een indruk van het omschreven object wordt gegeven door het plaatsen van een kleine afbeelding van het desbetreffende werk. Volgens [gedaagde c.s.] moet bezien worden of het plaatsen van iedere specifieke kleine foto redelijkerwijs geoorloofd is ten opzichte van de tekst waar de foto bij hoort, mede gelet op de omvang van het oorspronkelijke werk. De afbeeldingen zijn functioneel en dienen slechts ter identificatie van de in de tekst omschreven werken. De afbeeldingen vormen samen met de tekst een geheel dat er toe strekt aan de lezer een indruk van het werk te geven.

4.6. De Stichting bestrijdt dat wordt voldaan aan de voor een beroep op artikel 15a Aw geldende vereisten. Zij stelt dat bij de verveelvoudiging van gehele werken het citaat een zodanig ondergeschikt onderdeel dient te vormen dat de opname van die verveelvoudiging niet meer als een vorm van exploitatie van die werken kan worden beschouwd. De opname van circa 1000 afbeeldingen van het grafisch werk van Karel Appel gaat de grenzen van een toelaatbaar citaat ver te buiten.

4.7. [gedaagde c.s.] heeft haar stelling dat het in het maatschappelijk verkeer gangbaar is om een oeuvre-catalogus te publiceren zonder toestemming van de rechthebbende, feitelijk onvoldoende onderbouwd. [gedaagde c.s.] heeft weliswaar een lijst van werken overgelegd, die volgens haar zonder toestemming van de rechthebbende tot stand zijn gekomen, maar de Stichting heeft betwist dat bij deze publicaties toestemming van de rechthebbende ontbreekt De Stichting heeft dit ten aanzien van een tweetal op de lijst voorkomende werken ook aangetoond.

Nu [gedaagde c.s.] zich heeft beperkt tot het overleggen van de lijst en geen nadere feiten heeft aangetoond, kan er niet van worden uitgegaan dat de op de lijst voorkomende werken zonder toestemming van de rechthebbenden zijn uitgegeven. Overigens is het de vraag of - indien de toestemming van de rechthebbenden inderdaad bij deze publicaties ontbreekt - hieruit zonder meer kan worden afgeleid dat de publicatie van dergelijke werken zonder toestemming van de rechthebbende naar regels van maatschappelijk verkeer geoorloofd is en het een ieder vrijstaat om zonder toestemming van de rechthebbende een dergelijk werk te publiceren.

4.8. Bij de beoordeling of het citaatrecht in dezen van toepassing is, dient eerst onder ogen gezien te worden wat het karakter van de te publiceren catalogus zal zijn en welk doel daarmee wordt nagestreefd.

[gedaagde c.s.] schrijft in zijn brief van 22 december 2008 aan de raadsman van de Stichting dat de catalogus, die in de Engelse taal zal worden uitgegeven, een zuiver wetenschappelijke oeuvre-catalogus is, die een inventarisatie en een beschrijving bevat van alle kunstwerken die Karel Appel in de vorm van gemultipliceerde grafiek, boekuitgaven met originele grafiek en multiples tussen 1936 en zijn overlijden het licht heeft doen zien. Omdat het gaat om vele tienduizenden kunstwerken die over de gehele wereld zijn verspreid en omdat er door allerlei oorzaken veel onduidelijkheid bestaat over oplagen, dateringen, authenticiteit en herkomst van de kunstwerken bestaat er bij een toenemend aantal verzamelaars, veilinghuizen, musea en andere geïnteresseerden een groeiende behoefte aan een gedegen catalogus over dit deel van Appel's oeuvre. [gedaagde c.s.] geeft ook aan welke gegevens bij de afbeeldingen vermeld zullen worden: titel, jaartal van ontstaan/publicatie, techniek, beeldformaat, papierformaat, wijze van signeren, oplagegegevens, drukker/vervaardiger, uitgever etc..

Op grond hiervan moet worden aangenomen dat de catalogus op zich een voorlichtend karakter heeft, doch daarmee is nog niet gegeven dat de catalogus een publicatie van zuiver wetenschappelijke aard is. Voldoende aannemelijk is - zowel op grond van de aard van de bij de afbeeldingen te vermelden gegevens, alsook op grond van hetgeen [gedaagde c.s.] zelf heeft aangevoerd omtrent de kringen waarin behoefte aan een dergelijke catalogus bestaat - dat het gebruik van de catalogus in hoge mate ten dienste zal strekken van de handel in de grafische werken en multiples van Karel Appel. Aannemelijk is dan ook dat de catalogus in die kringen zal worden aangeschaft en dat zij ook met dat doel wordt vervaardigd. De catalogus heeft dus in belangrijke mate een commercieel doel.

