Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH7513

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
260095 / KG ZA 08-1292
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Intrekking kort geding door eiseres vóór mondelinge behandeling. Gedaagde verzoekt om afgifte van een bevelschrift ex artikel 250 Rv voor kosten die zij heeft gemaakt ter voorbereiding van het kort geding. Verzoek wordt afgewezen. Intrekking van een kort geding kan niet worden aangemerkt als afstand van instantie in de zin van de artikelen 249 en 250 Rv, zodat geen rechtstreeks beroep op deze bepalingen mogelijk is. Analoge toepassing van deze bepaling leidt niet tot een recht op vergoeding van kosten die ter voorbereiding van een kort geding zijn gemaakt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 249
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 250
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2009/51 met annotatie van mr. M. den Besten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 260095 / KG ZA 08-1292

Beschikking van 11 maart 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SOLID BUSINESS BV,

gevestigd te Enschede,

eiseres,

advocaat mr. G. van Lent

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRADE-IT BV,

tevens h.o.d.n. TCN ICT,

gevestigd te Nieuwegein,

kantoorhoudende te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. A.I. Keur.

Partijen zullen in het navolgende worden aangeduid als Solid Business en Trade-IT.

1. Het verloop van het geding

1.1. Het verloop van het geding blijkt uit:

- de concept-dagvaarding

- de bepaling van de mondelinge behandeling van het kort geding op 21 januari 2009

- de intrekking van het kort geding door Solid Business voorafgaande aan de mondelinge behandeling

- het verzoek van Trade-IT (bij brief van 21 januari 2009) om een bevelschrift voor haar proceskosten af te geven dan wel deze proceskosten te begroten.

1.2. De voorzieningenrechter heeft vervolgens bepaald dat heden uitspraak op het verzoek van Trade-IT wordt gedaan.

2. De beoordeling van het verzoek

2.1. Trade-IT heeft de voorzieningenrechter verzocht om een bevelschrift af te geven dan wel een begroting te verstrekken voor de kosten die zij in verband met de voorbereiding van het onderhavige kort geding heeft gemaakt. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft Trade-IT - met een beroep op het bepaalde in artikel 250 Rv - aangevoerd dat zij voorafgaande aan de intrekking van het kort geding kosten heeft gemaakt in de vorm van het inzenden van producties en het gereedmaken van pleitnotities. Gelet op het belang en de omvang van de zaak is Trade-IT van mening dat aan proceskosten een bedrag tussen de EUR 2.000,-- en EUR 3.000,-- dient te worden geliquideerd.

2.2. Als hoofdregel geldt dat de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op kort gedingzaken van toepassing zijn, indien de aard van het kort geding zich daartegen niet verzet. Anders dan Trade-IT kennelijk meent, kan de intrekking van een kort geding niet worden aangemerkt als afstand van instantie als bedoeld in de artikelen 249 en 250 Rv. Deze bepalingen nemen immers niet het uitroepen van de zaak, maar het antwoorden op de eis als 'eindpunt'. Intrekking van een kort geding is een aparte, niet in de wet geregelde, rechtsfiguur. Een rechtstreeks beroep op artikel 249 lid 2 (“De eiser is verplicht de proceskosten van de gedaagde te betalen.”) en artikel 250 lid 4 Rv (“Ter zake van de betaling van de kosten vaardigt de rechter op verlangen van de gedaagde een bevelschrift uit.”) komt Trade-IT dan ook niet toe.

2.3. Voor zover voormelde bepalingen zich al zouden lenen voor analogische toepassing op kort gedingprocedures, kan dit Trade-IT niet baten. Deze bepalingen leggen op de eisende partij alleen een verplichting tot betaling van kosten die de gedaagde voor het verrichten van proceshandelingen heeft gemaakt, zoals bijvoorbeeld kosten wegens betaald vast recht of kosten van een voorlopig getuigenverhoor of deskundigenbericht (vgl. T&C Burgerlijke Rechtsvordering aantekening 3 onder b bij artikel 249 Rv), en niet op kosten ter voorbereiding van proceshandelingen. Deze kosten worden niet zelfstandig vergoed, maar alleen indien proceshandelingen op die voorbereiding zijn gevolgd. In bodemzaken is een eisende partij op grond van voormelde bepalingen niet gehouden kosten voor de voorbereiding van een proceshandeling te betalen, zodat niet valt in te zien waarom dat voor een kort geding anders zou moeten zijn.

2.4. In het onderhavige kort geding is door Trade-IT nog geen proceshandeling verricht. De zaak is niet uitgeroepen en Trade-IT kan dus ook geen proceshandeling verricht hebben (in de vorm van het verschijnen ter terechtzitting en het voeren van verweer na uitroeping van de zaak). Verder heeft Trade-IT ook nog geen vast recht hoeven te betalen. Vast recht is door de gedaagde immers pas verschuldigd bij verschijning na uitroeping van de zaak. Deze uitroeping heeft door de intrekking van het kort geding niet plaatsgevonden. Van andere proceskosten (zoals hiervoor onder 2.3 bedoeld) is niets gesteld of gebleken.

2.5. Het voorgaande betekent dat er geen grond aanwezig is voor het afgeven van een bevelschrift voor dan wel een begroting van de kosten waarop het verzoek van Trade-IT betrekking heeft. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Schepen en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2009.?

w.g. griffier w.g. rechter