4.9. [gedaagde c.s.] beroept zich er verder op dat iedere afbeelding als een citaat bij een bepaalde tekst moet worden beschouwd en dat de afbeeldingen slechts dienen ter identificatie van de in de tekst omschreven werken. De afbeeldingen zijn functioneel en vormen samen met de tekst een coherent geheel, terwijl zij niet bedoeld zijn om het boek te verfraaien. Weliswaar is de catalogus zonder de afbeeldingen incompleet, maar de catalogus kan - gelet op het formaat van de afbeeldingen - niet geacht worden een zelfstandige exploitatie van de werken van Karel Appel te vormen. [gedaagde c.s.] beroept zich daarbij op het arrest Damave/Trouw (26 juni 1992), waarin de Hoge Raad een citaat toelaatbaar acht als de afbeelding samen met de tekst redelijkerwijs als een geheel kan worden beschouwd dat ertoe strekt aan de lezer een indruk van het werk te geven. [gedaagde c.s.] stelt dat er als het ware sprake is van 1000 kleine boekbesprekingen.

4.10. Deze stelling moet worden verworpen. Immers de uitspraak van de Hoge Raad waarop [gedaagde c.s.] zich beroept kan niet los gezien worden van doel dat met die publicatie werd nagestreefd en waarvoor tekst en afbeelding werden samengevoegd. Het ging er daarbij om de lezer een indruk van een bepaald boek te geven, waarbij toelaatbaar werd geacht dat één enkele illustratie uit dat boek aan de tekst van de bespreking werd toegevoegd. In de zaak die thans voorligt is aannemelijk dat de catalogus zal worden geraadpleegd om in dit gehele verzamelde werk na te gaan of een bepaald werk tot het oeuvre van Karel Appel behoort en hoeveel exemplaren ervan vervaardigd zijn. Daarbij is het geheel van alle in de catalogus verzamelde afbeeldingen essentieel en vormt dit juist het element waardoor de catalogus voor de gebruiker van belang is. Bovendien is iedere afbeelding een volledige weergave van een werk van Karel Appel, zodat ook al op die grond niet van een citaat kan worden gesproken.

4.11. Bij de beoordeling van de vraag of het opnemen van ongeveer 1000 werken van Karel Appel in de catalogus naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is en of aantal en omvang van de geciteerde gedeelten door het te bereiken doel zijn gerechtvaardigd, moet als uitgangspunt dienen dat het opnemen van de afbeeldingen niet wezenlijk afbreuk mag doen aan de door het auteursrecht beschermde belangen terzake van de exploitatie van het betreffende werk.

Nu het uitbrengen van een dergelijke catalogus, die ook onmiskenbaar een commercieel doel dient, als exploitatie van de werken van Karel Appel moet worden beschouwd, moet geoordeeld worden dat het opnemen van ongeveer 1000 afbeeldingen niet door een beroep op artikel 15a Aw gerechtvaardigd wordt.

4.12. [gedaagde c.s.] voert nog aan dat het uitbrengen van de catalogus niet afdoet aan de exploitatiemogelijkheden van de Stichting, omdat de Stichting zelf ook een dergelijke catalogus (met grotere afbeeldingen) kan uitbrengen. Aannemelijk is echter dat de afzetmogelijkheden voor de Stichting - zoals zij ook heeft aangevoerd - worden belemmerd doordat [gedaagde c.s.] eerder met een catalogus op de markt komt dan zij.

4.13. Voorts stelt [gedaagde c.s.] dat op grond van artikel 23 Aw de eigenaren van de werken van Karel Appel ieder voor zich het recht hebben om hun werken ter bevordering van de verkoop te verveelvoudigen en openbaar te maken. [gedaagde c.s.] stelt dat de afbeeldingen van de kunstwerken afkomstig zijn van de eigenaren van die werken en dat deze afbeeldingen op hun verzoek in de catalogus worden opgenomen. Ingevolge artikel 23 Aw moeten eigenaren van auteursrechtelijk beschermde werken normaal gebruik van hun eigendom kunnen maken en staat het verbieden van de catalogus het normaal gebruik door de eigenaren in de weg. [gedaagde c.s.] heeft op die grond geen toestemming nodig van de Stichting voor publicatie van de afbeeldingen in de catalogus.

4.14. Ook deze stelling van [gedaagde c.s.] moet worden verworpen. Het is de eigenaren, bezitters of houders van werken van beeldende kunst geoorloofd binnen de in artikel 23 Aw vermelde doelbegrenzingen die werken te verveelvoudigen of openbaar te maken. Dat die doelbegrenzingen in dit geval aanwezig zijn is niet gesteld en evenmin gebleken.

4.15. Vervolgens stelt [gedaagde c.s.] dat het verbieden van de catalogus schending zou opleveren van artikel 10 EVRM, waarin het recht op vrije meningsuiting of – breder gezien – informatievrijheid, is neergelegd. De informatievrijheid mag in dit geval niet worden ingeperkt omdat deze beperking niet noodzakelijk is in een democratische samenleving. Publicatie van de oeuvre-catalogus is juist noodzakelijk en dient een algemeen, maatschappelijk belang, nu zowel de kunstwetenschap als het kunstonderwijs als de kunstbranche als het Nederlands erfgoed gebaat is bij de verschijning van de catalogus.

[gedaagde c.s.] wijst daarbij op het volgende.

De catalogus voorziet in een leemte die de Stichting zelf heeft gecreëerd. De Stichting is zelf niet in staat om een met het onderzoek van [gedaagde c.s.] vergelijkbaar onderzoek te verrichten of op korte termijn te laten verrichten. Een door de Stichting opgestelde catalogus zal bovendien minder objectief zijn en de Stichting zou wel eens geneigd kunnen zijn de volledige waarheid rond het reproductiebeleid van Karel Appel niet prijs te geven. Het auteursrecht mag niet verhinderen dat misstanden of andere ernstige feiten aan de kaak worden gesteld.

De publicatie van de catalogus dient daarom een algemeen maatschappelijk belang. Hiertegenover staat een zwak en onduidelijk individueel belang van de Stichting.

[gedaagde c.s.] wijst daarbij op de Scientologie-jurisprudentie (Hof Den Haag 4 september 2003) waarin is bepaald dat het auteursrecht niet mag verhinderen dat misstanden of andere ernstige feiten aan de kaak worden gesteld.

4.16. De Stichting bestrijdt dat [gedaagde c.s.] een zelfstandig en geslaagd beroep kan doen op de informatievrijheid. Zij stelt dat in de auteurswet beperkingen zijn opgenomen met het oog op de informatievrijheid, zoals het citaatrecht (artikel 15a Aw) en de onderwijsexceptie (artikel 16 Aw). Het auteursrecht levert een beperking van de informatievrijheid op, indien de toets van artikel 10 lid 2 EVRM kan worden doorstaan. Voorts stelt de Stichting dat een beroep op artikel 10 EVRM in beginsel niet kan dienen ter rechtvaardiging van een inbreukmakend gebruik van een goed waarop een ander exclusieve rechten heeft.

4.17. Hoewel het onder omstandigheden mogelijk moet worden geacht dat het algemeen maatschappelijk belang zo zwaar moet wegen dat het auteursrecht daarvoor moet wijken, is daarvan in het onderhavige geval geen sprake. Vooralsnog moet er - nu de Stichting dit heeft gesteld - vanuit worden gegaan dat de Stichting zelf een oeuvre-catalogus zal uitgeven. De Stichting geeft ook inlichtingen over het werk van Karel Appel en beoordeelt authenticiteit van werken, zodat informatievoorziening op deze punten voldoende is gewaarborgd. Dat de Stichting daarbij niet objectief te werk zal gaan, berust op een niet op feiten gebaseerde veronderstelling. Voorts is er in de onderhavige zaak geen sprake van omstandigheden zoals die in de zaak Scientologie/Karin Spaink zijn gebleken.

Daarnaast moet geoordeeld worden dat [gedaagde c.s.] in belangrijke mate een commercieel doel nastreeft en dat het feit dat de Stichting zich in dit geval op haar auteursrecht beroept niet betekent dat de Stichting – in het geval dat zij zou afzien van de publicatie van de door haar zelf uit te brengen catalogus - iedere publicatie van een oeuvre-catalogus als de onderhavige zal tegenhouden met een beroep op haar auteursrecht. De Stichting stelt zich echter terecht op het standpunt dat haar toestemming vereist is voor de publicatie van de afbeeldingen.

Ook deze stelling van [gedaagde c.s.] kan dus niet slagen.

4.18. Tenslotte stelt [gedaagde c.s.] dat de Stichting misbruik van recht maakt (artikel 3: 13 BW) door publicatie van de catalogus te verbieden. [gedaagde c.s.] baseert deze stelling daarop dat de Stichting geen, althans een onduidelijk individueel belang heeft, dat niet opweegt tegen het algemene belang dat door de uitoefening van het auteursrecht wordt geschaad.

4.19. Kennelijk bedoelt [gedaagde c.s.] te stellen dat de Stichting, gezien deze onevenredig-heid van belangen, in redelijkheid niet tot de uitoefening van haar auteursrecht kan komen.

Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, is hiervan echter geen sprake.

4.20. Al het vorenstaande voert tot de conclusie dat de door de Stichting ingestelde vorderingen onder sub 1 en sub 2 toewijsbaar zijn. Zij zullen worden toegewezen, zij het dat [gedaagde c.s.] een termijn van één week zal worden gegund om aan het sub 2 gevorderde te voldoen.

Gezien deze veroordelingen heeft de Stichting vooralsnog onvoldoende belang bij toewijzing van het sub 3 gevorderde.

De sub 4 gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd tot een bedrag van EUR 5.000,00 per dag en aan elke dwangsom zal een maximum worden verbonden van EUR 150.000,00.

4.21. De termijn ingevolge artikel 1019i Rv zal worden bepaald op zes maanden na betekening van dit vonnis.

4.22. [gedaagde c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij de in de proceskosten worden veroordeeld. De Stichting heeft op grond van het bepaalde in artikel 1019h Rv gevorderd dat [gedaagde c.s.] wordt veroordeeld tot betaling van de volledig feitelijk door de Stichting gemaakte kosten, zijnde een bedrag van EUR 9.978,15 (inclusief BTW). Ter onderbouwing van deze vordering heeft de Stichting een kostenspecificatie overgelegd van in totaal EUR 8.385,-- (exclusief BTW.) Gelet op het feit dat aan de ingestelde vorderingen een intellectueel eigendomsrecht ten grondslag is gelegd, zal de voorzieningenrechter ten aanzien van het salaris van de advocaat aansluiten bij de per 1 augustus 2008 in werking getreden indicatietarieven in IE-zaken. Voor niet eenvoudige kort gedingen liggen deze tarieven tussen EUR 6.000,00 en EUR 15.000,00. De kosten van EUR 9.978,15 worden als redelijk en evenredig beschouwd en komen als werkelijk gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking. De kosten aan de zijde van Stichting worden, gezien het voorgaande, begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- vast recht EUR 262,00

- salaris advocaat EUR 9.978,15

EUR 10.326,13

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde c.s.] om onmiddellijk na de betekening van dit vonnis, iedere (dreigende) inbreuken op de intellectuele eigendomsrechten van de Stichting te staken en gestaakt te houden, waaronder maar niet beperkt tot het (laten) samenstellen en (laten) uitgeven van de catalogus,

5.2. veroordeelt [gedaagde c.s.] om binnen één week na de betekening van dit vonnis, al(le kopieën van) het (voorbereidende) materiaal ten aanzien van de catalogus, voor zover bestaande uit afbeeldingen van het werk van Karel Appel aan de advocaat van de Stichting af te geven ter vernietiging,

5.3. bepaalt dat [gedaagde c.s.] voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat zij in strijd handelt met hiervoor onder 5.1.en 5.2. bepaalde, aan de Stichting een dwangsom verbeurt van EUR 5.000,00 per dag telkens tot een maximum van EUR 150.000,00,

5.4. veroordeelt [gedaagde c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van de Stichting tot op heden begroot op EUR 10.326,13,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. bepaalt dat de Stichting binnen zes maanden na heden de eis in de hoofdzaak dient in te stellen,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2009.?